Zondag der voleinding: vasthouden en loslaten

Tekst: Prediker 3:1-8; Johannes 20:11-18

Rodleigh de Trapezist (verhaal van Henri Nouwen)
Op een dag zat ik met Rodleigh in zijn caravan te praten.
Rodleigh zei: ‘Als ik spring, moet ik absoluut vertrouwen op degene die mij moet vangen. Jij denkt misschien, net als de meeste toeschouwers, dat ik de grote ster ben van de trapeze.
Maar de echte ster is Joe, die me vangt.
Hij moet me op het exacte moment uit de lucht plukken, als ik mijn verre sprong naar hem maak.’
‘Hoe lukt dat?’ vroeg ik.
‘Wel,’ zei Rodleigh, ‘het geheim is dat ik het vangen geheel aan Joe overlaat en zelf niets doe.
Als ik na mijn salto’s op Joe afkom, moet ik gewoon mijn armen en handen uitstrekken en wachten tot hij me vangt en me veilig thuisbrengt.’
‘Dus jij doet niets!’ zei ik verbaasd.
‘Niets,’ herhaalde Rodleigh.
‘Het ergste wat een springer kan doen, is proberen de vanger te vangen.
Het is niet de bedoeling dat ik Joe vang.
Joe moet mij vangen.
Als ik Joe’s polsen zou vastgrijpen, zou ik ze kunnen breken, of hij zou de mijne kunnen breken.
Dat zou het einde zijn voor ons beiden!
Een springer moet springen en een vanger vangen, en de springer moet met uitgestrekte armen en open handen erop vertrouwen dat zijn vanger er zal zijn.”
Henri Nouwen schrijft: “Toen Rodleigh dit met zoveel overtuiging zei, flitsten de woorden van Jezus door mijn hoofd: ’Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest”.

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Voor alles wat er gebeurt is er een uur,
Een tijd voor alles wat er is onder de hemel.

Woorden die zijn opgeschreven in het boek Prediker.

Prediker is een bijzonder Bijbelboek.
Wist je dat het zelfs bijna niet in de Bijbel had gestaan?
Het Oude Testament, het eerste deel uit de Bijbel,
Dat gaat over hoe God zijn weg gaat met het Joodse volk,
Is pas in de eerste eeuw voor Christus in zijn geheel vastgesteld.

Over het boek Prediker zeiden de mensen in die tijd:
Het is te aards.
Er spreekt te weinig hoop uit.
Te weinig vertrouwen.
Tenminste, op het eerste oog.
De schrijver schrijft vooral uit wat hij zelf ziet, en zelf heeft meegemaakt.

Als je de woorden van Prediker leest,
kun je gegrepen worden door zijn ogenschijnlijk sombere toon.

Hij omschrijft zichzelf als iemand die veel dingen heeft gezien,
Die aan het leven heeft geproefd, die alles heeft uitgeprobeerd.
Maar hij zegt: Alles is leegte, en najagen van wind.
Alles gaat maar door.
Alles is vermoeiend, er is niets nieuws onder de zon.

Het zijn woorden die je kunnen raken, omdat je ze herkent.
Dat gevoel: wat doet dit leven ertoe?
Waarom zijn we hier?

En dan komt dit gedeelte:
Voor alles wat er gebeurt is er een tijd, zegt Prediker.
Een tijd om te huilen,
En een tijd om te lachen.
Een tijd om te rouwen,
En een tijd om te dansen.
Een tijd om te baren,
En een tijd om te sterven.

Wat Prediker hier doet,
is niet zomaar opsommen wat je in het leven kan overkomen.

Hij houdt je een spiegel voor.
Het leven is niet alleen maar goed, en mooi.
Er komen ook moeilijke momenten.
Momenten waarop je je geen raad meer weet.
Waarop je te maken krijgt met pijn, met ziekte.
En uiteindelijk ook met de dood.

In de wereld om ons heen wordt in feite al het mogelijke gedaan om verdriet en blijdschap gescheiden te houden.
Droefheid, en pijn, moeten tot elke prijs vermeden worden.
Want ze zijn het tegenovergestelde van de vrolijkheid,
En de blijdschap waar we zo naar verlangen.

Dood, ziekte, menselijke gebrokenheid…
Daar willen we niet teveel van hoeven merken.
Hoe herkenbaar is het niet voor mensen die verdriet hebben omdat iemand ze is ontvallen,
Dat anderen tegen ze zeggen:
Kom op, je moet weer verder.
Blijf niet te lang in je verdriet hangen.
Kop d’r veur.
Soms zeggen mensen dat tegen zichzelf.
Ik mag niet te lang stil blijven staan.
Ik moet door.

Nee, zegt Prediker.
Er is een tijd om te lachen,
Maar ook een tijd om te huilen.
Een tijd om te dansen,
Maar ook een tijd om te rouwen.
Een tijd om je te verheugen,
over een bruiloft, of de geboorte van een kind,
Maar ook een tijd waarin je te maken krijgt met de dood.

En dat mag er zijn.
Dat hoort bij het leven.
Je mág verdrietig zijn.
Je mág rouwen.

Wat, als je aan de verschillende tijden die Prediker opnoemt,
Er nog een toe zou voegen,
Vanuit het verhaal dat we hebben gelezen over Rodleigh, de trapezist?
Wat als je eraan toe zou voegen:
Er is een tijd om vast te houden,
En een tijd om los te laten.

Vasthouden en loslaten.
Ook dat heeft te maken met leven en dood.
Het liefst wil je vasthouden aan het leven.
Aan je eigen leven,
als iets wat dierbaar is, kostbaar is.
Aan de mensen om je heen, die je lief zijn,
Die je niet wilt missen.

Het is niet makkelijk om je leven over te geven.
Om het uit handen te geven, als de dood op je afkomt.
Om de woorden te spreken die Jezus sprak aan het kruis:
’Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest’.

Om die woorden te spreken was een enorm vertrouwen nodig.
Vertrouwen dat Hij opgevangen zou worden.

Zoals de trapezist, Rodleigh, opgevangen wordt door Joe.
Hij kan daar zelf niet voor zorgen.
Hij kan daar niets voor doen.
Hij moet de trapeze loslaten,
En wachten tot de ander hem vangt,
En veilig thuisbrengt.

Een springer moet springen en een vanger vangen,
en de springer moet met uitgestrekte armen en open handen
erop vertrouwen dat zijn vanger er zal zijn.

Zo vertrouwde Jezus erop dat God, zijn Vader,
Hem op zou vangen.
Durfde Hij zijn leven in zijn handen te leggen.

Als er iemand overlijdt van wie je veel houdt, iemand die je dierbaar is,
Dan wil je hem of haar vasthouden.
Vasthouden wat diegene voor je betekent.

En tegelijk word je bij de dood ‘gedwongen’ om iemand te laten gaan.
Jij moet diegene loslaten,
Uit handen geven,
In het vertrouwen dat hij of zij opgevangen wordt door God.

En daarna… daarna moet je je eigen weg weer vinden.
Het is tijd om te rouwen. Te huilen.
Om je verdriet met anderen te delen.

Loslaten is niet dat je verdriet er niet meer mag zijn.
Loslaten doet juist pijn.
Je kúnt diegene niet meer vasthouden.
Je móet loslaten.
Dat is wat zo moeilijk is. Wat zoveel pijn doet.

Het is de pijn die Maria had bij het graf van Jezus.
Jezus, die zoveel voor haar betekende,
Die haar leven op een ander spoor had gebracht,
Was er niet meer.

En om het erger te maken,
kon ze nu ook niet om hem rouwen.
Hem niet meer verzorgen.
Want zijn lichaam was verdwenen.

Maria blijft rond het graf van Jezus hangen.
Omdat ze zich niet neer kan leggen bij de dood.
Omdat ze zoekt naar betekenis en zin.
Omdat ze wil weten waarom.

De last is zo groot,
dat ze het leven niet meer aandurft.
De pijn is zo intens,
dat ze niet meer durft vooruit te kijken.

Pasen, het feest van de opstanding van Jezus,
is het grootste christelijke feest,
maar ook de grootste aanslag op ons geloof.
Het stelt ons de vraag: geloof ik in de opstanding?
Geloof ik dat God in Jezus Christus sterker is dan de dood?
Dat er hoop is?
Dat ik opgevangen word?
Dat degene van wie ik houd opgevangen is?

Daar staat Maria, met haar gezicht naar het verleden.
Ze leeft niet meer naar de toekomst toe.

Maar dan hoort ze iemand tegen haar praten.
Jezus spreekt haar aan.
Hij vraagt haar: waarom huil je?
Niet omdat haar verdriet er niet mag zijn.
Hij vraagt het haar om haar te troosten. Omdat Hij haar ziet staan.
Maria huilt om wat ze niet meer heeft,
Om wat verloren is gegaan.
Zoals je, als je rouwt, huilt om degene die je niet vast hebt kunnen houden.
Om het gemis van diegene van wie je zoveel hield.
Om de pijn, die er nog steeds is.
Om alles wat anders had kunnen zijn als hij of zij er nog was.

Pas als Jezus haar naam noemt, herkent Maria hem.
De dichter Michel van der Plas schrijft daarover:
En ik keerde me om
en veegde met mijn mouw mijn tranen weg,
toen ik de tuinman zag.
Hij stond er zo gerust en groot.
En ‘t was of al de bloemen
nu opeens bloemen werden en de bomen
hun groen herkregen, toen hij naar mij keek,
en of ik niet alleen meer was,
en of het graf achter mijn rug niet meer bestond,
niet meer als leegte, als holle angst.

Jezus roept Maria bij haar naam.
Om zich om te draaien.
Om naar de toekomst toe te leven.
Naar Gods toekomst toe.
Niet om te vergeten.
Maar om alles wat haar kapot maakt de macht te ontnemen.
Om haar verdriet te laten troosten.

Want Pasen is een belofte
Een belofte dat er een vanger is.
Dat er een God is, die sterker is dan de dood.

Een belofte is geen zeker weten.
En daarom blijft loslaten moeilijk.

Loslaten vraagt om vertrouwen.
Vertrouwen op de vanger.
Vertrouwen dat het God is, die je op zal vangen.
Vertrouwen dat het Pasen is geweest.

En vertrouwen dat er, na het verdriet,
Ook weer ruimte zal komen om te lachen.
Dat er, na het loslaten,
Ook weer een tijd van vasthouden zal komen.

Er is een tijd om te rouwen,
En er is een tijd om te dansen.
Een tijd om te lachen,
En een tijd om te huilen.
Een tijd om vast te houden,
En een tijd om los te laten.

Want God is bij je.
En Hij laat je niet vallen.
Hij noemt je bij je naam.
En zegt: vertrouw op mij. Amen.

Een deel van deze overdenking heb ik op een vrije manier geciteerd uit het boekje “Dag zeggen, dolen in Rouw”, van Pieter Both. Hij beschrijft in dit boekje op een kwetsbare manier wat het verlies van zijn vrouw voor hem betekende, en hoe hij door dit verlies worstelde met zijn geloof. De hele overdenking heet “Loslaten”, en is te vinden op pagina 141-143 van zijn boek.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *