Preken

Vrij van mijn en jouw oordeel

1 Korintiërs 1:10-17; 1 Korintiërs 3:4-9 en 4:1-5

Vorige week was ik in Spijk, in mijn oude gemeente, om daar een bruiloft te leiden.
Voor mij was dat de eerste keer dat ik daar weer terugkwam,
nadat ik daar – een half jaar geleden alweer – vandaan ben verhuisd!

En het was fijn, om weer even in Spijk te zijn.
Fijn om mensen weer te zien, en te spreken,
Maar het was ook een beetje gek.
Gek dat ik daar nu geen thuis meer heb.
Ik zag bloemen staan achter het raam in mijn voormalige huis.
Daar woont nu iemand anders!
En ook wel een beetje gek dat alles daar gewoon doorgaat, ook in de kerk.

Sinds kort is daar een tijdelijke predikant, die mensen bezoekt, en er voorgaat.
En dat is fijn, dat iemand anders dat op zich heeft genomen.
Want ík kon dat natuurlijk niet meer doen.

En het is ook een beetje loslaten.
Want misschien doet hij de dingen weer op een hele andere manier dan ik ze deed.
Legt hij andere accenten dan ik.
En dat is góed, maar het betekent ook voor mij een stukje uit handen geven.
Ík ben daar niet meer de predikant.
Ik ben nu hier!

En ik dacht: zo moet het ook geweest zijn voor míjn voorganger daar,
toen hij het stokje over moest dragen aan een jonge knul die net van de universiteit kwam.

En zo moet het ook geweest zijn voor Paulus.
Paulus moest de gemeente in Korinthe ook loslaten.
Want dat was hoe hij het deed:
Paulus voelde zich geroepen om rond te trekken,
en op elke plek waar hij kwam een nieuwe kerk te starten,
en om daarna weer verder te gaan, en het werk aan anderen over te laten.

In Korinthe was Paulus voor zijn doen al uitzonderlijk lang geweest.
Anderhalf jaar.
Omdat Jezus in een visioen tegen hem gezegd had:
In deze stad behoren veel mensen Mij toe.

En ik vind dat ergens wel knap van Paulus,
dat hij na die anderhalf jaar, uit zichzelf, ook weer wég durfde te gaan.
Dat hij niet dacht: het hangt allemaal van mij af!
Daar spreekt vertrouwen uit.
In zijn opvolgers, maar ook in God.
Dat God niet loslaat wat hij begonnen is.
Dat spreken we elke zondag uit, aan het begin van de dienst.
En Paulus vertrouwde daar ook op.
God is daar iets begonnen, en Hij gaat ermee verder.
Ook als ik daar niet meer kan zijn.

Dat was hoe Paulus de kerk zag.
Híj was een medewerker, maar niet de baas.
De kerk is Gods akker.
God is bezig in mensen.
Het enige dat Paulus deed,
was zijn ogen en oren open houden voor wat God aan het doen is,
En zichzelf beschikbaar stellen om daaraan mee te werken.

Ongeveer een jaar nadat Paulus was weggegaan uit Korinthe, was Apollos daar gekomen.
Hij was net als Paulus een reizende vertegenwoordiger van het christelijk geloof.
Door vrienden van Paulus was Apollos aangemoedigd om naar Korinthe toe te gaan.
Apollos had Paulus dus als het ware opgevolgd als de leider van de kerk in Korinthe.

En Apollos was anders dan Paulus.
Ze waren allebei hoogopgeleid,
Maar Paulus was sterk op papier, ook wel scherp,
maar in het echt was hij niet zo’n indrukwekkende verschijning.
Hij zegt over zichzelf: ik was geen goede spreker, ik was angstig en onzeker.
En Apollos was dat juist wel, een goede spreker.
Hij was iemand die indruk maakte.
Die mensen kon overtuigen.

En Paulus was weg uit Korinthe,
Maar op afstand bleef hij wel betrokken bij de kerk die hij daar had helpen starten.
Hij deed dat door brieven te schrijven.
Want Paulus was degene die die kerk begonnen was.
De mensen in Korinthe vonden het belangrijk wat hij zei.

Vanuit de gemeente in Korinthe stuurden mensen brieven naar Paulus om hem vragen te stellen, over allemaal praktische dingen.
De kerk daar was nog maar jong, dus mensen hadden veel vragen!
Mocht je als christen bijvoorbeeld vlees eten dat was geofferd aan Griekse goden?
De één dacht van niet, de ander zag er geen kwaad in.
Of: als je christen was geworden, maar je was getrouwd met iemand die niet in Jezus geloofde, wat moest je dan doen?
En wat als mensen uit de kerk elkaar voor de rechter aanklagen?
Hoe moet je daar mee omgaan?

En op afstand krijgt Paulus niet alleen brieven met vragen uit Korinthe.
Via via vangt hij ook wel eens wat op,
Over wat er speelt in Korinthe.

Daar schrijft hij over in het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen.
Ik heb gehoord dat er verdeeldheid onder u heerst.
Dat groepen mensen in de kerk tegenover elkaar staan.

En daar wil ik vandaag met jullie naar kijken.
Hoe gaat Paulus daarmee om?
Op wat voor manier neemt hij in die situatie de leiding?

Want Paulus laat in deze brief zien wat leiderschap betekent.
Wat christelijk leiderschap betekent.

Misschien is hoe Paulus met deze situatie omgaat wel heel leerzaam voor onszelf.
Voor hoe wij leiding geven, voor hoe wij met elkaar omgaan,
In de kerk, maar misschien ook wel op je werk, of thuis.

Want leiding geven kun je op een heleboel manieren doen.
Wat is een leider?
Een leider is niet alleen een regeringsleider, of de baas van een groot bedrijf.
Iemand die de leiding heeft over heel veel mensen.

Een leider kan je ook zijn in het klein.
Bijvoorbeeld op je werk, voor je collega’s.
Of in de kerkenraad.
Of als je de ouderensoos leidt, of een Bijbelstudiegroep.
Of als vader, of moeder, of als opa of oma, ben je op je eigen manier ook een leider.
Zijn er jonge mensen aan je toevertrouwd.

Dus daar wil ik met jullie naar kijken.
Wat is een belangrijk principe voor Paulus in de manier waarop hij leiding geeft?
En hoe brengt hij dat in de praktijk?

In de kerk in Korinthe staan mensen tegenover elkaar.
De gemoederen lopen hoog op.
En dat komt doordat de ene groep mensen zegt: “Ik voel me het meest verbonden met Paulus.”
En een volgende groep zegt: “Ik hoor bij Apollos!”.

Misschien dat een aantal van die mensen dacht:
Apollos, die spreekt me veel meer aan.
Met wat hij zegt kan ik veel meer dan met wat Paulus zegt.
Paulus was verleden tijd, nu was Apollos hun voorganger.

En dan zijn er ook mensen die loyaal zijn aan Paulus, die zeggen:
Maar we moeten wel blijven luisteren naar Paulus.
Hij is deze kerk begonnen!
Je ziet het al voor je hoe die mensen een brief schrijven aan Paulus om hem te vertellen over wat er allemaal mis gaat,
En ze hopen natuurlijk dat Paulus hén gelijk geeft.
Dat Paulus partij kiest voor hén.

En weer een andere groep zegt: “We moeten luisteren naar Kefas.”
Kefas, dat is de naam van Petrus, maar dan in een andere taal.
Petrus was een leerling van Jezus.
Eén van de eerste apostelen,
Iemand die Jezus zelf nog gekend had!
Voor de mensen die zeiden: “wij horen bij Petrus”, waren Paulus en Apollos allebei geen échte apostelen.
En dus hoefde je niet zo serieus te nemen wat zij zeiden.
Wat Petrus zei, had veel méér gewicht.
Want Petrus had Jezus zelf nog gekend.

En dan zeiden weer anderen: “Ik ben van Christus”.
En dat klinkt heel mooi.
Misschien probeerden ze boven de partijen te staan.
Maar als je dat zo zegt: “Ik ben van Christus”,
Dan zeg je daarmee misschien ook wel tegen de anderen:
“Jullie niet”. Ik heb het goed, en jullie niet. Ik weet hoe het zit.
Ik sta erboven.

En zo is er groepsvorming in Korinthe, en dat moet best wel ding geweest zijn.
Want anders had Paulus daar niet van gehoord.
Er ontstonden partijen, er was verdeeldheid.
Mensen stonden tegenover elkaar.
De kerk dreigde door die verschillende groepen misschien zelfs wel uit elkaar te vallen.
Zoals later helaas vaak genoeg is gebeurd in de geschiedenis.
En daar wordt niemand beter van.

En als Paulus zijn brief schrijft, dan benoemt hij dat.
Ik heb gehoord dat er verdeeldheid is bij jullie.
Maar hij prikt er ook doorheen.

Hij zegt: die groepsvorming, dat de één zegt: ik hoor bij Paulus,
En de ander: ik hoor bij Apollos,
dat is maar een symptoom.
De oorzaak van jullie ruzies is trots.
De oorzaak is dat jullie jezelf belangrijker proberen te maken,
Door de ene leider te verheerlijken boven de ander.
In Korinthe probeerden de mensen de leiders voor hun eigen karretje te spannen.
En daarmee probeerden ze zichzelf belangrijker te maken.

De problemen in Korinthe hadden maar heel weinig te maken met geloof.
Ze hadden veel meer te maken met personen,
Die zichzelf opbliezen, die zichzelf groter wilden maken, ten koste van anderen.

Misschien had dat wel te maken met de aard van de mensen in Korinthe.
Korinthe was een grote stad, de grootste stad van Griekenland.
Een stad waar je moest vechten voor je plekje.
Een stad waar iederéén probeerde hogerop te komen.
Vaak ten koste van een ander.

En ook de kerk was nog maar jong.
Dus mensen moesten nog heel veel uitvinden.
En omdat het zo ín de mensen zat,
probeerden ze om ook in de kerk hun positie te veroveren.
Daarom gingen de mensen in de kerk de competitie met elkaar aan.
Ze gingen vergelijken.
Misschien wel uit onzekerheid.
Wat als er voor mij, voor hoe ik denk, geen plek meer is?

En Paulus zegt: dat ellebogenwerk in de kerk, dat moeten jullie niet doen.
Want dat doet iedereen al.
Dan maak je status en succes heel belangrijk,
Dan wil je dat anderen naar je opkijken.
Maar wat maakt jullie als christenen dan anders dan andere mensen?
In de kerk moet je niet meedoen aan dat soort spelletjes.
Bij ons gaat het niet om wie rijk is, of slim, of mooi, of machtig.
Wij geloven in God.
En God werkt op een hele andere manier.
God kiest juist mensen uit die niet rijk of slim zijn, of mooi, of machtig.
Bij God hoef je niet je plekje te veroveren.

Paulus probeert in zijn brief een inkijkje te geven in wat hém drijft.
In wat híj belangrijk vindt, als leider in de kerk, waar hij het voor doet.

Paulus zegt: ik ben niet de baas van de kerk.
En dat wíl ook niet zijn.
Ik zie mezelf als iemand,
aan wie het beheer over de geheimen van God is toevertrouwd.
Ik mag mensen vertellen over het mysterie van de liefde van God.
Dat is mijn taak.
En die taak maakt mij geen baas, niet de belangrijkste,
Maar die taak maakt mij een dienaar van Christus.

Voor Paulus is christelijk leiderschap dat je weet dat je een soort interim-manager bent.
Wat je doet is maar tijdelijk.
Je doet het niet voor jezelf,
Je doet het tot de eigenaar terugkomt en om verantwoording vraagt.

Als leider ben je niet de baas.
Je bent niet iemand die de touwtjes in handen moet houden.
Die de controle vast moet houden.
Paulus zegt: jullie zijn niet van mij.
Jullie zijn Góds ákker,
En ik mag op die akker planten, en Apollos mag er water geven,
Maar wij kunnen het niet laten gróeien.

Voor Paulus is dat een heel belangrijk principe,
Het belangrijkste principe:
Jullie zijn Gods akker, en wij zijn medewerkers.
Een christelijke leider is eerst een dienaar.
De kerk, en de mensen zijn niet jouw eigendom,
God is aan het werk in mensen.
Hij heeft een plan met mensen, en met de kerk,
En als leider probeer je daar naar te luisteren,
En met God mee te werken.

Het is de moeite waard om daar echt even bij stil te staan.
Want, ook in de kerk, is dat iets wat we heel makkelijk uit het oog kunnen verliezen.
We kunnen zo druk zijn met regelen, en doen,
En soms ook wel met de dingen naar onze eigen hand zetten,
Naar hoe we zélf vinden dat het zou moeten,
Dat we uit het oog verliezen dat het niet ónze kerk is,
Maar dat we medewerkers van God zijn.
Dat we vergeten om te kijken naar wat God aan het doen is.
En dat we vergeten om daar naar te luisteren.

Paulus zegt: wij zijn medewerkers op Gods akker.
En jullie zíjn Gods akker.
Het gaat niet om óns, wij zijn niet het belangrijkste.
God is aan het werk.
En wij mogen met Hem meewerken.

En dat betekent dat je jezelf niet groter maakt dan nodig is.
En dat je dus ook niet mee hoeft te doen met een soort competitie:
wíe het belangrijkste is.
Of wie er gelijk heeft.

Paulus zegt:
ik weet eigenlijk niet eens meer zo goed wie ik gedoopt heb.
En dat vind ik ook niet zo belangrijk.
En dat zegt hij misschien wel juist tegen de mensen die heel hard roepen:
Ik hoor bij Paulus!

Ik weet niet meer wie dat zijn, zegt hij.
Ik weet nog een paar namen, de rest ben ik vergeten.
Ik hecht daar niet zoveel waarde aan, wie er bij míj hoort, en wie er bij Apóllos hoort.
Wij hebben allebei hetzelfde doel:
Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft doen groeien.
Het is niet belangrijk wie plant of wie water geeft;
alleen God is belangrijk.
Ik ben maar een medewerker.
Een interim-er.
Een dienaar van Christus.

En dat maakt dat Paulus zich niet bedreigd voelt door Apollos.
Ook niet als andere mensen hem met Apollos gaan vergelijken.
Want Apollos is voor hem geen concurrent.
Zo zien zij elkaar niet,
En zo moeten de mensen in Korinthe ze ook niet zien.

Dat Paulus dat zegt: het is Gods akker, ik ben maar een medewerker, een dienaar,
Ergens is dat heel bevrijdend.
Dat maakt hem vrijer.

Want hij heeft de goedkeuring van de mensen in Korinthe niet nodig.
Het is fijn als mensen hem waarderen, maar daar doet hij het niet voor.
Dat is heel vermoeiend,
Als je het heel belangrijk maakt hoe anderen over je denken, als je daar alles aan ophangt.
Dan moet je je constant bewijzen.
Dan moet je de schijn hooghouden.
Dan ben je eigenlijk een dienaar van iedereen.

En misschien drijf je dan júist wel af bij waar het om gaat, bij wat je écht drijft.
Díe wil dit horen, díe wil dat horen.
Maar wat geloof ik nou zelf?
Wat vind ik belangrijk?
Waar wil ik voor staan?

Paulus zegt: ik ben een dienaar van Christus, laat Hem over mij oordelen.
Ik wil hém dienen.
En wat ánderen van mij vinden,
dat mogen ze houden! 🙂

En aan de andere kant, zegt Paulus, maakt dat ook vrij van mijn eigen oordeel over mezelf.
Hoe u over me oordeelt doet er voor mij niet toe,
Maar hoe ik over mezelf oordeel telt evenmin!

En ik vind het wel mooi hoe Paulus dan zegt:
“Ik ben me van geen kwaad bewust.”
Volgens mij doe ik niks verkeerd.
Maar dan zegt hij: maar ik hoef niet over mezelf te oordelen,
Ik laat de Heer over mij oordelen.

En dat gaat twee kanten op.
Want als je over jezelf moet oordelen, dan kan het zijn dat je óf wel een heel positief beeld hebt van jezelf, misschien wel een beetje té positief,
Dat je jezelf te hoog inschat,
Maar het kan ook zijn dat je juist te laag over jezelf denkt.
En Paulus zegt: ook daar wil ik me niet door laten leiden.

Ik wil me laten leiden door hoe God naar mij kijkt.
De enige mening die telt, is die van God.
Niet die van anderen, en ook niet die van mezelf.

Paulus vindt zijn identiteit niet in dat anderen naar hem opkijken,
En ook niet in zichzelf, in dat hij zo positief over zichzelf denkt,
maar hij vindt zijn identiteit in Christus.
Door genade ben ik wie ben.
Ik mag leven uit het besef dat Jezus van mij houdt,
En dat Hij zijn leven voor mij heeft gegeven.
En dat ik nu niet meer voor mezelf hoef te leven,
Maar met Hem mag leven.

En dat geeft een enorme vrijheid, als je daar uit mag leven.
Dan heb je het niet nodig dat anderen naar je opkijken.
Dan hoef je jezelf niet te verdedigen.
Dan hoef je niet de competitie niet aan te gaan met anderen.
Maar dan weet dat je een dienaar van Christus mag zijn,
zoals je bent, met je mooie én je minder mooie kanten.
Dat je een medewerker bent op Gods akker.
Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet;
God is belangrijk, want Hij doet groeien.

En Paulus deelt dat, omdat hij hoopt dat de mensen in Korinthe zich ook dáár door laten leiden.
Dat ook zij beseffen dat het niet gaat om wie het belangrijkste is.
Dat ze hun plekje in de kerk, en in het leven, niet hoeven te veroveren, of veilig te stellen,
Maar dat ze mogen leven uit genade,
En dat ze mogen zien wat God doet, in hen en in mensen om ze heen.
En Paulus dat dat ze vrij mag maken, en eensgezind mag maken.
Het gaat niet om wie de belangrijke is,
Of wie je moet volgen.
Het gaat erom dat God in jullie aan het werk is.
En dat je dat mag zien.
Amen.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *