Uit het leven van een schaap

Jezus ging om met allemaal slechte en vreemde mensen: oplichters, overlopers, mensen die anders waren. Mensen van wie alle anderen dachten: wat móet je ermee? Laat ze het lekker uitzoeken!
De anderen kwamen bij Jezus om daarover te klagen. “Waarom gaat u met die mensen om?”, zeiden ze tegen hem. “U gaat zelfs bij ze eten! Kunt u niet beter met gewone, goede mensen omgaan? Mensen zoals wij?”

Jezus begon te vertellen.
Hij zei: “stel dat je honderd schapen hebt. Een heleboel!
En die lopen allemaal goed mee in de kudde.
Maar als je ze telt, kom je erachter dat je er eentje kwijt bent.
Weet je wat je dan doet?
Dan laat je die 99 andere schapen achter in het veld, en je gaat het ene schaap zoeken dat kwijt is, totdat je het vindt!
En als je het gevonden hebt, dan ben je blij!
Je draagt het op je schouders terug naar huis, en daar roep je iedereen bij elkaar, je buren, en je vrienden.
En je zegt: laten we een groot feest vieren!
Want ik heb het schaap gevonden dat ik kwijt was!

Zo”, zegt Jezus, “is het ook met God.
God is blij als iemand die was afgedwaald, zijn weg weer naar Hem vindt.
Nog blijer dan met die 99 anderen, die hun leven niet hoeven te veranderen!
Want Hij houdt van álle mensen.
Niemand uitgezonderd.

(Naar Lukas 15:1-7, uit de Bijbel in gewone taal)

—–

Ik ben een schaap. Beeeh!
Ik maak deel uit van een hele grote kudde!
En zoals een goed schaap betaamt, loop ik altijd achter de herder aan.

Want dat is de grote baas! Weten jullie wat een herder is?
Kunnen jullie dat vertellen?
Alle schapen weten: als je bij de herder bent, ben je veilig.
Je weet altijd wie de herder is: hij heeft zo’n mooie herdersstaf.
Zoals die man op het plaatje.
Als we achter de herder aanlopen,
Dan zorgt hij ervoor dat we op plekken komen waar genoeg gras te eten is.
En hij beschermt ons, tegen grote, gevaarlijke, wilde dieren!
Al toen ik heel klein was waarschuwde mijn mama-schaap me altijd:
Blijf bij de herder! Dwaal niet af!
En dat heb ik ook nooit gedaan!

We moeten vaak een eind lopen achter de herder aan.
De hele dag zijn we onderweg.
Want er is niet overal gras waar wij vandaan komen.
En als we dan eindelijk zijn aangekomen, en rustig ons gras kunnen eten,
Dan telt de herder ons. Allemaal!
Een, twee, drie, vier, vijf… 98, 99, 100!
En dan weet hij dat we er allemaal zijn.

Maar pas hè, pas was de herder aan het tellen, misschien willen jullie meedoen!..
93, 94, 95, 96, 97. 98, 99…
Maar geen 100! Er was een schaap kwijt!

Beeeeh!, zei een schaap naast me, die de herder zag tellen.
Een schaap is afgedwaald van de kudde!
Wat een sufkop!
Beeeeh!
Maar de herder, die keek niet boos.
Hij keek eerder heel ongerust.
Hij telde nog eens, en nog eens, om te kijken of hij niet een fout gemaakt had.
En toen pakte hij vastberaden zijn herdersstaf, en ineens was hij weg!

Meteen brak er paniek uit onder de schapen.
Beeeeh!
Waar gaat hij heen!
Op zoek naar dat ene schaap!?
En wij dan?
Beeeeh!

Een ander schaap riep:
Laat dat verdwaalde schaap het lekker uitzoeken!
Hij moet zelf de weg maar terug vinden!
Wij zijn tenminste braaf meegelopen!

Dat dacht ik ook:
Dat domme schaap!
Nou lopen wij gevaar!
Want nu is de herder niet bij ons! Wie weet wat er kan gebeuren!!
Wat als de wilde dieren komen?
En we wachtten, en wachtten, tot de herder terug zou komen..

Het leek alsof-ie uren weg was.
De zon begon al een beetje te zakken.
Net toen het echt donker begon te worden, toen zagen we hem.
Het schaap op zijn sterke herdersschouders.

Hij zette het neer, en keek heel blij.
Wat fijn dat je er weer bent!, zei hij.
Het schaap blaatte ook heel blij!

Maar eh… de andere schapen,
die waren niet zo blij dat het verloren schaapje weer terug was.
Niemand wilde dat hij bij ze kwam staan.
Hij kwam ook naar mij toe. Mag ik bij jou grazen?
Maar ik dacht: wat zullen de andere schapen wel denken, als ik met hem omga!
Dat domme schaap!
En ik keerde hem de rug toe. Met jou wil ik niks te maken hebben, hoor!
Hij keek heel verdrietig, en ging toen verder,
tot hij bij een groepje schapen kwam dat hem wel bij ze liet staan.
Puh, dacht ik. Met hem wil ik niks te maken hebben.
En ik deed mijn ogen dicht, en ging lekker slapen.

De volgende dag moesten we weer een stuk lopen,
achter de herder aan.
Mijn gedachten waren nog steeds bij dat schaap dat was afgedwaald.
Ik zag hem lopen, helemaal blij. En ik maakte me bóós!
Hij had het aan zichzelf te danken dat hij was afgedwaald.
Iedereen weet toch dat je gewoon achter de herder aan moet lopen?
En nu deed hij alsof er niets gebeurd was!

En ik was daar zo mee bezig hè, ik maakte me zo boos,
dat ik vergat om om me heen te kijken.
Ik had niet door dat ik niet meer achter de herder aan liep,
maar helemaal aan de rand van de kudde.

En toen begón ik om me heen te kijken,
en zag ik ineens dingen die ik anders niet zag.
Hé, wat was dat?
Daar groeit wat gras!
Ik had wel trek, dus ik liep ernaartoe, en nam een hap. Hmmm.
Vinden jullie gras ook zo lekker?

En hé, is dat een lekkere bloem! Die heb ik lang niet meer op!
In het midden van de kudde eten de grote schapen die altijd op!
Na de bloem had ik dorst, en toen zag ik wat water. Even wat drinken!
Aaah, lekker!

En toen keek ik om me heen.
En ik voelde ineens mijn maag in elkaar krimpen.
Waar was iedereen?
Geen schaap meer te zien! Of te horen!
Oh nee! Ik was de kudde kwijtgeraakt!
Ik begon rond te lopen, en te blaten, op zoek naar de kudde. Beeeh! Beeeh!
Maar geen schaap te zien, of te horen. En de herder ook niet!
Ze waren natuurlijk al een heel stuk verder!
Welke kant zou ik op moeten om ze terug te vinden?
Ik wist het niet!
Bang en verdrietig zocht ik een plekje in het gras, en ging daar liggen.
Wat was ik dom geweest!
Ik had zo’n grote mond over dat schaap dat was verdwaald!
En nu was ik zelf verdwaald!

Ik begon me zorgen te maken.
Zou de herder ook naar mij komen zoeken?
Zou hij me wel kunnen vinden?
En ineens dacht ik: misschien had hij wel gezien dat ik dat andere schaap negeerde!
En wilde hij mij helemaal niet meer zoeken.

Weer begon het donker te worden.
En nu was het nog veel enger dan gisteren.
Gisteren was de herder er ook niet, maar de hele kudde was bij elkaar.
Wilde dieren durfden ons vast niks te maken.
Maar nu?
Ik was helemaal alleen!
Ik voelde me doodsbang.
En ik hoorde allemaal vreemde geluiden om me heen. Awoeh!
Wat zou dat zijn!
Rillend viel ik in slaap.

Ik droomde, dat ik aan het rennen was.
En toen ik achterom keek, zag ik allemaal wilde dieren!
Een wolf, een beer, een vos, een zelfs leeuw!
Hèh hèh, een lekker hapje schaap, zeiden ze!
Ze hadden me bijna te pakken.
Nee, nee, blaatte ik!
En ik trapte en schopte.
En toen werd ik wakker.

En opeens zag ik het: ik keek in de vriendelijke ogen van de herder.

Het waren geen wilde dieren die me probeerden óp te eten:
het was de herder die me op wilde pakken.
Hij had me gevonden!
Wat was ik blij om hem te zien!
Ik rilde nog steeds helemaal.

Och, schaapje, schaapje. Wat ben ik blij dat ik je heb gevonden!
Wat moet je bang zijn geweest, zo ver van de kudde.
Kom maar, het is goed.
Hij pakte me zachtjes op, en zette me op zijn sterke schouders.
Ik voelde me zó veilig bij hem!
Alles zou nu goedkomen!
We liepen een heel eind.

En toen we aankwamem bij de kudde, zette hij me neer, en riep hard:
ik heb hem weer gevonden!
En hij was zo blij!

Ik keek om me heen. En voelde me wel een beetje beschaamd.
De andere schapen keken me boos aan.
Net zo boos als ik gisteren nog geweest was.

Maar niet álle andere schapen keken boos:
Het schaap dat gisteren was verdwaald, kwam naar me toe.
Kom maar bij ons staan, zei hij.
Je bent niet de enige die een keer verdwaald is.

Elke keer als een schaap verdwaalt, dan komt de herder het zoeken.
Want hij houdt van ons.
En daar hebben we iets van geleerd:
Als verdwaalde schapen zo belangrijk zijn voor de herder,
dan zijn ze dat ook voor ons!
En ik ging bij hun groepje staan, en samen hielden we een groot schapenfeest.
En de herder vierde zelf met ons mee!

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *