Belijdenis Freek en doop Debbie 2026 – I will survive

Tekst: Psalm 34:1-9

Kort geleden hadden we hier in de kerk, in de Hansumzaal, op de verjaardag van Jan Willem een karaoke!
Eén van de liederen die uit volle borst werden meegezongen was het lied:
“I will survive”!
Je hebt hem vast wel eens gehoord.
Dat is een lied om met kracht te zingen,
omdat het gaat over iemand die voor zichzelf opkomt.
Die opstaat tegen degene die haar in de steek heeft gelaten, en zegt:
Jij hoeft hier niet meer terug te komen!
Ik overleef het wel zonder jou!

Zó zou je de Psalm die we vandaag hebben gelezen ook kunnen zien.
Als een lied, gezongen door iemand in een moeilijke situatie, die opstaat, en zingt:
Ze krijgen mij er niet onder!

Alleen er is ook één belangrijk verschil.
Waar ‘I will survive’ gaat over dat je je kracht uit jezelf moet halen,
dat je voor jezelf op moet staan,
Gaat deze Psalm over dat je je kracht,
en je vreugde, tegen alles in,
uit God mag halen!

Boven de Psalm staat dat het een Psalm van David is.
En ook op wat voor moment in zijn leven David deze Psalm heeft geschreven.

“Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg.”

Als je dat leest, denk je: waar zou dat over gaan?

Het gaat over 1 Samuël 20 en 21.
Daar lezen we over een dieptepunt in Davids leven.
Tot dan toe leek het voor David alleen maar beter en beter te worden.
Hij heeft Goliath verslagen, hij trouwt met de dochter van koning Saul,
Het gaat hem goed!

Maar van de ene op de andere dag raakt David alles kwijt wat hij heeft.
Hij hoort van zijn goede vriend Jonathan, de zoon van Koning Saul,
dat Saul David wil doden,
Omdat hij denkt dat David hem van de troon wil stoten, en zijn plek wil innemen.
Daarom slaat David meteen op de vlucht.
Hij vlucht weg uit Israël, en komt terecht bij de Filistijnen.
De Filistijnen, daar had Israël al heel lang oorlog mee.
Ook David had meegevochten.
En dat niet alleen: hij was als legeraanvoerder verantwoordelijk voor hele grote verliezen van de Filistijnen.
Je kan je voorstellen dat David zich niet op zijn gemak voelde bij de Filistijnen.
Hij was bang. Bang dat ze hem zouden herkennen, en dat ze hem iets aan zouden doen.
En dat gebeurt ook. David wordt herkend, en ze brengen hem voor de koning.
En hij bedenkt dat het enige wat hij kan proberen, is doen alsof hij gek is.
Er staat: hij ging als een waanzinnige tekeer, kraste tekens op de poort en kwijlde in zijn baard.
De koning heeft niets door.
Die denkt: Zoals David nu is kan hij toch niemand kwaad doen?
En hij laat hem gaan.
We hebben hier al genoeg gekken rondlopen, zegt hij.
Ze zullen David heel hard hebben uitgelachen.

Je kan je afvragen:
Waarom wordt van deze Psalm gezegd dat hij op dat moment in Davids leven is geschreven?
Omdat het laat zien waar deze Psalm over gaat.
Over dat je heel bang kan zijn.
Dat je geen uitweg ziet.
En dat je juist op dat moment, als alles verloren lijkt,
Je bij God je hulp zoekt, en ook vindt.

David wordt aan alle kanten bedreigd.
Hij kan letterlijk geen kant op.
Hij heeft nergens waar hij naartoe kan gaan.
De enige optie die hij heeft, is doen alsof hij gek is.
Moet je je voorstellen hoe David zich gevoeld moet hebben op dat moment.

Deze Psalm zegt iets over hoe Davids geloof werkt.
Je kan heel goed zeggen: David heeft het aan zichzelf te danken dat hij zich uit deze situatie heeft weten te redden. Aan zijn eigen slimheid!
Maar David gelooft dat God hem geholpen heeft.
Ook al is in dit verhaal nergens een bliksemflits te zien, of een stem uit de hemel.
Maar toch gelooft David dat hij het niet aan zichzelf te danken heeft dat hij hier uit is gekomen, maar aan God.
Dat God hem heeft geholpen.

Zoals David ook geloofde dat hij de reus Goliath niet met wapens of een sterk harnas zou verslaan, maar alleen met de hulp van God.
Zo gelooft hij nu ook dat hij niet door zijn slimheid is ontsnapt,
Maar dat God hem heeft gespaard.

Zo werkt Davids geloof.
Waar anderen zouden zeggen: God heeft je laten vallen, iedereen is tegen je, je staat er alleen voor,
Gelooft David juist dat God bij hem is.
En dat God hem helpt.

Want God is niet alleen bij hem als het goed gaat, als het hem voor de wind gaat.
Maar God is ook bij hem op één van de diepste punten in zijn leven.
Dat is wat David gelooft.

Psalm 34 is een loflied.
David maakt God groot.
Hij zit in een situatie waarin hij zichzelf helemaal heeft moeten vernederen.
Iedereen kijkt op hem neer.

Misschien is dat iets dat je bij jezelf kan herkennen.
Het gevoel dat je niet meetelt.
Dat anderen op je neerkijken.
Dat je niet mee kan komen.

Het bijzondere is dat David in die situatie juist een loflied zingt voor God.
Als hij zichzelf klein voelt, maakt hij God groot.
Hij zegt: op dit moment stel ik niet zoveel voor,
Maar het gaat ook niet om mij.
Het gaat niet om dat ik mezelf kan redden.
I will survive.
Dat ik zelf groot en sterk ben.

Het gaat om dat ik geloof in een grote God!
Een God die mij helpt, zelfs als ik het moeilijk heb.
Een God die mij van alle angst bevrijd.
Ook al moet ik me vernederen:
Schaamte zal mijn gezicht niet kleuren!

Moet je je voorstellen, dat David dat kan zeggen.
Zou jij dat zelf ook kunnen zeggen, als je op een heel diep punt zit?
Als je het gevoel hebt dat anderen op je neerkijken?
Schaamte zal mijn gezicht niet kleuren,
Want ik geloof dat ik er voor God toe doe!
Ik geloof dat God mij hoort, en dat God mij redt.

Het doet me denken aan een verhaal uit het Nieuwe Testament,
Van Paulus en Silas die in de gevangenis zitten,
En die een loflied zingen voor God.
Zouden zij soms deze Psalm hebben gezongen?
Dat zou heel goed kunnen!

Het lijkt onmenselijk sterk, dat Paulus en Silas dat kunnen.
Net als dat het onmenselijk sterk lijkt dat David op dit moment in zijn leven zegt:
Ik schaam me niet.
Maar dat is juist het punt:
Ze halen hun kracht niet uit zichzelf.
Ze halen hun kracht uit hun geloof in een God voor wie het niets uitmaakt,
of je nou de premier bent of een zwerver.
Of mensen je toejuichen of op je neerkijken.
Ze halen hun kracht uit de goedheid van God.
Uit dat ze bij Hem een schuilplaats vinden.

Debbie en Freek hebben vandaag belijdenis gedaan van hun geloof,
En Debbie heeft zich laten dopen.
We hadden het daar over met elkaar: dat dat best iets spannends heeft.
Aan de ene kant doe je het omdat je gelooft, omdat je ervoor wil gaan!
Jullie doen het met overtuiging!
Maar het heeft ook iets kwetsbaars om voor je geloof te gaan staan.

Ook als gelovige, als christen in deze tijd,
kan je ervaren, of voelen, dat anderen op je neerkijken,
kan je het spannend vinden om voor je geloof uit te komen.

Ik zal eerlijk zeggen, ik denk wel eens:
wat als ik word uitgenodigd om op een talkshow, bijvoorbeeld bij Eva,
voor heel Nederland te vertellen over mijn geloof?
Zou ik dat durven?
Ik zou misschien het gevoel hebben dat ze zo door me heen zouden prikken,
Of me hele moeilijke vragen zouden stellen die ik niet kan beantwoorden.
Ik zou geneigd zijn om te zeggen: nodig maar een ander uit om dat te doen!

Zou ik dat durven, om dat te doen?
En gaat het dan om de argumenten die ik geef, dat ik heel duidelijk kan uitleggen waarom ik geloof?
Of gaat het dan om dat ik ook kwetsbaar durf te zijn, en durf te laten zien waarom ík geloof?
Waar mijn geloof míj raakt?
Wat ik mooi vind aan Jezus?

Belijdenis doen van je geloof is niet niks.
Want je gaat daarmee ook voor je geloof stáán.
Ten overstaan van iedereen.
Hier in de kerk, waar mensen ook geloven.
Maar ook op andere plekken.
Ook thuis.
Bij je vrienden.
Op je werk.

Ik las pas in de krant dat mensen die in hun cv hebben staan dat ze vrijwilligerswerk doen in de kerk, soms minder snel worden aangenomen.
Omdat een werkgever denkt: wat haal ik dan in huis?

Voor je geloof gaan staan, is kwetsbaar dúrven zijn.
Is accepteren dat het je niet altijd maar populairder maakt.
En dat je soms zelfs met weerstand te maken krijgt.

Maar het is ook: niet geloven in je eigen kracht,
in dat je zelf sterk hoeft te zijn en dat je zelf een hele rechte rug moet hebben.
Niet: I will survive.
Maar juist geloven in een grote God.
God, voor wie een andere standaard geldt dan voor mensen.
God, die niet kijkt naar je kracht, maar naar je hart.

Eén van de mooiste zinnen uit Psalm 34, vind ik het begin van vers 3:
“Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER”.

Dat is een prachtig gebed.
“Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER”.
Het gaat niet om mijn eigen eer,
Het gaat niet om dat mensen naar mij opkijken,
en zeggen: die heeft het goed voor elkaar!
Die weet het allemaal!

Maar dat mensen naar mij kijken, en iets zien van God.
Iets merken van dat Jezus in mijn leven aanwezig is.

“Wie naar Hem opzien, stralen van vreugde.”
Omdat je weet, dat er een God is die je kent.
Die van je houdt.
Die op het moeilijkste punt in je leven bij je is.
En dat niets je kan roven uit Zijn hand.
Niets je kan scheiden van Zijn liefde.
Hij blijft bij jou.

Ook al voel jij je klein,
Je mag geloven in een grote God!
Laat mijn leven een loflied zijn voor Hem! Amen

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *