Licht in de duisternis

Tekst: Jesaja 8:23-9:6

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Het is 701 voor Christus.
Hizkia is koning van het kleine koninkrijkje Juda.
Israël is nu al geen groot land.
Juda was nog maar een derde daarvan.
Je ziet het op de kaart, dat rode land links onderin.
Alleen het gebied rond Jeruzalem.

Vele generaties ervoor, na de heerschappij van koning David, en zijn zoon Salomo,
Was het koninkrijk Israël door een ruzie in twee delen uit elkaar gevallen.
Het noordelijke rijk, dat is oranje op de kaart.
Israël, of Efraïm, het grootste rijk van de twee.
Het zuidelijke rijk, Juda, is waar de nazaten van David koning bleven.
Beide landen waren continu met elkaar in oorlog,
Honderden jaren lang,
maar toch wisten ze zich verbonden met elkaar.

Het was een tijd waarin de koning alle macht had.
Hij bepaalde hoe het eraan toe ging in zijn land.
Was er een koning die de mensen uitbuitte, dan leefde de mensen in armoede.
Was er een goede koning, dan was het leven beter, en was er vrede.
Was er een koning die zich liet verleiden om vreemde goden te aanbidden,
Dan werden overal in het land offerplaatsen voor die goden opgericht, en de mensen uit het volk volgden zijn voorbeeld.
Maar er waren ook koningen die daarmee braken, die de offerplaatsen lieten verwijderen, en die de tempeldienst in ere herstelden.

De vader van Hizkia was Achaz.
Een slechte koning, die alles deed wat God verboden had.
Achaz liet overal offerplaatsen oprichten voor vreemde goden, en sloot zelfs de tempel van God.
Toen hij koning was, raakte zijn koninkrijk Juda raakte opnieuw in oorlog met het Noordelijke rijk, Israël,
zoals zo vaak.
Achaz was bang, en hij sloot een bondgenootschap met Assyrië.
Je zou kunnen zeggen: een pact met de duivel.
Assyrië was een wereldmacht.
Maar het was een vreselijk land.
Er waren wrede koningen, die continu landen binnenvielen,
en de bevolking deporteerden.
Iedereen was bang voor ze.

Met hulp van de Assyriërs werd het leger van Israël verslagen,
en het land bleef verzwakt achter.
Juda kwam als winnaar uit de strijd.
Maar jaren later zou pas duidelijk worden wat de prijs zou zijn.

Toen Achaz was overleden, kwam zijn zoon Hizkia aan de macht.
En het verschil met zijn vader kon niet groter zijn.
Hizkia liet alle offerplaatsen verwijderen.
En heropende de Joodse tempel, die zijn vader had laten sluiten.
De tempel van God.

Toen Hizkia nog maar vier jaar koning van Juda was,
bleek pas echt wat de gevolgen waren van wat zijn vader had gedaan.
Het grote, machtige rijk Assyrië viel het noordelijke koninkrijk Israël binnen,
dat verzwakt was achtergebleven na de laatste oorlog.
En hij liet de complete bevolking wegvoeren naar een ander land.
Het noordelijke rijk Israël was niet meer, en zou nooit meer terugkeren.

Juda bleef achter.
Een piepklein landje, tegenover een grote wereldmacht.
Op de kaart zie je hoe groot Assyrië was.
Van het huidige Turkije, tot diep in Iran.
Zelfs Egypte was door Assyrië verslagen.
Juda werd aan alle kanten omringd door Assyrië.
Het land moest veel belasting afdragen,
om niet hetzelfde lot te ondergaan als Israël.
“Kijk naar wat we hebben gedaan met het noordelijke land.
Als jullie niet betalen, doen we dat ook met jullie!”, zeiden de Assyriërs.

Lange tijd, twintig jaar lang, ging het zo door.
Totdat Hizkia zei: de maat is vol.
Ik weiger om hiermee door te gaan.

Hij liet verdedigingswerken bouwen rond Jeruzalem,
En liet een bron graven naar de stad,
zodat de mensen in de stad lang zonder een toevoer van water konden,
en lang een belegering konden weerstaan.
Een technisch hoogstandje in die tijd.
Hij stelde legeraanvoerders aan, trainde soldaten.
En besloot dat hij de proef op de som wilde nemen.
Zouden de muren van zijn stad het grote leger van de Assyrische koning kunnen weerstaan?
Ze hadden geen keus. Het was erop of eronder.
Linksom of rechtsom, Hizkia zag geen andere uitweg.

Anders dan zijn vader liet hij zich niet leiden door angst.
Hij riep het volk en de legeraanvoerders op het plein bij de stadsmuur bij elkaar,
en sprak ze moed in.
Zijn toespraak staat in 2 Kronieken 32:
Wees vastberaden en standvastig.
Laat jullie door de koning van Assyrië en de grote legermacht die hij bij zich heeft, geen angst aanjagen,
want wij zijn sterker dan hij:
hij verlaat zich op menselijke kracht,
maar wij worden bijgestaan door de HEER, onze God, die voor ons strijdt.

En het leger voelde zich gesterkt.

Al snel gebeurde het onvermijdelijke:
De koning van Assyrië trok met zijn hele leger op naar Jeruzalem,
En ze begonnen de stad te belegeren.

Een stad met stadsmuren was moeilijk in te nemen.
Het kon wel, maar het betekende ook dat veel soldaten zouden sneuvelen.
Een belegering werkte beter.

De koning van Assyrië stelde zijn leger op rondom de stad.
Soms werd er gevochten tijdens een belegering, maar het was vooral wachten.
Wachten tot het eten en drinken in de stad op was.
Wachten tot de mensen de moed op zouden geven,
en zelf de poort open zouden zetten, en zich over zouden geven.

Zo’n belegering kon lang duren.
Zeker nu Hizkia zulke goede voorbereidingen had getroffen.
Daarom stuurde de koning van Assyrië elke dag mensen naar de stadsmuren,
om de inwoners van Jeruzalem te bedreigen, en te beledigen.
Hizkia wil jullie zeker van honger en dorst laten omkomen,
door jullie voor te spiegelen dat God jullie uit mijn greep zal redden! Van mij, de koning van Assyrië!
Weten jullie dan niet wat ik en mijn voorouders hebben gedaan met de volken van de landen die we binnenvielen?
Die andere volken zijn toch ook niet door hun goden gered?
Als geen enkele god zijn volk heeft kunnen redden,
als het eenmaal aan de genade van mijn voorouders was overgeleverd,
hoe zou jullie God jullie dan kunnen redden?

Op die manier probeerden ze de inwoners van Jeruzalem bang te maken.

Maar de Israëlieten wisten dat als ze de poorten van Jeruzalem voor deze koning zouden openen,
Al hun schatten en hun goud niet genoeg zou zijn om ze te redden.
Zij zouden ook weggevoerd worden.
Juda zou hetzelfde lot ondergaan als Israël.
Het zou niet meer bestaan.

Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht, zegt de profeet Jesaja.
Er zal een koning opstaan, die vrede brengt.
Een man van God.
Het juk dat op de mensen drukt, daar zal een einde aan komen.
Er zal blijdschap zijn, als bij de vreugde van de oogst.
Zijn heerschappij is een heerschappij van recht.
De vrede die hij brengt, zal duren tot in eeuwigheid.

Het zijn deze tijden waarin Jesaja leeft.
En waarin de profetie klinkt,
die we hebben gelezen.
De landen van Zebulon en Naftali, de landen van het noorden,
het overjordaanse, zijn vernietigd.
De situatie is dreigend.
De mensen leven in het duister.

Jesaja zegt tegen ze: geef de moed, geef de hoop niet op!
Ook al lijkt de hele wereld tegen je.
Ook al ziet de toekomst er donker uit.
Zie je geen uitweg. Jullie zullen een licht zien.

Het lijkt, op het eerste gezicht, of de profetie gaat over koning Hizkia.
Hij is een koning die op God gericht is.
Een koning die vrede brengt.
En die zich geen angst laat aanjagen door dat machtige rijk, Assyrië.

Tijdens de belegering vraagt Hizkia aan de profeet Jesaja,
die dan ook in Jeruzalem is:
Wat moeten we doen?
En de profeet Jesaja doet hem een belofte:
Dit jaar zul je eten wat er na de oogst toevallig nog opkomt,
en volgend jaar onkruid,
maar het jaar daarna kun je zaaien en oogsten,
wijngaarden planten en van de opbrengst eten.

Er is hoop. Geef de moed niet op. Dat is wat God zegt.
Er komt een zware tijd aan. Maar geef de hoop niet op.
De koning van Assyrië zal nog geen pijl op jullie afvuren.

Jesaja en Hizkia bidden samen om hulp van God.
En dan gebeurt er een wonder.
Het leger van de koning van Assyrië krijgt een enorme klap te verwerken.
Een groot deel van zijn legeraanvoerders,
en van zijn meest ervaren soldaten,
komt heel plotseling op een mysterieuze manier om het leven.
De koning is gedwongen om het beleg op te breken, en zijn leger terug te trekken.

Het klinkt hard.
Kun je dit wel een wonder noemen?

Voor de Judeeërs was het dat wel.
Want dit is geen potje voetbal, waarbij de een bidt dat de ander mag verliezen.
Hier stond alles op het spel.
Het is een oorlog, die niet te winnen is.
Met een grootmacht die niet te stoppen is.
Geen leger op de wereld die het weerstand kan bieden.
En dat wist de koning van Assyrië.
De wreedheden die hij beging,
zoveel landen en culturen die hij van de aardbodem wegvaagde.
Hij dacht: ik kan ermee wegkomen.

De God van de Bijbel is een God van liefde.
Maar liefde sluit zijn ogen niet voor het kwaad.
De koning van Assyrië denkt dat hij alles kan, en alles mag.
Dat alles geoorloofd is.
Dat niemand hem en zijn wreedheid kan stoppen.

God laat zien dat hij het bij het verkeerde eind heeft.
Het is dat kleine koninkrijkje Juda, dat niets betekent op de wereldkaart,
Waar de macht van het grote Assyrische rijk niet onoverwinnelijk blijkt te zijn.
Een macht die geen leger op de wereld toen had kunnen stoppen.
Maar ze gaan niet vrij uit.
Ook de koning, ook zijn soldaten, ook al voelen ze zich zó machtig, zijn gewoon kwetsbare mensen.

En God laat de inwoners van Juda, van Jeruzalem, niet in de steek.
Omdat zij hun heil niet zoeken bij de grote machthebbers van de wereld,
maar bij Hem.
Ze vertrouwen op Hem.
Hij is niet de God van de grootste, van de sterkste.
Hij is de God van dit kleine landje,
Dat niets betekent op de wereldkaart,
Maar waar Hij zijn naam aan heeft verbonden.

Ik heb er ontzag voor.
Ik weet niet of ik had kunnen doen wat Hizkia deed.
Of ik, als ik in zijn schoenen had gestaan, als koning,
had durven opstaan tegen zo’n groot rijk,
en was blijven geloven in een goede uitkomst.
Hizkia zag geen andere uitweg.
Het was dat, of niet alleen het einde van Israël, maar ook van Juda!

Maar ook Hizkia was geen heilige.
Net zoals alle grote koningen in de Bijbel, zoals David, en Salomo,
was Hizkia niet perfect.
Toen Assyrië verslagen was,
brak er een tijd van ongekende vrede en welvaart aan voor zijn land.
Het geld stroomde binnen.
Er kwam een delegatie van een ander ver land naar Jeruzalem,
en Hizkia liet ze trots zijn rijkdom zien.
Kijk, zei Hizkia. Kijk naar hoe goed het met ons gaat! Niemand kan ons iets maken!
Zo snel was hij alweer vergeten dat hij de overwinning niet aan zichzelf te danken had.

Het verhaal heeft een donker randje. Een nieuwe dreiging, die in de lucht hangt.
Nieuwe donkere wolken pakken zich alweer samen.
Want de delegatie aan wie Hizkia trots zijn rijkdom liet zien, kwam uit Babylon.
Het land dat, nu Assyrië verzwakt was,
al snel zijn plek in zou nemen, en de nieuwe grootmacht zou worden.
Het land dat een eeuw later zou afmaken waar Assyrië aan begon,
dat ook Jeruzalem in zou nemen,
en de tempel met de grond gelijk zou maken. De bevolking weg zou voeren.

Maar ook in die tijd zouden de Judeeërs merken dat God ze niet los zou laten.

Vandaag is het eerste advent.
Met het verhaal dat ik heb verteld in het achterhoofd, zou je kunnen denken:
Wat heeft dát nou met advent te maken?

De tekst die we hebben gelezen, uit Jesaja, gaat in eerste instantie over dit verhaal.
Over Hizkia.
Een koning die vrede bracht. Een man van God.

Maar toch ook weer niet.
Er staat:
Groot is zijn heerschappij,
aan de vrede zal geen einde komen.
Davids troon en rijk zijn erop gebouwd,
ze staan vast, in recht en gerechtigheid,
van nu tot in eeuwigheid.

Dat gold niet voor Hizkia.
Hij bracht vrede, maar dat was een vrede waaraan ook weer een einde zou komen.
Zoals vaak met profetieën in het oude Testament,
gaat de profetie van Jesaja over de tijd waarin hij leefde,
maar wijst hij ook vooruit naar nog iets groters.

In Zebulon en Naftali, in het land van Galilea,
Waar het volk in duisternis woont,
het land dat door de Assyriërs is ingenomen, en vernietigd,
waar de mensen in het donker wonen,
daar zullen de mensen een schitterend licht zien.

Al sinds het noordelijke rijk door Assyrië is ingenomen,
Werd de bevolking daar door de Judeeërs met de nek aangekeken.
Galilea, Samaria. Je kent die namen misschien wel uit de verhalen over Jezus.
De mensen daar werden niet gezien als échte joden.
De bevolking had zich vermengd met mensen uit andere volken.

Maar, zo zegt de belofte: juist daar zal een schitterend licht opgaan.
Er zal een koning komen, die vrede brengt.
Geen vrede voor tien jaar, of voor een eeuw, maar voor altijd.
Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman,
Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.

Toen de Farizeeën hoorden van het optreden van Jezus in het noorden,
in het gebied van Galilea, en zelfs Samaria, zeiden ze:
Wat voor goeds kan er nou uit Galilea komen?
De mensen daar zijn niet eens echte joden!

Maar mensen die Jezus volgden, dachten aan deze tekst, uit Jesaja.
Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht.

Een profetie, gedaan voor een koning die 700 jaar eerder leefde,
Krijgt een hele nieuwe betekenis door Jezus.
Een veel diepere, veel mooiere betekenis.
Hij is het die echte vrede komt brengen.

Wij leven ook in een donkere tijd.
Deze tijd van corona.
We zeggen in deze tijd zo vaak: ik hoop dat het leven weer normaal wordt.
En daar verlangen we ook echt naar!
Ik verlang daar ook echt naar.

Het is zoals de mensen in de tijd van Hizkia,
die leefden onder de dreiging van Assyrië,
en die zo bang waren,
die vurig hoopten dat hun land nog een toekomst zou hebben.
Die ze gelukkig ook kregen.
Want God liet ze niet in de steek.

Maar de belofte die God aan ze doet, juist in die donkere tijd waarin ze leven,
is veel groter, veel dieper dan ze zich op dat moment voor kunnen stellen.
Veel groter dan alleen de belofte,
dat die donkere tijd waar ze in leven zal eindigen.
Dat er alleen een eind komt aan de dreiging die hun op dát moment boven het hoofd hangt.

De belofte die God doet, in hun donkstere uur,
is de belofte dat Jezus zal komen.
Een schitterend licht.
Niet alleen voor hen, maar voor alle volken,
voor alle mensen op alle plaatsen van de wereld.

Ook voor ons, in deze adventstijd, is dat iets om aan vast te houden.
We leven in een donkere tijd.
Een donkere tijd, waaraan ook weer een einde zal komen.
Maar in die donkere tijd mogen we ons vasthouden aan het licht in de duisternis.
Aan Jezus.

We mogen weten dat Jezus altijd een licht is. Hoe donker het ook is.
Nog meer dan de hoop op een vaccin,
en de hoop op dat alles terugkeert naar hoe het was,
Mag dat ons, juist in deze tijd,
maar ook in elke moeilijke periode in ons leven, moed en kracht geven.
En blijdschap!
Diepe vreugde geeft U.
Blijdschap, als de vreugde bij de oogst.

Het is waar je je aan vast mag houden.
Ook als je in het donker leeft:
Jezus is het licht in de duisternis.
Amen.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *