Kop op Job?
Kop op Job?

Kop op Job?

Tekst: Job 1:1-22; 2:7-13

Geliefde gemeente van Jezus Christus, lieve mensen,

Ik heb een hele moeilijke vraag voor jullie!
Je mag antwoorden als je het antwoord weet:
Hoeveel is 1+1? (2)
En hoeveel is 23+48? (71)
En voor de goede hoofdrekenaars onder ons: hoeveel is… 973 – 835? (138)
Dat wordt al moeilijker hè?

Rekenen is fijn.
Want je krijgt altijd een antwoord op je vraag!
Als je een rekensom opgeeft, dan is er altijd een juiste uitkomst.

Zou het niet overzichtelijk zijn als dat voor alles zo zou zijn!
Dat, als je een vraag zou hebben, je altijd een duidelijk antwoord zou krijgen!
Zo zit het! Daarom is het zo.
Dat zou wel fijn zijn, of niet!
Als je overal een reden voor zou kunnen bedenken.

Er is natuurlijk een reden dat ik dit zeg, en dat is dat dat echt niet altijd zo is.
Er zijn vragen waar je geen antwoord op krijgt.
Waar je moet gissen naar het antwoord, moet raden.
Of een theorie bedenken: waarom zou dit zo zijn?
Of je gelooft in een antwoord. Je vertrouwt op een antwoord.
Maar je weet het niet zeker.

Dan heb je het over grote vragen. Bijvoorbeeld:
Hoe is het heelal ontstaan?
Hoe kan er leven zijn?
Daar zijn allemaal theorieën over, maar er is niemand van ons die het precies weet.
De vraag: is er een God?
En waarom kan je God niet zien?
Of de vraag: hoe kan het dat er kwaad is in de wereld?
Waarom gebeurt er zoveel onrecht?
Waarom moeten mensen soms zo lijden?
Waarom worden mensen ziek?
Waarom gaan mensen dood?
Waarom laat God dat toe?
Waarom grijpt God niet in?

Er kunnen momenten zijn in je leven dat zulke vragen heel dichtbij komen.
Als je zelf iets heel moeilijks meemaakt, of hebt meegemaakt;
Iets dat zo ingrijpend is, dat het je helemaal radeloos maakt.
God, waar bent U?
Ik voel U niet, ik merk niks van U.
Terwijl ik dat nu zo nodig heb.
Ik zie zoveel nare dingen gebeuren.
Ik maak zelf zulke nare dingen mee.
Ik voel me machteloos.
God, áls U er bent, waarom zie ik daar dan soms maar zo weinig van?

Dat is waar het Boek Job over gaat: precies over zulke vragen.
God, waar bent U?
Waarom laat U het kwaad toe?
Bent U soms onverschillig?, vraagt Job.
En hij verlangt heel sterk naar een antwoord op zijn vragen!

Wel een bijzonder verhaal hè? Als je dat zo hoort, als het wordt voorgelezen.
Ik kan er eigenlijk ook maar moeilijk mee uit de voeten.
Het lijkt wel een soort weddenschap!
God zegt tegen de duivel: Kijk, heb je Job al gezien? Hij is mijn trouwste dienaar.
Kijk hoe goed hij leeft.
En dan zegt de duivel tegen God: dat Job zo goed is, zo goed leeft,
Dat komt doordat hij het zo goed heeft!
Hij heeft alles wat hij maar wil.
Als hij dat allemaal kwijt zou raken, kijk dan maar of hij nog steeds zo gelovig is!

En dan laat God dat toe: dat de duivel Job alles afneemt.
Zijn gezin, zijn huis, zijn bezit, en uiteindelijk zijn gezondheid.
Dat is een heel ander beeld dan hoe ik God zie.
Dat is maar moeilijk met elkaar te rijmen.
Wist je dat het boek Job ook een ontzettend oud boek is?
Eén van de oudste boeken van de Bijbel!
Ouder nog dan de Psalmen.
Misschien wel net zo oud als Genesis, en Exodus.
Daar doet het ook wel een beetje aan denken!
Want Job werd heel oud, net zoals de mensen in Genesis.
Zoals Noach, en Abraham.

We weten niet wie Job is.
Het kan een fictief figuur zijn.
Het kan ook zijn dat zijn naam gebaseerd is op de naam van een koning.
Koning Jobab van Edom. Een land naast Kanaän.
Dan waren zijn vrienden, Elifaz, Bildad en Sofar koningen van kleine landjes daaromheen.
En die Jobab was een kleinzoon van Esau, de broer van Jakob.

Het boek zelf is later opgeschreven,
maar het verhaal kan gebaseerd zijn op het verhaal van die koning.
Daar weten we maar heel weinig van.
Misschien was dat ook wel iemand die alles kwijtraakte,
Maar die toch op God bleef vertrouwen. Net als Job.

Maar ik denk dat je wel veilig kunt zeggen dat er veel in het verhaal van Job zit dat wel bedacht móet zijn.
Want hoe kan de schrijver weten wat er zich in de hemel afspeelt?

Het is geen geschiedenisverhaal.
Het is vooral een verhaal, dat iets wil zeggen.
Een verhaal dat je aan het denken wil zetten.
Een verhaal dat ons vragen stelt,
maar ook een verhaal dat ons ook op een spoor wil zetten.

Het begint met dat bijzondere gesprek tussen God en de duivel.
Het lijkt een weddenschap.
Maar je kan ook zeggen:
God heeft er heel veel vertrouwen in dat Job zijn geloof niet zal loslaat.
Ook niet als het moeilijk wordt.
De duivel denkt dat Job alleen gelooft doordat hij zo door God gezegend is.
God wéét van Job dat dat dieper zit.
Hij laat de duivel zijn gang gaan. Álles wordt van Job afgenomen.
En nóg blijft Job zeggen: De Heer zij geprezen.
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, maar ik blijf God prijzen.

En dan wordt Job ziek, en dan wordt het zijn vrouw teveel.
Ze zegt tegen hem: hoe kan je zo kalm blijven?
Je reageert zo gelaten.
Vervloek die God toch, en sterf!
Hoe kan jij blijven geloven dat God goed is?
Zij is dat helemaal kwijt!
Maar Job niet. Job zegt tegen haar:
Zouden wij alleen het goede ontvangen dat God geeft?
Soms geeft God, soms neemt God.

Als je hier zou stoppen met lezen, dan zou je zeggen:
Job blijft sterk. Job blijft zo vol vertrouwen.
Hij blijft rustig, ook al raakt hij alles kwijt.
Hij neemt het zoals het is.
Daar moet je een voorbeeld aan nemen!

Maar het verhaal hóudt daar niet op.
Als Jobs vrouw weg is gegaan, komen zijn drie vrienden naar hem toe.
Ze gaan naast hem zitten, in het stof.
En ik vind het heel mooi dat er dan staat:
ze zijn een week stil! Ze zeggen geen woord!
Een week, dat is lang! Om gewoon bij iemand te gaan zitten.
Probeer het maar eens een uurtje uit!

Ik denk, als je zelf wel eens iets moeilijks hebt meegemaakt,
dat je weet hoe waardevol dat is:
dat er gewoon mensen voor je zijn op dat moment.
Die niet komen met meningen, of oordelen, of adviezen, of oplossingen.
Maar die naar je luisteren.
Bij wie je je hart kan luchten.
Die niet bang zijn voor jouw verdriet.
Alleen.. als je dat hebt meegemaakt, dan weet je misschien wel uit ervaring,
Dat het soms heel moeilijk zijn om vol te blijven houden.
In het begin leeft iedereen mee.
Je krijgt kaartjes, en aandacht.
Maar na een tijdje gaat het leven voor die anderen gewoon door.
Terwijl voor jou de wereld stil blijft staan.
Dat is heel begrijpelijk, dat de wereld voor die anderen gewoon doorgaat,
Maar dat kan ook wel moeilijk zijn, als je zelf iets hebt meegemaakt,
Als jouw leven stil staat.

Zo is het voor Job precies net zo.
Hij is alles kwijt. Zijn vrienden zitten een week lang bij hem.
Ze zeggen niets.
En dan is het Job die als eerste begint te spreken.
En dan zegt hij niet: och, ik ben zo verdrietig, wat fijn dat jullie er zijn..
Nee, Job is boos!
Hij begint te klagen! Zijn boosheid, die moet eruit!
Job schreeuwt het uit tegen zijn vrienden. Hij zegt:

24Ik heb geen ander voedsel dan verdriet,
mijn klachten stromen in een vloed van tranen.
25Wat ik vreesde, komt nu over me,
wat mij angst aanjoeg, dat heeft me getroffen.
26Ik vind geen vrede, ik vind geen kalmte,
mijn rust is weg – onrust bevangt mij.’

Wat bijzonder dat zoiets in de Bijbel staat.
Dat Job zijn gevoel van onmacht zo uit!
Je vóelt de spanning in zijn woorden.
Daar heb ik nu maar een heel klein stukje van voorgelezen,
Dat gaat nog een hele tijd zo door.
Job is boos op God!
Hij klaagt God aan. God, bent U soms onverschillig?
Kan het U wel iets schelen wat mij overkomt?

Hij gebruikt zulke harde woorden, dat zijn vrienden ervan schrikken!
En dan lukt het hen ook niet meer om stil te blijven!
Eén voor één beginnen ze op Job in te praten.
En dat duurt heel lang:
34 hoofdstukken lang.
We hebben net twee hoofdstukken gelezen, daarna krijg je 34 hoofdstukken,
Waarin Job met zijn vrienden in gesprek is.

Weet je wat zijn vrienden doen?
Ze zeggen tegen Job: Job, er moet vast een reden zijn dat dit jou is overkomen!
1+1 = 2!
Er is vast een reden!

Job, God beloont mensen naar wat ze gedaan hebben!
God beloont goede mensen, en Hij straft mensen die onrecht doen.
Denk eens goed na!
Heb je het niet aan jezelf te danken wat er is gebeurd?
Heb je niet toch iets gedaan om God boos te maken?
Dat moet toch wel zo zijn! Er moet toch een reden zijn dat dit gebeurt?

Job, zou je God niet om vergeving vragen? Misschien dat het dan weer goed komt.

Job, jij was altijd zo sterk naar anderen toe. Waarom geef je het op als jou zelf iets overkomt?

Job, het komt allemaal wel weer goed! Wacht maar af!
Als je maar genoeg geloof hebt.

Job, klaag niet zo! Doe niet zo boos! Dat kan toch niet?
Dat kan je toch niet allemaal zeggen tegen God?
Dan roep je het over jezelf af!
Job, wie ben jij dat jij God op het matje wil roepen?

En zo gaat het maar door en door,
En ze hebben steeds minder geduld met Job.
Want Job blijft het volhouden: ik sta in mijn recht.
Ik mag boos zijn!
Ik heb niets gedaan.
Ik heb altijd God de eer gegeven die Hij verdient. Ik heb het niet verdiend!
God, waarom laat U zich niet zien?
Waarom dóet U mij geen recht?

Eén van de mooiste stukjes uit dit Bijbelboek vind ik een gedeelte dat midden in het boek staat.
Dat begint met een klacht!
Job zegt:
15Met een rouwkleed heb ik mij bedekt,
mijn aanzien ligt begraven in het stof. Ik ben alles kwijt!
16Mijn gezicht ziet rood van tranen,
over mijn ogen daalt de diepste duisternis,
17ook al kleeft aan mijn handen geen geweld,
ook al zijn mijn gebeden zuiver. Ik heb niks gedaan om dit te verdienen.
18Aarde, dek mijn bloed niet toe,
laat mijn jammerklacht geen rustplaats vinden.

Job wil antwoord!
En dan zegt hij deze woorden, als een geloofsbelijdenis. Hij zegt:

19Maar nog, ondanks dat ik dat zo voel, heb ik in de hemel mijn getuige,
nog heb ik daar mijn pleitbezorger.
20Zijn mijn vrienden soms mijn voorspraak? Moet ik het soms van mijn vrienden hebben? Nee, in tranen zien mijn ogen op naar God.
21Laat Hij oordelen tussen mens en God,
zoals tussen een mens en zijn gelijke.

Het is alsof Job tegen God zegt:
God, het kan toch niet zijn dat U mij aan mijn lot overlaat?
Ik vertrouw erop dat U vóór míj bent.
Ondanks alles wat ik heb meegemaakt.
Mijn vrienden veroordelen me, maar U weet dat ik niets heb gedaan om dit te verdienen.
God, help me toch! Geef me antwoord!

Het boek Job is een moeilijk boek.
Ook moeilijk om te zien waar het naartoe gaat.
Want al die vragen van Job, daar krijgt hij uiteindelijk geen antwoord op.
In het hele boek blijven échte antwoorden uit.
Het zijn zijn vrienden die proberen met antwoorden te komen.
Maar stuk voor stuk zijn het antwoorden waar Job niets mee kan.
Zijn vrienden proberen God te verdedigen.
Als Job zegt: God, U moet wel onverschillig zijn! Ik klaag U aan!
Dan zeggen zijn vrienden tegen Job: dat kan je niet zeggen!
Zo is God niet!

Ik vind dat wel herkenbaar.
Als iemand tegen mij zou zeggen: “Waar is God nou?”,
Dan kan ik misschien wel de neiging hebben om God te verdedigen.
Maar weet je wat het verschil is tussen Job en zijn vrienden?

Job zijn vrienden die praten óver God tegen Job.
En Job, die praat steeds tégen God.
Job roept God aan.
Job zegt: God, geef mij toch antwoord!
Hier ben ik. Met mijn verdriet, met mijn boosheid. Ik snap het niet.
Ik wil van U antwoord.

Als ik daarover nadenk, dan denk ik ook:
Mensen zitten heel verschillend in elkaar.
De één die herkent dat misschien wel:
Dat je dat zo kan voelen: ik wil antwoord!
Ik ben boos, en ik úit dat.
Bij een ander slaat dat misschien meer naar binnen.

Misschien heb je dat zelf ook wel eens meegemaakt,
dat je dat zélf zo voelde, of dat iemand om je heen dat tegen je zei:
Waarom laat God het allemaal toe?
Waar is God?

En ik denk altijd:
Zulke vragen kun je op meerdere manieren stellen!
Sommige mensen vuren die vragen af als een aanval.
Die God van jou, die bestaat niet, want:
Waarom is er anders kwaad in de wereld!?
Eigenlijk maak je er dan ook weer een rekensom van. 1+1 = 2.

Maar wat Job doet, en wat ik mensen ook heb horen doen,
Is die vragen heel oprecht stellen.
Hij begríjpt het niet.
Hij probeert niet te provoceren, ook al liegt het er niet om wat hij zegt!
Zijn vrienden schrikken ervan!
Maar Job uit zijn boosheid, hij uit zijn onmacht, zijn onbegrip.

En die uit hij naar God!
Hij roept naar God om een antwoord!
Hij verlángt náár een antwoord!
Hij laat niet los tot hij een antwoord heeft gekregen.

Áls je je boosheid en je onmacht eruit gooit,
Naar wie kan je dat dan beter doen dan naar God?
Zoals Job doet?

Hij is niet de enige in de Bijbel die dat doet.
Je ziet het ook in de Psalmen.
Zelfs Jezus riep aan het kruis, met de woorden van Psalm 22:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?

Als dat in de Bijbel gebeurt.
Zouden wij dat dan niet mogen doen?
Zouden wij onze vragen niet aan God mogen stellen?
Zouden wij het niet tegen God mogen zeggen als we iets niet begrijpen?
Of als we boos zijn?
Waarom zou je denken dat God dat niet van ons kan hebben?

En dan, helemaal aan het einde van het boek,
kríjgt Job een antwoord.
God spreekt tot Job. Vanuit een storm!, staat er.
Ik vind het moeilijk om dat voor me te zien,
Maar het is ergens wel een heel indrukwekkend beeld.
God spreekt tegen Job vanuit een storm!
Alsof Hij iets van zijn grootheid laat zien aan Job!

Het is ook indrukwekkend wat God tegen Job zegt.
Al is het ook heel anders dan je zou denken!
Want God zegt niets over al die dingen waarvan Job hem beschuldigt.
Hij gaat daar niet op in!

God vertelt aan Job over de Schepping.
Hij zegt tegen Job:
Kijk naar de wereld om je heen.
Kijk hoe groot die is.
Kan jij alles bevatten?
Was jij erbij toen die wereld werd gemaakt?
Kan jij alles doorgronden?
Kán jij alles begrijpen?

En Job weet niet wat hij moet zeggen.
Hij zegt:
Nee, ik wás er niet bij, toen U de wereld maakte.
En ik kan niet alles doorgronden.
Wie ben ík, dat ik dat zou kunnen?

Aan de ene kant is het antwoord van God heel onbevredigend.
Want een écht antwoord komt er niet.
Geen 1+1 = 2.
Job wordt zelfs een beetje op zijn nummer gezet door God.
Job, kan jij alles wat ik doe narekenen?
Móet ik mij voor jou verantwoorden?

Maar het antwoord van God doet wel iets met Job.
Het roept bij hem verwondering op, en overgave.
Het enige wat Job kan doen, is zich overgeven aan die grote God, die hij niet helemaal begrijpt.
Het enige wat hij kan doen, is vertrouwen dat die God het goed met hem voor heeft.

Het verhaal van Job is het verhaal van iemand die alles is kwijtgeraakt,
Maar die ondanks alles niet zijn geloof in God loslaat.
Job was boos, hij klaagde God aan.
Hij nam geen genoegen met de halve antwoorden van zijn vrienden.
Maar hij bleef ook hopen en wachten op een antwoord.
Hij bleef wachten en hopen op God.

Het is wel een boek dat óns uitdaagt!
Het is een boek dat tegen óns zegt: geloof is niet altijd 1+1 = 2.
Nu weet je het antwoord, nu is het goed.

Het is een boek dat óns uitdaagt om ook met onze vragen, en ons verdriet, en onze boosheid, wel naar Gód toe te blijven gaan.
We hoeven het niet glad te strijken.

Het is een boek dat ons vooral uitdaagt om niet óver God te praten,
maar om mét God te blijven praten.
Want dat was wat Job bleef doen. Wat zijn vrienden ook zeiden!
Misschien dat zijn vrienden met hun al te gemakkelijke antwoorden zelfs wel tussen Job en God in gingen staan!

En Job krijgt vervolgens niet alle antwoorden.
Maar God laat zich wel aan hem zien, in zijn worsteling.

Dát is waar het verhaal van Job over gaat:
Dat je God mag blijven zoeken.
Ook mét je vragen. Ook mét je boosheid.

En als christenen geloven wij dat wij een God hebben die ons zó kent!
Een God hebben die, ondanks dat Hij zo groot is,
Ook klein werd, en een mens werd.
Een God die naar ons toe kwam, in Jezus.
Jezus, die het net als Job uitroept:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten!

En die laat zien dat juist door het lijden heen, door de dood heen,
God ons niet loslaat.

Op die God vertrouwen, dat is geen rekensom.
Het is misschien nog wel het meest overgave.
Het is niet vasthouden, dat is vastgehouden worden.
Het is vertrouwen dat wij die God, die wij niet altijd begrijpen,
Dat wij Hem aan het hart gaan.
Meer dan wij denken.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *