Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid… (laatste zondag van het kerkelijk jaar)
Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid… (laatste zondag van het kerkelijk jaar)

Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid… (laatste zondag van het kerkelijk jaar)

Tekst: 1 Korintiërs 15:35-38 en 42-49

Lieve mensen,

Ik heb iets meegenomen.
Ik vraag me af of jullie het kunnen zien vanuit je stoel,
en zeker of je het thuis kan zien.
Maar ik heb een handvol met zaadjes. Héél klein.
Als je ze niet eerder gezien hebt, dan zouden deze zaadjes van alles kunnen zijn.
Mooie bloemen. Of groente. Of zelfs een boom.
Is er iemand van jullie die ze herkent, van een afstandje?
Misschien mensen die een groentetuin hebben?

Deze zaadjes – die ik toevallig had liggen thuis – dat zijn tomatenzaadjes.
Als ik deze zaadjes in de grond stop, dan komt er straks
– niet vandaag, maar over een tijdje –
een tomatenplantje uit.
Nou is het nu niet helemaal de goede tijd van het jaar,
Dus ik kan dat beter doen in het voorjaar.
Maar als je dat in het voorjaar doet, dan worden die zaadjes een tomatenplant.

Alleen aan deze zaadjes kan je dat niet zien!
De zaadjes lijken natuurlijk in niks op een tomaat.
Ja, ze zitten ín een tomaat.
Maar dat dát hieruit kan groeien?
Dat is gewoon een wonder!
Zo’n klein zaadje, dat uitgroeit tot een hele plant,
Waar vruchten aan groeien. En een ander zaadje wordt weer een prachtige bloem.

Bijzonder dat Paulus het met zo’n zaadje vergelijkt, als iemand komt te overlijden.
Als je een zaadje in de grond stopt, dan is dat niet het einde.
Er ontstaat iets heel nieuws. Nieuw leven.
Het zaadje wordt getransformeerd tot een plant.
En een tomatenzaadje wordt geen aardappelplant.
En een roos wordt geen geranium.
Dus in de kern, in de basis blijft het hetzelfde,
Maar toch is het iets heel nieuws. Iets heel anders!

Waar heeft Paulus het over?
Paulus heeft het erover dat de dood niet het einde is.
Dat er iets heel nieuws zal komen.
En ook: dat dat nieuwe níet te vergelijken is met het oude.
Een nieuw mens.
Dezelfde als de mens die het was, niet iemand anders,
maar wel op een hele nieuwe manier.

Dat nieuwe is zelfs hoe God ons uiteindelijk heeft bedoeld!
Het doel van een zaadje is dat er iets nieuws uit voort mag komen.
Je stopt het in de grond, omdat je weet:
Straks groeit er een prachtige bloem uit, of een mooie, vruchtbare plant.

Nieuw leven.

Een spannende vraag bij dit gedeelte dat we hebben gelezen, is:
Heeft Paulus het nou over de hemel?
Of heeft hij het over iets anders?

Daarvoor helpt het om iets van de omstandigheden te weten waarin Paulus deze brief schrijft.
Paulus was een apostel. Een zendeling.
Hij is één van de eerste christenen.
En hij trekt rond in de landen rond de middellandse zee,
Om te getuigen over Jezus.
Om de mensen te vertellen dat Jezus de zoon van God is.
En dat Hij is opgestaan uit de dood.
Paulus heeft zélf een ontmoeting gehad met de opgestane Jezus,
Die zijn hele leven in een ander licht heeft gezet.
Hij is onder de indruk gekomen van de enorme liefde van God.
En daar wil hij iedereen over vertellen.

De eerste christenen, en de kleine kerken die zij overal stichtten, zoals in Korinthe,
Die hadden het helemaal niet makkelijk.
Ze werden bedreigd. Gevangen gezet.
Soms zelfs ter dood gebracht.
En dat maakte het leven heel angstig voor ze.
Ze hielden zich eraan vast dat Jezus snel weer terug zou komen.
En als Hij zou komen, dan zouden de doden uit hun graven opstaan,
En dan zou er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen.

Maar ze worstelden daar ook mee.
Hoe zou dat eruit zien?
Hoe zou dat zijn?
Zou het wel echt zo gaan gebeuren?

Zeker omdat er binnen het Jodendom, waar het christendom uit voortkomt,
Al verschillende stromingen waren.
Er was een stroming die zei:
Straks, als God alles weer nieuw maakt, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde,
Zal Hij ons óók weer helemaal nieuw maken.
Zal Hij ons op laten staan uit de dood.
Voor hen was dat echt iets om naar te verlangen.
Om naar uit te kijken.

Er was ook een stroming, die dat belachelijk maakte.
Een leven na de dood?
Dít leven is alles wat er is!
Daar gaat het om.
Dát is wat God aan ons heeft gegeven, en daar moeten we het mee doen.
Een leven na de dood, dat is wensdenken.
En opstanding uit de dood, dat is onmogelijk.

Zo zie je maar:
2.000 jaar geleden waren de mensen helemaal niet zo anders dan wij nu.
Ook toen konden mensen er heel verschillend in staan.

Paulus schrijft dit stuk om mensen een hart onder de riem te steken.
Mensen die zelf misschien wel eens twijfels hebben, of zoekend zijn.
Mensen die van alles om zich heen horen,
en niet zo goed weten hoe ze daarop moeten reageren.
Want blijkbaar zijn er in of om de gemeente in Korinthe,
waar Paulus deze brief aan schrijft,
óók mensen die er een beetje lacherig over doen.
God, die ons straks op laat staan uit de dood?
Hoe ziet dat er dan uit?
Wat voor voorstelling moet ik me daarbij maken?
Dood is dood.

Misschien dat je daar zelf ook wel eens over nadenkt.
Kán er wel leven zijn na dit leven?
Hoe ziet dat er dan uit?
Dat zijn helemaal geen gekke vragen.
Ik denk dat we ons daar allemaal wel eens mee bezighouden.

Zeker als je zelf met een overlijden te maken krijgt, in je naaste omgeving.
Als je zelf iemand hebt verloren.
Dan hoop je dat de dood niet het einde is.
Dat het met de dood niet zomaar ineens voorbij is.
Ook al voelt dat wel zo.
Je hebt iemand niet meer bij je.
Je moet diegene ineens missen.

Maar dat het moeilijk is om je een voorstelling te maken van hoe dat kan zijn,
is helemaal niet raar.
Daarom is dat beeld dat Paulus gebruikt ook zo mooi.
Dat beeld van een zaadje, dat je in de grond stopt,
en waar vervolgens iets heel nieuws uitgroeit.

Als je alleen dat zaadje had gezien, en nooit een plant,
Had je dát dan van tevoren kunnen bedenken?
Dat het zoiets moois zou worden?
Gaat dat niet je voorstellingsvermogen te boven?

Nou hééft Paulus het in dit gedeelte níet in eerste plaats over de hemel.
Maar over de opstanding uit de dood.
Als God álles nieuw zal maken, dat dan ook de doden zullen opstaan,
En een heel nieuw lichaam zullen krijgen.
Want dat was waar de mensen waar hij aan schreef heel erg mee bezig waren.
Wanneer komt dat? Hoe zal dat zijn?

Maar dat betekent niet dat het niet ook geldt voor de hemel.
De kern van wat Paulus zegt is dit: kijk eens naar Jezus.
Als Jezus is opgestaan uit de dood, dan is hij een hele nieuwe schepping.
Hij is geen geest. Maar hij is ook niet meer zoals hij was.
Je ziet dat aan dat hij nog wel eet met zijn leerlingen,
Maar als ze bij elkaar zijn in een afgesloten ruimte, staat Jezus ineens in hun midden.
Hij heeft nog steeds de wonden in zijn handen en in zijn zij,
Hij laat de ongelovige Thomas daaraan voelen,
Maar hij is tegelijk levend, en gezond.
En zoals hij is, gaat hij naar zijn Vader in de hemel.
En hij zegt: ik heb daar ook een plek voor jullie klaargemaakt.

Voor Paulus is dat een belangrijke reden om te geloven dat de dood niet het einde kan zijn:
Dat het Pasen is geweest.
Jezus is gekruisigd, en gestorven, en op de derde dag opgewekt uit de dood.

Het oude is begraven, en daar is iets heel nieuws uit voortgekomen.
De taal die Paulus gebruikt is bijna poëtisch, als een gedicht:

Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid – sterfelijk, kwetsbaar,
wordt in onvergankelijke vorm opgewekt – dus een vorm die niet meer vergaat.
Wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid,
wordt met schittering en kracht opgewekt.
Er wordt een aards lichaam gezaaid,
maar een geestelijk lichaam opgewekt. Een hemels lichaam.

Alleen het is zo moeilijk om je daar een voorstelling van te maken.
Het is moeilijk om daar de vinger op te leggen.
Dat mag je best laten staan.
Het is geen wetenschappelijke discussie.
Om te ontrafelen hoe dat precies in elkaar zit.
Alsof wij dat ooit zouden kunnen!

Paulus schrijft dit vooral om hoop te geven.
Ook al weet je niet wat voor voorstelling je je ervan moet maken.
Zoals het zaadje dat de grond in gaat,
waar een prachtige plant uit groeit.

Het wás onaanzienlijk, maar het zál schitterend zijn.
Die woorden van Paulus zijn woorden waar je je aan vast mag houden.
Voor hem is het bijna iets om naar te verlangen!
Ergens anders schrijft hij:
Als ik sterf, dan weet ik dat ik bij Christus mag zijn.
En dan is het goed.

Ook al is dat niet hoe voor jou de werkelijkheid er op dit moment uitziet.
Je hebt met verdriet gezaaid.
Omdat iemand je uit handen is gevallen.
Diegene waar je zo van hield, die je los moest laten.
Na een goed en lang leven,
of veel te snel, veel te vroeg.
De boosheid die je hebt gevoeld daarom, de onmacht, het onbegrip.
Het voelt wél of de dood het laatste woord heeft.

Teksten als deze zijn ook niet bedoeld als snelle fix.
Alsof je dat verdriet, en die pijn, en die boosheid, niet mag voelen.
Het is geschreven vanuit een situatie waarin mensen ook worstelden met wat ze zagen.
Ook zij hadden met ziekte, en met overlijden te maken.
Dat is juist de reden waaróm Paulus dit schrijft.
Paulus noemt de dood in dit hoofdstuk zelfs een vijand.

Je zaait in vergankelijkheid.
Het leven is kwetsbaar. Fragiel.
En iemand aan de dood verliezen, doet pijn.

Aan het zaadje dat je in de grond stopt, kan je niet zíen wat eruit zal komen.
Als je een zaadje plant, dan doe je dat in vertrouwen.
Dát er uiteindelijk iets uit mag groeien.

Voor ons is het in die zin nóg moeilijker.
Want een plantje zie je na een tijdje opkomen.
Maar wij kunnen niet een kijkje nemen bij hoe het zal zijn.
Wij kunnen niet een blik werpen in de hemel.

Alleen ondanks dat verdriet, hebben wij ook reden om hoopvol te zijn.
Hebben wij ook reden om níet bang te hoeven zijn voor de dood.

Want Pasen geeft ons de hoop dat de dood niet het laatste woord heeft.
Sterker nog: Pasen geeft ons de hoop dat de dood niet meer zal zijn.

Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid
wordt in onvergankelijke vorm opgewekt.
Wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid,
wordt met schittering en kracht opgewekt.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *