Vermist!
Vermist!

Vermist!

Tekst: Lukas 2:41-52

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Ik kom uit een redelijk groot gezin.
Mijn ouders hebben vijf kinderen.
Zelf ben ik de één-na-oudste.
Ik heb een oudere zus, een jongere zus en twee jongere broers.

Voordeel aan één van de oudsten zijn, is dat je het opgroeien van je jongere broers of zussen heel bewust meemaakt.
Zo weet ik nog heel erg goed dat mijn zusje en ik mijn vader eens moesten helpen in de tuin, op een zaterdag.
Onder protest natuurlijk, want ik wilde veel liever computeren.
Wij hard aan het werk in de tuin, mijn moeder hard aan het werk in huis.
Mijn broertje in de woonkamer.
De voordeur stond open.

Op een gegeven moment waren we toe aan de koffie.
En opeens zei mijn moeder: waar is Martin?
Dat is mijn jongste broertje.
Hij kroop net hier binnen rond.
Is hij niet bij jou, zei ze tegen mijn vader.
Nee, wij waren buiten.
En zij gauw zoeken, in het huis. En al heel snel bleek dat hij niet in huis was.
Dus mijn vader rende naar buiten, en ging daar zoeken.
Ik vind het nog steeds knap hoe snel hij hem had gevonden.
In de verte hoorde hij auto’s toeteren.
Dus instinctief ging hij daar naartoe, zo snel als hij kon.
En daar aangekomen zag hij mijn broertje zitten.
Midden op de weg, op de rotonde in het dorp.
Best een eind bij ons huis vandaan.
Een rij auto’s ervoor.
Wat was het een opluchting dat ze hem gevonden hadden!
Maar mijn ouders waren not amused.
Ze waren allebei enorm geschrokken.
En dat kan je je heel goed voorstellen!
Moet je je voorstellen hoe Jozef en Maria zich voelden.
Jezus was wel een heel stuk ouder dan mijn broertje. Hij was al twaalf jaar.
Maar als je kind ineens kwijt blijkt te zijn, dan slaan alle stoppen door.
Jozef en Maria waren de hele dag in de veronderstelling geweest dat hun zoon wel bij familieleden zou zijn.
Zo ging dat in die tijd. Je had geen telefoontje.
En je gezin, dat was niet alleen je ouders, en jij,
dat waren ook je oom en tante, neefjes en nichtjes, buurman en buurvrouw.
Een extended family. Een uitgebreid huishouden.
Het was heel normaal dat Jezus ergens met één van hen meeliep.
Dus, na een hele dag lopen gingen ze eens rondvragen.
Is Jezus bij jou? Nee?
Oh, dan kijk ik wel even bij hen, daar zal hij wel zijn. Ook niet?

Eerst een wat ongerust gevoel, misschien.
En toen ze hem nergens konden vinden, begon de paniek toe te slaan.
Als Jezus niet bij één van hun familieleden of vrienden was, waar dan wel?

Het idee dat je kind van twaalf bij mensen loopt die je kent,
is een heel ander idee dan dat je kind van twaalf alleen door een stad als Jeruzalem struint.
Een gevaarlijke plek, vol met donkere steegjes,
met vreemde mensen, soldaten en handelaren.

Geen politiekantoor, waar Jezus naartoe gebracht kon zijn.
Hij stond er helemaal alleen voor.
Je kunt en wilt je niet je voorstellen hoe Jozef en Maria zich voelden,
toen ze drie dagen lang door Jeruzalem renden en Jezus nergens konden vinden!

Ik denk dat ze, na die drie dagen, ontzettend bang waren óf ze Jezus nog wel zouden vinden.
Misschien was dat ze naar de tempel gingen,
wel omdat ze ten einde raad waren.
En dachten:
laten we bidden of we hem weer levend terug mogen zien.

En dan de opluchting, én de boosheid, toen ze Jezus daar vonden!
Na drie dagen, hè?
Hij zat daar, heel ontspannen, tussen de leraren, de rabbi’s.
Hij luisterde naar ze, stelde ze vragen.

Want zo gaf een rabbi onderwijs.
De rabbi vertelde iets, over de Joodse wet, en dan werd er een vraag gesteld,
om iets te verduidelijken, of te specificeren,
en daar moest hij weer antwoord op geven.
Zo kon je úren met elkaar praten over één tekst.
Vaak een tekst uit de Torah.
Ze lazen bijvoorbeeld een zin als: ‘op de sabbat mag u niet werken’.
En dan gingen ze daarover in gesprek: wat is werken?
In bepaalde omstandigheden kan iets werken zijn, in andere niet.
Hoe moet je dat bepalen?
Zijn er omstandigheden waarin je wél mag werken op de sabbat,
of zelfs móet werken?
Als op de sabbat je kalf in de sloot raakt,
mag je hem er dan uit trekken, of moet je hem laten verdrinken?
Nee, dan mag je hem eruit trekken.
Maar dat is toch werken?
Ja, maar je mag het kalf niet laten verdrinken, dat is ook niet goed.
Dus dan mag je wel werken, maar het is wel een uitzondering.

Zo probeerden ze met elkaar heel nauwgezet te bepalen hoe je als gelovige hoorde te leven.
Welke keuzes je dan moest maken.

Zo zit Jezus daar bij de Joodse leraren, terwijl hij ze vragen stelde.
Goede vragen blijkbaar, want ze waren erg onder de indruk van zijn wijsheid.
Misschien dat hij vergelijkbare dingen zei als toen hij volwassen was.
In de wet staat: als iemand je oog uitsteekt, mag je dat terugdoen.
Een oog voor een oog, een tand voor een tand.
Maar Jezus vroeg: moet je je daar wel aan houden?
Zegt God niet: heb je vijanden lief?

De uitspraken van Jezus, als je die hoort, of leest, zijn nog steeds uitspraken waar je van onder de indruk kunt raken.
Omdat ze zo’n radicaal andere richting opgaan dan mensen vaak denken.

Niet: je hebt het recht om je te verdedigen, dus dat recht moet je ook nemen.
Maar als iemand je op je wang slaat, keer hem dan ook de andere toe.
Of: als iemand je dwingt om een eind met hem op te lopen,
loop dan nóg een stuk met hem mee.
Die uitspraken zijn zó radicaal, dat je je er nauwelijks aan kunt houden.
Want wie van ons gaat er niet steigeren als je onrecht aan wordt gedaan?
Moet je dan maar gewoon over je heen laten lopen?

Of is er een reden dat Jezus zó radicaal is?
Omdat dat is hoe God het heeft bedoeld?
Als iederéén zo zou reageren als Jezus van ons vraagt,
zou de hele wereld er dan niet totaal anders uitzien?

Misschien is het geen standaard die wij kunnen halen.
Maar wel een standaard om naar te proberen te leven.
Behandel de mensen in alles zoals je wilt dat ze jullie behandelen, zegt Jezus.
Heb je naaste lief als jezelf.

De Joodse leraren, met wie Jezus in gesprek is,
zijn diep onder de indruk van zijn vragen, en van de dingen die hij zegt.

Maar Maria niet, als ze Jezus eindelijk weer heeft gevonden.
Maria is vreselijk boos.
Je kent dat vast wel, die mengeling van boosheid en opluchting.
Ze is boos, omdat ze van Jezus houdt, en blij is dat ze hem terug heeft.
Boos, omdat ze ontzettend is geschrokken.
En dan zeg je wel eens iets wat je niet echt meent.

Maria zegt: Je vader en ik waren zo bang!
Ze zegt niet: hoe kon ík jou uit het oog verliezen?
Ze zegt: hoe kon je ons dit aandoen?
Alsof het de schuld van Jezus was dat ze hem kwijt waren geweest.
En bij Jezus merk je dat hij als twaalfjarige al behoorlijk zelfbewust begint te worden.
Jullie hadden niet zo lang hoeven te zoeken.
Jullie konden toch weten dat ik in het huis van mijn Vader was?

Lukas, die dit verhaal heeft opgeschreven,
heeft dat heel bewust zo opgeschreven als het er staat.
Jezus was in het huis van zijn Vader.
In het huis van God.
Zoals de engel tegen Zacharias zei in de tempel: jouw zoon,
Johannes, zal de weg vrij maken voor de Heer, voor God zelf,
Zo zegt Jezus hier nog eens dat hij de zoon van God is.

Wat betekent dat?

Ik denk dat Jozef en Maria met de handen in het haar stonden,
toen Jezus dit tegen ze zei.
Wat moesten ze met hem?
Met een kind, dat zulke dingen zegt?
Voor hen moet het helemaal niet makkelijk geweest zijn.
Maar toch wel een bevestiging van wat de engel tegen zowel Maria als Jozef had gezegd, voordat Jezus werd geboren:
Jullie kind zal de zoon van de allerhoogste God genoemd worden.

En net als toen de herders naar hen toe kwamen,
en vertelden over de engelen,
die de geboorte van Jezus hadden aangekondigd,
hoort Maria Jezus dit zeggen,
“Ik was in het huis van mijn Vader”,
En ze sluit de woorden die ze hoort in haar hart.
Die woorden blijven bij haar hangen.
Wat wordt er met deze woorden bedoeld?

Misschien was Maria het zelf wel die jaren later dit verhaal aan Lukas vertelde.
Dat ze als moeder niet altijd begrepen had wat die woorden betekenden.
Maar dat ze door de jaren heen steeds meer waren gaan leven.
Dat ze steeds meer merkte dat Jezus écht anders was.

Ook al was hij een heel gewoon kind:
Hij was bezig met de dingen van God.
Hij wilde zijn in het huis van zijn hemelse Vader.

Ook al was Jezus gewoon weer met ze meegekomen,
En bleef hij gehoorzaam aan zijn ouders,
Hier bleek al waar écht zijn hart lag. En zijn roeping.
Hier werd een tipje van de sluier opgelicht van wie hij was.

Als wij nu dit verhaal lezen, wat heeft het ons te zeggen,
behalve een inkijkje in het leven van Jezus toen hij opgroeide?

Als je dit verhaal leest, kun je je heel makkelijk verplaatsen in Maria en Jozef.
In hun angst, toen ze erachter kwamen dat Jezus niet bij ze liep.
Dat ze hem kwijt waren.

Ze waren er van uit gegaan dat Jezus met ze mee gekomen was, maar hij bleek heel ergens anders te zijn.

De vraag die dit verhaal ons stelt, is de vraag: wie volgt wie?

Je kunt, net als Maria en Jozef, voor lief nemen dat Jezus jou wel volgt.
Als je bezig bent met je gewone, dagelijkse leven.
Dat Hij wel met je meeloopt, of achter je aanloopt.
Dat klinkt misschien een beetje oneerbiedig.
Maar zo bedoel ik het niet.

Ik denk dat het best heel erg makkelijk is om te denken dat Jezus wel denkt als wij denken.
Dat God wel denkt als wij denken.
Dat Hij wel doet wat wij verwachten dat Hij doet.
Ik denk dat we dat zelfs best wel vaak doen, onbewust.
Dat we ervan uit gaan dat God wel goed vinden wat wij goed vinden.
Dat God zo is, en zo handelt, als wij van Hem verwachten.

Heb je wel eens de boeken van Narnia gelezen? Of de film gezien?
Zo niet, dan zou ik je dat echt eens aanraden!
Die verhalen gaan over Aslan, een leeuw.
Een personage die een beetje aan Jezus doet denken.
Steeds weer doet hij iets anders dan de mensen van hem verwachten.
Steeds weer houdt hij de mensen een spiegel voor.
Daagt hij ze uit.
Of is de weg die hij met ze gaat, een andere dan ze van tevoren hadden gedacht.
Heel vaak wordt er in die verhalen gezegd:
Hij is een goede leeuw. Maar hij is niet tam.
Hij is wel goed. Maar hij doet niet wat je verwacht.
Hij laat zich niet voor je karretje spannen.

Zo is dat met Jezus precies net zo.
Hij is wel goed. Hij is liefdevol. Hij houdt van je.
Maar Hij is niet altijd wie je verwacht dat Hij is.
Hij gaat niet altijd de weg met ons die wij van tevoren in gedachten hadden.
Hij is niet altijd wie wij willen dat Hij is.
Hij kan je verrassen. Of laten schrikken.

En soms moet je, net als Jozef en Maria,
Bereid zijn om naar Hem op zoek te gaan.
Door te bidden, door te lezen in de Bijbel.
En niet opgeven voor je hem gevonden hebt.

Als we Hem dan vinden,
kan het best eens zijn dat Hij met iets heel erg anders bezig is dan wij hadden gedacht.
Dat Hij hele andere dingen belangrijk vindt dan wij.
Op hele andere dingen gericht is dan wij.
Dat Hij bezig is met het werk van zijn Vader.
En dat wij dat eigenlijk ook zouden moeten zijn.

Dat is best spannend.
Durven wij ervoor open te staan dat Jezus, dat God, soms andere dingen belangrijk vindt dan wij?
Durven wij daar naar op zoek te gaan?
Durven wij ons door Hem te laten verrassen?
Of door Hem op een heel ander spoor te laten zetten dan wij zelf voor ogen hadden?
Of zijn we boos als Hij niet was waar wij dachten dat Hij zou zijn?
Zijn we boos als Hij niet doet wat wij wilden dat Hij zou doen?

Durven we ons door Hem uit te laten dagen?
Jezus is waar zijn Vader is. Waar God is.
En wij?
Gaan wij, net als Jozef en Maria, naar Hem op zoek?
En als we hem vinden. Zijn we blij? Of boos? Of verrast?
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.