Groeipijn

Tekst: Handelingen 6:1-7

Lieve mensen,
Toen ik net hier in Schenkel predikant was leek het mij mooi om hier weer een Alphacursus te beginnen!
In mijn vorige gemeente had ik dat ook gedaan, samen met iemand uit het dorp.

We nodigden een klein groepje mensen uit bij mij thuis,
ik zorgde voor eten – chicken tonight
ik of degene met wie ik dat gaf had de avond inhoudelijk voorbereid,
en zo hadden we een mooie avond samen.

Met dat plaatje in mijn achterhoofd ging ik toen ik hier net begonnen was naar Bertha Cluistra, de vrouw van ds. Cluistra in de Dorpskerk.
Ik wist dat zij in haar vorige woonplaats ook Alpha had gegeven.
En ik vroeg haar: kunnen we zoiets hier ook doen?

We begonnen met samen bidden daarvoor.
En toen gingen we aan de slag.

Al snel bleek dat Bertha een heel ander plaatje van de Alpha had dan ik!
Groots opgezet. Met veel kerken samen.
Niet een klein groepje bij je thuis, maar een grote groep in een grote ruimte.
En voor ik het wist waren we bezig met dat organiseren.
Daar kwam veel bij kijken!
We hadden een ruimte nodig, vrijwilligers, iemand die de financiën doet, mensen die koken, mensen die de aanmeldingen bijhouden, mensen die bij de deur staan om de deelnemers te verwelkomen.
We hadden groepsleiders nodig.
Er moest een locatie worden geregeld voor het Alphaweekend.
Ik weet wel: als ik dat allemaal vanuit het niets had moeten opzetten, was dat mij nooit gelukt!
Maar gelukkig deden we dat met een grote groep samen.
Uit zes verschillende kerken deden mensen mee.
En ik ben heel blij dat anderen een groot deel van dat organiseren op zich hebben genomen.

Een kleine beweging, bijvoorbeeld een groepje bij je thuis, heeft weinig organisatie nodig.
Maar hoe groter een beweging wordt, hoe meer organisatie je nodig hebt.
Hoe meer je ook met elkaar af moet spreken.
Anders gaan er dingen mis!
Dan zie je mensen over het hoofd.
Of dan vergeet je dingen.

Dat zie je ook gebeuren in de kerk in Handelingen.
De kerk was begonnen als een kleine beweging.
Dat verhaal is hier vorige week gelezen, met Pinksteren.

Pinksteren is het feest van de uitstorting van de heilige Geest!
En het is ook meteen het allereerste begin van een nieuwe beweging, een beweging die wij nu de kerk noemen.
Dat was niet het gebouw, er waren de eerste eeuwen geen kerkgebouwen.
De kerk was de beweging, die ontstond, van mensen die Jezus wilden volgen.
Mensen van de weg. Zo noemden ze zichzelf!
Van de weg achter Jezus aan.

De kerk was in het begin klein.
Het had geen structuur, er was geen organisatie.
Het was begonnen vanuit gebed.
De leerlingen van Jezus die zich hadden teruggetrokken in een bovenkamer om te bidden en te wachten op de heilige Geest.
En toen de heilige Geest kwam, gingen ze naar buiten, en vertelden ze iedereen die het maar wilde horen over de kruisiging en de opstanding van Jezus.
Die eerste Pinksterdag sloten duizenden mensen zich aan bij de volgelingen van Jezus.
De kerk groeide dus meteen al heel snel.
En helemaal in het begin leek dat zonder problemen te gaan.

Eén van de dingen die heel uniek was in die beweging,
wat verder weinig voorkwam in de samenleving in die tijd,
was dat er meteen al heel erg naar elkaar werd omgekeken.
De kerk, als beweging, was als een familie die voor elkaar zorgde.

Je leest daar al over in Handelingen 2, het hoofdstuk waar het Pinksterverhaal in staat:
Iedereen bracht naar de leerlingen van Jezus wat hij of zij had, of kon missen,
En daar leefden ze samen van.
Elke dag kwamen ze in de tempel bij elkaar om te bidden,
en elke dag aten ze samen bij elkaar thuis.
Een mooi beeld is dat hè, van de kerk.
Als een familie.

Als je dan verder leest, in Handelingen 4, dan zijn we weer een tijd verder.
En dan staat er dat niemand van de gelovigen gebrek leed.
Het geld wat er was werd naar behoefte onder de gelovigen verdeeld.

Ondertussen kreeg die vroege kerk wel met steeds meer weerstand te maken van buitenaf.
Gelovigen werden opgepakt, ze werden in de cel gezet, ze kregen zweepslagen, ze werden bedreigd.
Maar in plaats van dat dat ze tegenhoudt, bidden ze naar God om vrijuit over Jezus te kunnen blijven vertellen.
En ze ervaren dat de heilige Geest ze daarbij helpt.

In Handelingen 6 zijn we dan wéér een tijd verder.
En hier begin je te merken dat, zoals elke nieuwe, groeiende beweging,
Ook de kerk iets van organisatie nodig begint te krijgen.

Het probleem dat in Handelingen 6 de kop opsteekt,
Is een probleem dat veel zegt over de kerk op dat moment.
Hoe enorm de kerk groeide, maar ook wat een brede beweging het was.
Dat er toen al heel verschillende groepen waren in de kerk.
Hier gaat het over twee groepen: mensen die Grieks spraken en mensen die Hebreeuws spraken.
Dat verschil tussen die groepen, is meer dan alleen een verschil in taal.
Het is ook een verschil in achtergrond.
De mensen die Hebreeuws spraken, dat waren Joodse christenen die al hun hele leven in Israël woonden.
En de mensen die Grieks spraken, dat waren ook voornamelijk Joodse christenen, die van buiten Israël kwamen.

Dat kon overal vandaan zijn, want Grieks was toen zoals Engels nu.
Iedereen kon Grieks. Ook als je niet Grieks was.
Dus de Griekssprekenden, dat zijn christenen uit allerlei verschillende landen.
Denk aan het Pinksterfeest, dat iedereen de leerlingen van Jezus in hun eigen taal hoorde spreken.
Al die mensen overal vandaan.
Al die groepen die met Pinksteren worden genoemd maakten allemaal deel uit van de kerk, al in het eerste begin!

Maar daar lag ook een gevoeligheid.
Het zou heel goed kunnen dat Griekssprekende Joden het gevoel hadden dat Hebreeuwssprekende Joden wat op ze neerkeken.
Dat die ze minder waard vonden.
En dat gevoel, die kloof die daar was, die wordt nu ook geïmporteerd naar de kerk.
Ook in de kerk hebben de Griekssprekende christenen het gevoel dat de Hebreeuwssprekende christenen worden voorgetrokken.
Dat die geen oog voor ze hebben.

Dus ze gaan naar de apostelen.
De apostelen, dat zijn de leerlingen van Jezus.
Ze hebben een nieuwe naam gekregen: apostelen.
Ze zijn er door Jezus op uit gestuurd om zijn getuigen te zijn,
Dat is wat apostel betekent: gestuurd, gezonden.
Zij waren in het begin de leiders van de kerk.
En daarom gaan die Griekssprekende christenen naar hen toe.
Ze zeggen: jullie beweren toch dat jullie voor iedereen zorgen?
Jullie vergeten een groep.
Jullie zien onze weduwen over het hoofd.
Als weduwe was je kwetsbaar, want er was geen sociaal vangnet.
Je had geen middelen om voor jezelf te zorgen.
Je was afhankelijk van je familie.
In dit geval: van de kerk.

De apostelen voelen aan dat ze tekortschieten naar hen toe.
En ook dat het een probleem is dat zij niet op kunnen lossen.
Want zij wíllen natuurlijk helemaal niet dat mensen het idee krijgen dat zij een bepaalde groep voortrekken.
Dat is nooit hun bedoeling geweest.
Alleen ze merken ook dat de kerk, als beweging, ze boven het hoofd groeit.
Ze móeten het anders organiseren.
Het vraagt om méér organisatie dan in het begin.

En op dat punt staan ze voor een belangrijke keuze.
Een keuze die je móet maken, óf hij wordt vóór je gemaakt.
Ze kúnnen ervoor kiezen om zélf in dat gat te springen.
Om zélf helemaal die organisatie op zich te nemen.
Om een overzicht te maken van welke weduwen zorg nodig hebben,
En om roosters te maken van wie voor wie kookt,
En om zelf mee te gaan helpen, en tafels te gaan bedienen.

Je zóu kunnen zeggen: dat is toch ook wat Jezus ze heeft voorgedaan?
Om te díenen.
Diakonia. Dat is wat dienen is in het Grieks.
Daar komt ook ons woord voor ‘diaken’ vandaan.

Alleen in dit geval klínkt het heel nobel om op die manier te gaan dienen,
Maar als ze dat gaan doen verliezen ze uit het oog waar Jezus ze voor heeft uitgezonden.
Ze zeggen: we wíllen wel dienen, maar wij moeten op een andere manier dienen.
Wij moeten het Woord van God dienen.
Er staat: wij zullen ons wijden aan de verkondiging van Gods Woord.
Maar daar gebruiken ze datzelfde woord: diakonia.
Dienst aan het Woord van God.
Dat is hoe zíj moeten dienen.

Want voor je het weet wordt de kerk hún project. Hún organisatie.
Dan ga je denken dat die beweging die is ontstaan, de kerk,
Dat dat helemaal te maken heeft met wat zíj doen!
Met hun toespraken, met de organisatie die zij optuigen.
Maar ze weten dat dat niet is waarom de kerk zo hard groeit.
Niet omdat zij er zo hard voor werken!
In Handelingen 2 lees je: de Heer breidde hun aantal dagelijks uit.
En in Handelingen 4: de apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus – ondanks dat ze werden bedreigd – en God begunstigde allen rijkelijk.

Oftewel: de kerk groeide niet doordat zíj zo hard werkte,
maar God liet de kerk zo groeien.
Het enige wat zij hoefden te doen was blijven bidden,
en over Jezus blijven vertellen,
ondanks al die weerstand die ze ervaarden.

En juist omdát het ze zo moeilijk werd gemaakt had het ook wel heel verleidelijk kunnen zijn om nu te denken:
al die weerstand, als wij naar buiten toe over Jezus blijven vertellen!
Laten wij ons maar lekker op onze eigen groep richten, op de kerk die er al is.
Op de problemen die daar zijn. Op de organisatie.
Laten we maar zorgen dat alles daar praktisch op rolletjes loopt, en dat iedereen tevreden is.
Dat is wel zo veilig.
Binnen onze comfortzone.

Maar de apostelen wisten dat Jezus ze had uitgezonden om zijn getuigen te zijn.
En daarom maken ze best een dappere keuze:
Om de organisatie van de kerk uit handen te geven!
Om niet de touwtjes zélf vast te willen houden, hoe verleidelijk dat ook is,
Maar anderen om hulp te vragen.

En dat doen ze op een hele mooie manier.
Heel vergelijkbaar met hoe wij als kerk nu jullie vragen om elk jaar ambtsdragers aan te dragen voor de kerkenraad.
Ze vroegen de mensen: kijk eens om je heen!
En wijs zeven mensen aan die
-wijs zijn
-die goed bekendstaan
-en die vervuld zijn met de heilige Geest.

Wat daar zo mooi aan is, is dat ze niet vragen:
Willen er zeven vrijwilligers opstaan die dit gaan doen?
Het gaat om iets heel praktisch.
Het gaat om het bedienen van tafels.
En het gaat om ervoor zorgen dat niemand over het hoofd wordt gezien.

En ook al ís het een hele praktische taak:
Toch vinden ze het belangrijk dat daar de juiste mensen voor worden aangesteld.
Niet alleen mensen die goed zijn in dingen regelen,
Maar ook mensen die goed bekend staan, en nog belangrijker:
in wie anderen zien:
Jullie hebben van de Geest de gaven gekregen om dat te doen.

Johannes Calvijn had daar een mooie term voor: ‘externe roeping’.
Je hebt ‘interne roeping’, dat is dat je zélf het gevoel kan hebben dat God je ergens voor roept.
Maar roeping kan júist ook zijn dat anderen in jou zien dat God jou de gaven heeft gegeven voor een taak.
Dat anderen in jou zien: in die persoon is de heilige Geest aan het werk.

Dat kan heel bemoedigend zijn.
Want dat is vaak niet iets wat je over jezelf zegt, maar wel iets wat anderen ín jou kunnen zien:
Dat de heilige Geest jou bepaalde gaven heeft gegeven.
Dingen waarmee jij je dienstbaar kan opstellen voor de kerk en voor anderen.
Het is mooi, als anderen dat in jou herkennen!
En als ze jou daarvoor naar voren schuiven.
Niet om het op je af te schuiven, maar omdat ze zien:
God heeft jou de gaven gegeven om dat te doen.

En dan worden in Handelingen zeven mensen uitgekozen.
En wat daar mooi aan is:
Ik heb me dat eerder nooit gerealiseerd, je zou er zo overheen lezen,
Maar er worden zeven namen genoemd.
Als je die namen leest kan je denken: oké, allemaal namen.
Ons klinken ze allemaal exotisch in de oren.
Maar het zijn zeven Griekse namen.
Oftewel: het zijn allemaal namen van mensen uit die groep die het gevoel hadden dat ze achtergesteld werden.
Daarmee kregen zij ineens een belangrijke plek in die vroege kerk.
Allemaal Griekse namen, van Griekssprekende Joden,
Er was zelfs iemand die geen Joodse achtergrond had, een proseliet.
Dat was iemand die in God geloofde, maar niet Joods was.
In het Jodendom viel je er dan buiten.
Maar diegene was christen geworden,
en wordt nu dus één van deze zeven mensen
die naar voren geschoven worden om een verantwoordelijke plek in te nemen in de kerk.

Dus: de mensen die naar voren geschoven worden,
Dat zijn júist mensen die er buiten de kerk niet of minder bij zouden horen.
Maar in de kerk worden ze in het centrum geplaatst.
Wordt juist aan hén een belangrijke plek toevertrouwd.

Straks gaan we Anita bevestigen, als diaken,
En dan doen we ook wat in deze Bijbeltekst wordt gedaan:
Dan leggen we haar de handen op, om haar te zegenen.

In deze Bijbeltekst doen ze dat niet alleen voor de apostelen,
Voor de leiders van de kerk!
Maar ook voor mensen die gewoon de tafels gaan bedienen,
en een stukje organisatie op zich nemen.
Zoals nu diaken zijn ook ergens een hele praktische taak is.
Een dienende taak.
Je ziet om naar de mensen om je heen.
En ook daarin, in hele praktische dingen,
mag je je gezegend weten, en gedragen weten.
En weten dat God door zijn Geest door je heen werkt.
Roeping, dat is in deze Bijbeltekst niet alleen iets voor de apostelen.
Hun roeping is om te bidden en over Jezus te vertellen,

Maar roeping is hier ook iets voor mensen die zich heel praktisch inzetten in de kerk.
Die anderen dienen, met de gaven die aan hen zijn gegeven.

En juist ook daarvoor, voor het bedienen van tafels,
worden mensen gezocht in wie anderen herkennen:
In jou is God door zijn Geest aan het werk!
Dat is toch heel mooi, als anderen dat in jou zien?
Dat is iets om aan vast te houden.

Dan nog één ding:
Wat ook weer bijzonder is, is als je iets verder leest dan dit verhaal.
Dan gaat het over Stefanus.
Dat is één van die zeven mensen die deze taak krijgen.
Zijn verhaal is indrukwekkend.
Stefanus neemt zijn taak heel serieus!
Voor hem is zijn taak veel meer dan alleen tafels bedienen.
Ook al is hij daarvoor aangesteld.
Voor hem is zijn taak óók bidden, en Jezus laten zien aan mensen om hem heen.

Dus ook als je een hele praktische taak hebt in de kerk,
Dan mag je dat biddend doen,
en dan mag je daardoor Jezus laten zien, aan mensen om je heen.

Want dát laat deze Bijbeltekst vooral zien:
dat in het eerste begin van de kerk,
Die nieuwe beweging,
Gebed héél belangrijk was.
Op het moment dat dat ondergesneeuwd dreigt te raken door praktische taken,
Die zeker ook moeten gebeuren,
Dan maken de apostelen de keuze om te zeggen:
bidden is de kérntaak van de kerk.
Die moeten we niet uit het oog verliezen.
We moeten niet in de verleiding trappen om zo opgeslokt te worden door praktische taken, dat we niet meer aan bidden toekomen.

Want dat was de opdracht die Jezus aan de kerk had meegegeven:
Om zijn getuigen te zijn.
Om te bidden, en woorden van het Leven te spreken.

Dus ook als je een praktische taak vervult in de kerk,
Of het nou koffie schenken is, of een plek in de kerkenraad, of mensen verwelkomen bij de deur, of je zit achter de beamer, of je maakt muziek,
Je mag dat biddend doen,
En in wat je doet mag je Jezus laten zien aan de mensen om je heen.
Dát is waar je mee bezig bent!

Want gebed is waar de kerk om draait,
En gebed is waar de kerk óp draait.
Amen

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *