Verantwoordelijkheid
Verantwoordelijkheid

Verantwoordelijkheid

Tekst: Lukas 10:38-42

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Er zit iets moois in.
Dienen, op de achtergrond aan het werk zijn,
om ervoor te kunnen zorgen dat anderen de tijd en ruimte hebben om iets te doen.
Als het personeel van een cateringsbedrijf, tijdens een bruiloft,
ineens de boel de boel zou laten,
zou stoppen met eten en drinken rondbrengen,
en zelf tussen de mensen zou gaan lopen, mee zou gaan eten,
dan zou iedereen er raar van opkijken.
Ze zouden er schande van spreken!
Iedereen die op de bruiloft was, zou weten:
dat bedrijf moet ik niet hebben als ik zelf een feest organiseer!

Als in een kerkdienst
– een gewone kerkdienst, waarin gezongen mag worden –
de organist ineens zou stoppen met spelen,
om zelf beneden tussen de mensen te gaan zitten om te zingen,
zou iedereen denken: wat is die aan het doen?!
Waarom speelt hij niet gewoon?
Als in een supermarkt de vakkenvuller het laatste artikel dat er staat,
voor jouw neus wegpakt, en voor zichzelf afrekent,
dan word je boos.
Jij bent toch de klant?

Martha en Maria zijn twee zussen met behoorlijk verschillende karakters.
Ik weet niet óf het zo is,
maar ergens heb ik het gevoel dat Martha de oudste van de twee was.
Zij was de verantwoordelijkste van de twee.
Ze deed wat haar werd opgedragen, zonder vragen.
Vond eer in een goede gastvrouw zijn.

Hun huis, waar ook hun broer Lazarus woonde, stond in Bethanië, een dorpje op de weg naar Jeruzalem.
Jezus kwam er regelmatig.
Hij veel hield van Martha, Maria en Lazarus, staat in Johannes.
Dat is belangrijk!
Ook als je dit verhaal leest.
Het is niet zo, op geen enkel moment, dat Jezus Martha veroordeelt.
Of zegt: jij doet iets fout.

Integendeel.
Als Jezus en zijn leerlingen bij het huis in Bethanië aankomen,
vermoeid van een dagenlange reis te voet,
heet Martha ze heel hartelijk welkom.
Gastvrijheid is belangrijk voor haar.
Als er een gast komt, dan leg je neer waar je mee bezig bent,
en je gaat voor hem zorgen.
Zoals in veel culturen op de wereld!

Ik ben een keer te gast geweest bij mensen in Hongarije.
Je moet dan wel twintig keer zeggen: ‘nee, ik heb echt genoeg gegeten’.
En zelfs dan kan je nog wel wat toegestopt krijgen.
En in Zambia werd mij na een kerkdienst in een sloppenwijk eten en drinken toegestopt door mensen uit de kerk. Dat ontroerde mij echt.
Ze wilden zorgen voor hun gasten.
Zelfs als het voedsel dat ze aan een gast gaven het eten was dat ze anders zelf zouden eten.
Op een reis naar Griekenland, met de middelbare school,
was ik in een gastgezin, en kreeg ik het bed van de jongen die daar woonde.
Hij ging op de bank slapen.

Zo ziet Martha het als haar, eigenlijk als hún taak,
om goed te zorgen voor de gasten die hun huis binnen zijn gekomen.
Kosten nog moete worden gespaard.
Jezus en zijn leerlingen krijgen de gelegenheid om zich te wassen, om te rusten.
Er is meer dan genoeg eten en drinken.
Heerlijk moet dat geweest zijn, na zo’n lange reis.

Het was in die tijd de taak van de vrouwen om te zorgen voor de mannen.
Want het was een hele traditionele samenleving.
De mannen hadden hun rol, en de vrouwen hadden hun rol.
In de synagoge was er een gedeelte voor de mannen en een gedeelte voor de vrouwen.
De mannen werkten, en bestudeerden de wet van God.
De vrouwen zorgden voor het huishouden, voor de kinderen, voor de gasten.
Niemand klaagde daarover, het was hoe het was verdeeld.
Daar, en in de hele wereld in die tijd.

De gasten, de mannen, trokken zich terug in een ruimte om te gaan eten en drinken.
De vrouwen zorgden dat zij alles hadden wat ze nodig hadden,
En bemoeiden zich er verder niet mee.

Ik denk dat Maria Martha hielp in het begin.
Ze zal daar niet over gemopperd hebben.
Samen maakten ze het eten klaar, bedienden ze de gasten.
Zodat iedereen meer dan genoeg had.

Toen de maaltijd voorbij was, en het eten opgeruimd,
Ging Jezus staan, en zijn leerlingen gingen aan zijn voeten zitten.

Hij onderwijst ze zoals een rabbi zijn leerlingen onderwijst.
Voor ons klinkt ‘aan iemands voeten zitten’ alsof ze aan zijn lippen gekluisterd waren.
En dat waren ze misschien ook wel,
maar het is ook een hele natuurlijke houding.
Als wij naar school gaan,
zitten we in een klaslokaal, en de leraar staat voorin de klas.
Dit is hoe onderwijs geven toen ging.
Aan iemands voeten zitten, betekende niet meer, en niet minder,
dan dat je diegene zag als een leraar,
een rabbi, en jezelf als zijn leerling.

Het is een mooi beeld.
Jezus staat midden in de groep.
De mensen zitten om hem heen.
En hij vertelt ze, over God, zijn Vader.
Over hoe God wil dat ze leven, dat ze met elkaar omgaan.
Mooie verhalen, gelijkenissen, zoals we lezen in de Bijbel.
Het zet de mensen die hem horen aan het denken.
De woorden van Jezus komen binnen. Raken ze.
Veranderen hoe ze naar hun eigen leven kijken.
Hoe ze naar God kijken.

Dat gold niet alleen voor de mannen die er zaten.
Het gold ook voor Maria.
En misschien dat er nog wel andere vrouwen waren,
die ook aan Jezus’ voeten waren gaan zitten.
Ze konden het niet helpen.
Ze wilden het niet missen.
Ze gingen er gewoon bij zitten.
En Jezus hield ze niet tegen.
Hij zei niet: ga weg, hier is geen plek voor jullie.

Want wat hij te zeggen heeft is niet alleen voor de mannen,
maar ook voor de vrouwen.
Net zoals met de tollenaars die werden buitengesloten,
maar die Jezus toch opzocht.
Wat hij te vertellen heeft is niet voor een deel van de mensen,
maar voor alle mensen.
Het gaat over Gods liefde, en over wat het betekent om daaruit te leven.

Je ziet ze voor je.
Maria, die aan de voeten van Jezus zit te luisteren.
En Martha, die af en toe langsloopt, de mensen bedient,
en echt wel wat oppikt van wat Jezus zegt!
Maar dan weer teruggaat naar het deel van het huis dat voor de vrouwen bestemd is,
En hard aan het werk gaat:

Met de afwas, met de volgende maaltijd koken, met slaapplaatsen klaarmaken.
Ze wordt daar helemaal door in beslag genomen.
En ondertussen denkt ze:
Waarom helpt Maria haar niet?
Waarom gaat ze bij de mannen zitten?
Martha kán het niet begrijpen!
Dat is toch niet Maria’s rol?
En nu moet Martha alles alleen doen.

Op een gegeven moment besluit Martha om Jezus daarop aan te spreken.
Want als Jezus het tegen Maria zegt, zal ze Martha vast weer gaan helpen.
Zoals het hoort.

Ze ging naar Jezus toe en zei:
‘Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen?
Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’

Zo. Het is eruit.
Ze schaamt zich wel een beetje dat ze Jezus hierop aan moet spreken,
maar iemand moet het doen.
Want zo kan het gewoon niet.
Dat weet hij toch ook wel?
Het past niet. Het hoort niet.
Maria ontloopt haar taak, haar verantwoordelijkheid.
Ze doet net of ze een man is, door erbij te gaan zitten.

Maar Jezus’ antwoord… is precíes het tegenovergestelde van wat Martha had verwacht.
Jezus zegt tegen haar:
Martha, Martha, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk.
Hoe kan hij dat zeggen?
Dit gaat niet over háár, dit gaat over Maria!
Er moet toch íemand voor de gasten zorgen?
Martha kan toch ook niet zomaar daarmee stoppen?

Als zij zich niet meer druk maakt, wie dan?

Het spannende van deze tekst is niet alleen dat Jezus Maria niet aanspoort om Martha te gaan helpen.
Maar juist andersom!
Jezus zegt tegen Martha: je maakt je druk om zoveel dingen.
Terwijl je maar één ding nodig hebt.
Dat betekent dat Jezus tegen haar zegt:
Dat ene ding dat je nodig hebt, dat is dat jij ook aan mijn voeten komt zitten!

Maria heeft het beste deel gekozen.
En dat zal ik niet van haar afpakken.

Weet je, als je deze tekst leest, als buitenstaander, dan lijkt het zo makkelijk.
En zo duidelijk.
Natuurlijk, wij zouden allemaal tegen Martha zeggen:
Maak je niet zo druk!
Wind je niet zo op!

Martha doet zo haar best.
Ze heeft zulke goede bedoelingen.
Maar toch haalt ze, met die goede bedoelingen,
Maria bijna weg bij wat het meest waardevol is.
Hoe kan dat?
En doen wij dat soms ook?

Het is zo makkelijk gezegd tegen een ander: maak je niet zo druk!
Denk aan wat écht belangrijk is!
Maar dat tegen jezelf zeggen, en vooral:
dat zelf doen, dat is heel veel moeilijker.
Want het ís niet verkeerd wat Martha deed.
Het was ontzettend liefdevol.
Ze deed zo haar best om een goede gastvrouw te zijn.
Wat Jezus tegen haar zegt, moet als een emmer koud water zijn die over haar heen wordt gegooid.
Na alles wat zij heeft gedaan.
Nadat ze zo voor hem en zijn leerlingen gezorgd heeft.
Het moet een schok geweest zijn.
Ik denk niet dat ze boos was op Jezus.
Maar alles wat ze belangrijk vindt,
zelfs dat waar ze haar eigenwaarde uit haalt,
wordt hier op zijn kop gezet.

Ze slaat aan het twijfelen.
Moet zij dan ook maar de boel de boel laten, en erbij gaan zitten?
Is dat wat Jezus van haar vraagt?
Maar wie zorgt er dan voor de gasten?
Dat is toch haar verantwoordelijkheid? Haar taak?
Dat is toch wie zij is, wat er van haar gevraagd wordt?

En daar, met dat woord, komen we op de kern waar het hier,
in deze Bijbeltekst om draait.
Verantwoordelijkheid.
Hoe vaak doen wij niet dingen uit verantwoordelijkheidsgevoel?
En hoe vaak spreken we elkaar daar niet op aan?
Of spreken we onszelf daarop aan?
Of keuren we elkaar daarop af, als we dat niet nemen?
Onbewust, misschien wel?

Ook als het gaat om geloven!
Ook als het gaat om de kerk.
Dat is onze verantwoordelijkheid.
We zijn er samen verantwoordelijk voor dat de boel blijft draaien.
Dat alles wat er altijd gebeurde doorgang vindt.

Als ik het niet doe, wie doet het dan?

Vaak zijn het de dingen aan de rand, de dingen die we moeten regelen,
waar we onze energie in stoppen.
Waar we ons verantwoordelijk voor voelen.
En ook waar we elkaar het meest op aanspreken:
als er iets niet goed geregeld is, dan krijg je het vaak te horen.
Of als het wel goed geregeld is, dan geven we een compliment.
Daar is natuurlijk niets mis mee.

Het is misschien zelfs wel uit verantwoordelijkheid dat je naar de kerk gaat.
Of bij de kerk betrokken bent.

De predikant die mij bevestigd heeft, gaf me een keer een goede raad mee.
Hij zei: als je kennis gaat maken met mensen, dan kun je drie dingen vragen.
Vraag ze eens over zichzelf. Wie ze zijn, wat ze doen, wat ze bezighoudt.
Vraag ze eens over de kerk. Hoe zien ze de kerk? Wat is hun rol daarin?
En vraag ze eens over God. Wie is God in hun leven?

Gek genoeg is mijn ervaring inmiddels dat het veel makkelijker is om te praten over de eerste en de tweede vraag,
‘wie ben jij’, en ‘hoe zie jij de kerk’,
dan over de derde vraag: ‘wie is God in jouw leven?’

Want over de kerk hebben we allemaal wel een mening.
Wat er goed gaat, en wat niet.
Wat we graag anders zouden zien.
Of wat anders wordt, terwijl we dat graag bij het oude zouden houden.
Je kunt praten over wat je doet voor de kerk, of juist dat je liever geen taak hebt.
Waarin de kerk er voor jou is, of waar je juist een negatieve ervaring hebt gehad.
Waarom het belangrijk is dat de kerk er is.
Hoe de kerk zou moeten zijn.

En daar zetten we ons ook graag voor in!

Maar die derde vraag: wie is God in jouw leven?
Hoe zou je die vraag beantwoorden?
En heeft die vraag vooral te maken met verantwoordelijkheid?
Met wat je zou moeten, of juist niet meer moet? Of niet mag?
Met dat je te weinig doet?
Of teleurgesteld bent, omdat je zoveel hebt gedaan, maar weinig terug hebt gekregen?

Of gaat die vraag: ‘wie is God in jouw leven?’, precies over dat:
Waar heb jij je laten raken?
Waar heb jij je laten verwonderen?
Waar voel jij je gedragen?
Wanneer ben jij geraakt door het besef: God houdt van mij?
Door het besef: het gaat niet om wat ik doe. Het is voor mij gedaan.

Is dat niet onze belangrijkste taak, onze belangrijkste verantwoordelijkheid, als kerk?
Zelfs als dat betekent dat we ál het andere moeten laten liggen:
Dat we ons, met elkaar, mogen verwonderen over de liefde van God?
Dat we elkaar daarover mogen vertellen?
Dat we samen aan de voeten van Jezus mogen gaan zitten, en naar Hem mogen luisteren?
Dat we ons door Hem mogen laten inspireren in ons leven?

Misschien doen we dat nog veel te weinig.
Alleen, en samen.
Jijzelf, thuis.
Als kerkenraad.
Als gemeente.

Maar hoe moet dat dan verder met de kerk?
Als iedereen aan Jezus’ voeten gaat zitten,
en stopt met zorgen, en met zich druk maken?
Stopt met zijn verantwoordelijkheid nemen?
Dat zal Martha toch ook gedacht hebben?
De gasten moeten toch ook eten en drinken?
Jezus zelf toch ook?

En toch zegt Jezus: Maria heeft het beste deel gekozen.
Alsof hij tegen Martha wil zeggen:
trek Maria daar niet weg, doe het zelf ook!

Als wij dat allemaal zouden doen.
Ons minder druk zouden maken om wat er móet gebeuren.
En bezig zouden zijn met wat er écht toe doet.

En dat klinkt makkelijk, maar dat is het niet, dat is juist heel moeilijk!
Dat vraagt van je om steeds weer die keuze te maken.
Want de verleiding is heel groot om toch weer te gaan denken in verantwoordelijkheid,
en praktisch dingen regelen.
Ik denk dat je daar met elkaar een andere gemeente van wordt.

Want uiteindelijk zou Jezus zijn weggegaan.
Maria had aan zijn voeten gezeten, Martha had voor de gasten gezorgd.
Ze had veel mogelijk gemaakt voor een ander.
Maar ze was er zelf niet aan toegekomen om aan Jezus’ voeten te gaan zitten.
Dan kon ze zich op de borst kloppen: ik heb het goed gedaan.
Maar ze had toch echt wel wat gemist.

Maria zou die woorden van Jezus nooit meer vergeten.
Het zou haar niet meer loslaten.

Laten wij net zo zijn.
Zitten aan Jezus’ voeten.
Ook al moeten ze gebeuren:
de dingen die geregeld moeten worden niet belangrijker maken dan ze zijn.
Échte prioriteiten stellen.
En steeds weer de tijd nemen om aan Jezus’ voeten te zitten.

Je zal erachter komen dat dat het beste deel is.

We hoeven geen cateringbedrijf te zijn.
Maar we mogen met elkaar de gasten van het feest zijn.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *