Jozua: met God de toekomst tegemoet
Jozua: met God de toekomst tegemoet

Jozua: met God de toekomst tegemoet

Tekst: Jozua 1:1-9

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Een nieuw begin is altijd moeilijk.
Ik weet nog heel goed dat ik iets meer dan vijf jaar geleden naar Spijk kwam,
om hier predikant te worden.
Ik was nog maar net student-af.
Ik wist eigenlijk nog maar heel weinig van de praktijk van dominee zijn.
Ik had heel veel geleerd in theorie,
en ook wel een kijkje in de keuken genomen op mijn stage, maar dat was het.

Het engste vond ik om gebeld te worden dat ik een uitvaart moest leiden.
Ik weet dat nog heel goed.
Daar was ik van tevoren best wel bang voor:
wat als ik het helemaal niet goed zou doen?
Ik praatte daarover met de predikant die mij heeft bevestigd, Jan Hermes.
En hij gaf me gelukkig allemaal praktische tips.
Ik hoefde het wiel niet alleen uit te vinden.
Hij was een beetje mijn Mozes, zou je kunnen zeggen, die mij moed insprak,
als ik Jozua was, en nu zelf mijn verantwoordelijkheid moest nemen.
Zelfs al wist ik nog helemaal niet wat me te wachten stond.
En vond ik het doodeng.

Wij staan nu ook weer voor een nieuw begin.
Een nieuw jaar, waarin je nog niet weet hoe het gaat lopen.
Nou weet je dat nooit, aan het begin van het jaar.
Vorig jaar wisten we dat ook niet.
En dat was maar goed ook, met alles wat dat jaar gebracht heeft!
2020 was een moeilijk jaar, voor iedereen.
Op internet kwam je plaatjes tegen, met daarbij de tekst:
2020: januari, februari, december.
Alsof een groot deel van het jaar verloren is gegaan.

Het verleden kan je bang maken voor de toekomst.
Jozua heeft nu de leiding over het volk Israël, waar eerst Mozes de leiding over had.
Hun kamp staat opgesteld aan de rand van de woestijn.
Voor ze ligt de rivier de Jordaan.
Geen grote rivier. Maar wel een heel duidelijke grens.
Achter die rivier ligt een vruchtbaar land.
Het land dat God aan ze heeft beloofd.
Maar dat hebben ze nog lang niet in handen!

Veertig jaar eerder had het volk op precies dezelfde plek gestaan.
Nieuwsgierig, naar dat land achter die rivier.
Ze hadden verkenners uitgezonden, van wie Jozua er één was.
Die verkenners waren teruggekomen met grootse verhalen:
Wat was het een prachtig land, daar aan de overkant!
Als dat eens hun land mocht worden…

Maar, zeiden ze: er zit een kink in de kabel.
In dat land wonen sterke, grote mensen.
In ommuurde steden.
En wij zijn maar een klein volkje, nauwelijks bewapend.
Wat kunnen wij tegen hen beginnen?

God heeft ons hier naartoe geleid.
Maar wat als we het niet in kunnen nemen?

Ze moesten de rivier over van God. Maar ze waren bang.

Jozua, en Kaleb, een andere verkenner,
probeerden het volk op andere gedachten te brengen.
God gaat met ons mee!
Jullie hebben toch gezien wat Hij allemaal gedaan heeft!
Hij heeft ons bevrijd uit Egypte.
Hij heeft ons door de zee geleid.
Toen wij honger hadden, gaf Hij brood uit de hemel.
Toen we dorst hadden, gaf Hij water uit een rots.
Toen we vlees wilden, gaf Hij vogels uit de hemel!
Als Hij bij ons is, hoeven we toch niet bang te zijn?
Maar de Israëlieten waren wél bang.
Ze wilden die oversteek helemaal niet wagen.
Liever in de woestijn blijven en leven,
dan sterven in het beloofde land.

En God werd boos op ze.
Ik heb jullie helemaal hier naartoe geleid.
Ik heb jullie bewezen dat Ik bij jullie ben.
Wat hebben jullie nog te vrezen?

Hoe lang weigeren jullie nog op Mij te vertrouwen?
Jullie zijn bang om om te komen?
Jullie zijn bang dat jullie kinderen gevangen genomen zullen worden?
En daarom weigeren jullie het land binnen te gaan?

Dan zal ik jullie ook niet dwingen.
Jullie zúllen het land niet binnengaan.
Met uitzondering van Kaleb en Jozua.
Jullie kinderen zal ik er wel brengen.
Zij zullen dat land leren kennen.
Maar jullie zullen veertig dagen door de woestijn ronddolen.
En het land niet meer te zien krijgen.
Zelfs Mozes mag het beloofde land niet binnengaan.

Een groep doet nog een poging om alsnog het land binnen te gaan.
Ze zien het beloofde land voor zich liggen,
En vallen het met een klein leger aan.
Maar ze worden door de mensen die er wonen teruggedreven, de woestijn in.
Ze hebben hun kans gemist.
Zij zullen het beloofde land niet meer zien.

Er zitten hele moeilijke kanten aan deze verhalen uit het Oude Testament.
Waarom moeten het zulke gewelddadige verhalen zijn?
En waarom reageert God zo heftig als de Israëlieten bang zijn om het land binnen te gaan?
Mag je dan helemaal niet bang zijn?
Of twijfels hebben?
Is het altijd goed om te zeggen: God zal ons wel beschermen?
Of: God staat aan onze kant?
Zo vaak in de geschiedenis is dat ten onrechte gezegd.

Toch is het te gemakkelijk om bij die vragen te blijven hangen,
En daarmee dit verhaal glad te strijken.
God is boos op de Israëlieten.
Écht boos.
Hij heeft ze meer wonderen laten zien dan Hij ooit aan andere mensen heeft laten zien.
Hij heeft ze bevrijd uit Egypte.
Hij heeft ze beschermd in de woestijn, tegen honger, dorst, en vijanden.
Hij heeft zijn naam aan hen verbonden. Gezegd: jullie zijn kostbaar in mijn ogen.
Ik wil jullie God zijn, en jullie zullen Mijn volk zijn.

En dat wíllen de Israëlieten ook wel.
Maar alleen als het hen niets kost.
Alleen als het hen geen gevaar oplevert.
Alleen als ze zéker weten dat het goed komt.

Maar die zekerheid hébben ze helemaal niet!
Hoe hun toekomst eruit gaat zien, wéten ze helemaal niet!
Ze moeten het doen met de beloftes die God ze geeft.

En daar zit het probleem:
ze doen alsof de beloftes van God niets waard zijn.
Na alles wat God voor ze heeft gedaan.

Het gaat er helemaal niet om dat ze niet bang mogen zijn.
Of geen twijfels mogen hebben.
Maar, na alles wat ze gezien hebben, geloven ze dan helemaal niet dát God er is?
Dat God met ze meegaat?
Dat Hij ze zal beschermen?

Het leven bestaat niet alleen uit zekerheden.
Soms moet je een stap in geloof zetten. In vertrouwen.
Een stap, het onbekende tegemoet.

Dat is wat God van de Israëlieten vraagt.
En dat is wat ze niet kunnen.
Na alles wat ze God hebben zien doen, durven ze nog steeds niet op God te vertrouwen.

En daarom zegt God: jullie hebben je kans gehad.
Laat een nieuwe generatie het nog maar eens proberen.

Hij zegt niet: ik laat jullie aan je lot over.
Je staat er vanaf nu alleen voor.
Hij blijft hun God. Hij blijft met ze meegaan.

Maar Hij wil een volk dat op Hem vertrouwt.
Dat Hem durft te volgen.
Dat zegt: we weten niet hoe onze toekomst eruit ziet.
Zelfs niet of het wel helemaal goed komt.
Maar we vertrouwen erop dat God met ons meegaat.
Dat is de basis waaruit wij leven.
En dus laten we ons niet tegenhouden om die onbekende toekomst,
die nu nog zo dreigend lijkt, toch tegemoet te gaan.

En nu, veertig jaar later, staat er een nieuwe generatie klaar om de Jordaan over te trekken.
Onder leiding van Jozua.
Een generatie die van hun ouders gehoord heeft:
Wij durfden het niet aan. Maar jullie moeten niet bang zijn. God gaat met jullie mee.
Een nieuwe generatie, die het zelf nog net hebben meegemaakt,
dat ze door God uit Egypte bevrijd zijn, als klein kind,
of die van hun ouders gehoord hebben hoe dat was.

Hun ouders vertelden ze, steeds weer, over die God.
Die ook al die jaren in de woestijn bij ze was.
En ook al voelde het soms zo uitzichtloos:
Hun ouders bleven vasthouden aan die belofte dat hun kinderen eens het beloofde land zouden zien.
Ook al mochten ze het zelf niet meer zien.

Zoveel jaren later drukt Mozes het Jozua nog een keer op het hart.
Nu hij zelf niet mee kan gaan, maar Jozua het wel mag proberen.
De HEER zelf gaat voor je uit.
Hij zal je bijstaan en geen moment van je zijde wijken.
Wees niet bang, en laat je door niets ontmoedigen.

Juist zijn generatie heeft dat geleerd.
Door hun tijd in de woestijn.
En ze geven het door aan de volgende generatie.

Jozua durft het aan.
Hij leidt het volk het beloofde land binnen.
Waar ze erachter komen dat God inderdaad bij ze is.
En dat ze niet hoeven te vertrouwen op wapens.
Of op hun eigen kracht.
Maar dat God hun kracht is.

En dát wens ik ons allemaal toe, als wij een nieuw, onbekend jaar tegemoet gaan.
Dat we niet bang zijn.
Ons door niets laten ontmoedigen.
Het oude jaar ligt achter ons.
Het was een moeilijk jaar.
En we gaan een moeilijk jaar tegemoet.
Wij zijn nog lang niet uit de woestijn.
Maar soms zijn in de Bijbel de moeilijke momenten,
juist de momenten waar je het meest van leert.

Na veertig jaar in de woestijn,
durfde het volk Israël een stap te zetten die ze daarvoor niet durfden te zetten.
Ze hadden opnieuw geleerd om te vertrouwen op God.
Ze wisten dat ze hun kracht niet alleen in zichzelf moesten zoeken.
En dat ze zich geen angst meer hoefden laten aan te jagen door alles wat zo groot, zo onoverwinnelijk leek.
Maar dat ze op God mochten vertrouwen.

Ze wisten dat God ze kracht en moed zou geven voor wat er zou gaan komen.
Dat Hij bij ze zou zijn, en ze niet los zou laten.
Zoals Hij ze zelfs in de woestijn niet los had gelaten.

Ook al wisten ze niet hoe hun toekomst eruit zag:
Met God durfden ze die toekomst aan.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.