Meer dan je kunt zien

Tekst: Openbaring 21:1-5

Lieve mensen, geliefde gemeente van Jezus Christus,

Er zijn van die grote momenten in je leven, waarvan je weet, als ze gebeuren:
Vanaf nu zal mijn leven er nooit meer hetzelfde uitzien.
Als je gaat trouwen, of gaat samenwonen,
en er zomaar een heel nieuw iemand bij je intrekt.
En je samen je leven vorm mag gaan geven.
Als een kind geboren wordt, en je zomaar de zorg, de verantwoordelijkheid voor zo’n klein kindje krijgt.
Als je het huis van je ouders verlaat, als je op kamers gaat.
Of als je kind het huis uit gaat. Zijn of haar eigen leven op gaat bouwen.
Dan is dat best even slikken!
Als je opa of oma wordt.
Dan ga je ook ineens anders aankijken tegen wie je zelf bent. Het is een hele nieuwe rol!

En ook als je partner overlijdt, of je vader, of je moeder.
Dan weet je: vanaf nu is het leven anders.
Het zal nooit meer hetzelfde zijn.
Je moet helemaal je eigen weg vinden, zonder die ander om op terug te vallen.
Iemand die er altijd gewoon was.
Dat is misschien wel een van de moeilijkste dingen aan rouwen, naast het gemis van iemand die je zo liefhad.

Het zal nooit meer hetzelfde zijn.
Dat geldt ook voor het moment waar Johannes over schrijft.
Het moment waarop de dood tenietgedaan is.
Het moment waarop elke traan wordt gedroogd.
Het moment waarop God zelf niet meer ver weg is, onzichtbaar,
maar bij ons is, onder ons woont.
Een nieuwe hemel, en een nieuwe aarde.
Alles zal anders zijn.

Het is een droom, die Johannes heeft, aan het einde van zijn leven.
En hij heeft een zwaar leven gehad.
Hij heeft in zijn jonge jaren hele bijzondere dingen meegemaakt.
Hij mocht zelf een van de leerlingen van Jezus zijn.
Getuige zijn van de wonderen die Jezus deed.
De bijzondere dingen die hij zei.
Getuige van zijn dood.
En ook getuige van zijn opstanding uit de dood.
Hij maakte het ontstaan mee van de eerste christelijke gemeenschappen.
En van de wrede vervolgingen die daar al snel bij kwamen kijken.
En aan het eind van zijn leven is Johannes verbannen naar een klein eiland.
En daarvandaan schrijft hij een brief naar de christelijke gemeentes.
Houd stand! Houd moed! Heb lief!
En hij vertelt ze over een droom die hij heeft gehad.
Geen droom van naïeve hoop.
Maar een droom waarin God hem iets laat zien.
Een nieuwe hemel, en een nieuwe aarde.
God die bij de mensen woont.

I have a dream, zei Martin Luther King eens.
Ik heb een droom.
Ik heb een droom dat mijn kinderen niet meer op de kleur van hun huid beoordeeld zullen worden, maar gewoon om wie ze zijn.
Ik heb een droom, dat we zullen beseffen dat alle mensen gelijk geschapen zijn.
Dat er geen discriminatie meer zal zijn op basis van ras, of huidskleur.

Ik heb een droom, zei Martin Luther King, dat wat krom is recht zal worden.
Dat de glorie van God voor iedereen zichtbaar zal zijn,
Dat alle mensen, wie ze ook zijn, waar ze ook zijn,
hem met hun eigen ogen zullen zien.

Martin Luther King spreekt over datzelfde moment als Johannes.
Het moment waarop alles anders zal zijn.
En hij spreekt daarover met een groot verlangen.
Want dat is het moment waarop het onrecht, ook waar hij zelf,
waar de mensen om hem heen, mee te maken hebben, niet meer zal zijn.

Een verlangen dat je niet stil zet, maar in beweging zet!
Die droom is iets om naartoe te leven.
Iets om vanúit te leven.
Iets dat alles wat er nu gebeurt in een ander licht mag zetten.
Je hoeft je er niet bij neer te leggen.
Je hoeft niet te zeggen: het is zoals het is.
Nee, op een dag zal het anders zijn!

Als je die droom hoort, die Johannes heeft,
van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde,
dan denk je misschien wel: droom lekker verder.
Omdat het zo groot is, zo abstract.
Omdat het zo ver van je af staat.
Dat denk ik zelf ook wel eens.
Want je ziet er nog maar zo weinig van.
Je kunt je er gewoon geen voorstelling van maken dat het zo zal zijn.
Dat alles goed zal zijn.
Van hóe het dan zal zijn!
Het lijkt onrealistisch. Niet meer dan een ideaal.
Hoe kán dat ooit werkelijkheid worden?
Dat bestaat toch niet?

Zoiets als een miss World die zegt: mijn droom is wereldvrede.
Iedereen zal beamen dat het een mooie, goede droom is.
Maar meer dan een droom is het niet.

Zou dat ook gelden voor dit visioen van Johannes?
De dood zal niet meer zijn. Geen pijn meer, geen verdriet.
Is het maar een droom?
Gaat het om een ideaalbeeld, dat nooit echt zal komen?

Of is juist elke keer dat je met de pijn van dit leven te maken krijgt,
elke keer als jou zelf iets overkomt waardoor je wereld op zijn grondvesten wordt geschud,
een moment waarop je zelf met de dood te maken krijgt van een geliefde,
elke keer als je kijkt naar wat er gebeurt in deze wereld, en vraagt: waarom?
Is dat niet een moment waarop dat verlangen juist ontzettend wordt aangewakkerd?
Een verlangen naar heelheid?
Naar een eind aan ziekte, die je leven zo in kan perken,
of zelfs het leven kan kosten.
Een eind aan zoveel geweld,
waar we maar niet van afraken met elkaar,
alsof we eraan verslaafd zijn,
geweld met wapens, én met woorden.
Een eind aan onrechtvaardigheid.

Maar niet alleen een eind aan die dingen.
Ook, vooral, een nieuw begin.
Een nieuwe wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde,
waarin al die dingen niet meer zijn.
Niet meer denkbaar zijn.
Net zo min als het nu voor te stellen is dat er een wereld is waarin er geen honger, geen dood, geen ziekte is.
Een wereld waarin je je niet meer hoeft af te vragen óf God er is.
Wáár Hij dan is, als het moeilijk is.
Maar een wereld waarin Hij zelf de tranen van je ogen wist.
Een wereld om naar uit te kijken.

Alleen als je zelf met ziekte, met de dood, te maken krijgt,
dan voel je wel hoe ver we van die nieuwe hemel en die nieuwe aarde af staan.
Als je zelf, plotseling, of na een lang ziekbed,
afscheid moet nemen van iemand van wie je veel hield.
En hij of zij er opeens niet meer is.
En je het leven zelf moet gaan vormgeven.
Zonder je partner, op wie je terug kon vallen.
Zonder je vader of moeder, aan wie je alles kon vragen.
Met wie je kon lachen.
Van wie je hield.
Als er één ding is waar juist dat beeld van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde recht aan doen,
dan is het wel dat de dood niet iets goeds is. Iets moois.
Maar dat de dood heel naar is.
Het overlijden van iemand van wie je houdt,
doet je onbeschrijfelijk veel verdriet.
Het is een breuk in je leven.
In de Bijbel is de dood geen vriend.
De dood is een vijand.

De dood hoort helemaal niet bij het leven, zoals zo vaak wordt gezegd.
De dood is het tegenovergestelde van leven.
De dood is niet goed.
De dood doet pijn.
De dood is niet iets om je bij neer te leggen.

Het is confronterend om na te denken over de dood.
Ik denk dat dat voor iedereen zo is.
Het confronteert je met eindigheid.
Als ik denk aan de dood, dan krijg ik soms een week gevoel in mijn maag.
Het besef dat op een dag je leven zomaar voorbij zal zijn.
Het maakt dat je aan het leven vast gaat houden.
Want je wílt er helemaal geen afscheid van hoeven nemen.

En het doet net zo’n pijn, als je je geliefden aan de dood moet afstaan.
Als je iemand los moet laten,
terwijl je daar eigenlijk helemaal niet klaar voor bent.
Kún je daar ooit klaar voor zijn?

Het voelt machteloos. En toch mogen we daar iets tegenover zetten.
Dat machteloze gevoel, dat hoeft niet het laatste woord te hebben.

We mogen daar hoop tegenover zetten.
Hoop, dat de dood niet het einde is.
Geloof, dat God ons vasthoudt, voorbij de dood.
Vertrouwen, dat Jezus de dood heeft overwonnen.
Dood, waar is je angel?, schrijft Paulus.
En hij bedoelt daarmee:
De dood kan je angst inboezemen.
Maar de dood kan je niks meer maken!

De dood is een vijand. Maar ook een vijand die is overwonnen.
Die plat op zijn rug ligt.
Want dat is wat christenen geloven:
Dat toen Jezus opstond uit de dood, de macht van de dood teniet is gedaan.
De dood kon hem niet vasthouden.
En kan ook ons niet meer vasthouden.

Hij is de eerste die opstond uit de dood.
Maar zeker niet de laatste!

De dood kan nooit meer het laatste woord hebben.
Want dat heeft Jezus. Dat heeft God.

En daarom is het beeld, de droom die Johannes heeft,
geen ideaalbeeld, maar de werkelijkheid die voor ons ligt.
Er zal een moment komen, ook al gaat dat ons voorstellingsvermogen te boven,
dat er écht een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen komen.
Waarin de dood is overwonnen.
Er helemaal niet meer is.
Ondenkbaar is.

En dat moment, daarvan ís de komst al ingeluid.
Nu al hoeven we de dood niet méér macht toe te dichten dan hij heeft.
Ook al staan wij weerloos tegenover de dood,
weten we allemaal dat we een keer zullen sterven,
wij hoeven er niet bang voor te zijn:
de dood zelf staat weerloos tegenover de macht en vooral de liefde van God.
De dood heeft niets meer te zeggen over ons.

Want God kan leven nieuw maken.
En als Hij het nieuw maakt, maakt Hij het mooier dan ooit tevoren.
Hij zal ons uit de dood laten opstaan.
Ons een nieuw, vernieuwd lichaam geven.
En dan zal er geen dood meer zijn.

Wij mogen bij God zijn, en God is bij ons.
Dát is het visioen dat Johannes heeft.

Ook daar kun je je geen voorstelling van maken.
Ik denk zelf dat het zal zijn als het mooiste moment uit je leven,
maar dat dat steeds maar doorgaat.
Een vreugde, een blijdschap, een liefde die je dan voelt,
die je je nu niet voor kúnt stellen.
Zoals de vreugde van een bruiloft, zo omschrijft Johannes het.
Een groot feest, waarin de liefde wordt gevierd, en waar geen einde aan komt.
Geen kater de volgende dag.
Maar Gods liefde, die alles omgeeft.
God, die continu bij ons is, zoals Jezus die rondliep, liefhad, en genas.

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Die dan niet meer van elkaar gescheiden zullen zijn,
maar die één zullen zijn.
Waar geen zee, geen kwaad, geen dood meer zal zijn.
De dood, die geen macht meer heeft.
Die er niet meer is.
Die niet meer denkbaar is.

Martin Luther King had een droom.
Een droom die de mensen niet in slaap suste, maar juist wakker maakte.
Een droom om een verlangen aan te wakkeren, en om daarnaar te gaan leven.
Om te laten zien dat het ook anders kan.
Dat wat je ziet gebeuren, niet de hele werkelijkheid hoeft te zijn.

En zo is het ook met de droom van Johannes.
Iedere keer als wij met verdriet, met onrecht, met pijn en met kwaad te maken krijgen,
Dan hoeven we ons daar niet bij neer te leggen.
Niet te zeggen: het hoort er nou eenmaal bij.
Zelfs als we met de dood te maken krijgen.

Je mag boos zijn. Je mag opstandig zijn.
Je mag de vraag stellen: waarom moest het gebeuren?
Want die vraag, waarom, is ten diepste een verlangen.
Een hoop, die God zelf in jou heeft gelegd.
Dat de dood niet het einde kan en mag zijn.
Niet het laatste woord kan en mag hebben.
Dood, waar is je angel? Ik ben niet meer bang.

Een hoop op een nieuw begin.

Een hoop op God, die zelf de tranen van je ogen zal drogen.
Een hoop op een groot feest.
Dat je je geliefden weer zult zien.
En samen mag dansen en juichen, om Gods liefde.

Dat is de droom van Johannes, die hij met ons deelt.
Er is meer dan wat je ziet. Er is hoop.
De dood is niet het einde.
Juist aan de dood zal een einde komen.
Amen.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *