Klagen mag
Klagen mag

Klagen mag

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

De oudsten zijn verdwenen uit de poort, de jeugd staakt het snarenspel.
De vreugde is verdwenen uit ons hart, onze reidans is veranderd in rouw.

Het zijn twee verzen uit het einde van het boek Klaagliederen.
Verzen die in deze tijd ineens heel erg dichtbij zijn gekomen, ook voor ons.

Hoe houd jij het vol, in deze tijd?
Waar kun jij je aan vasthouden?
Heb je niet ook zo dat verlangen, naar dat het weer wordt zoals het was?
Dat je geen afstand meer hoeft te houden van de mensen die je lief zijn?
Dat je er niet bij na hoeft te denken om naar de bioscoop te gaan,
of naar de supermarkt, of naar vrienden, familie, of naar de kerk?

Maar wat móet je daarmee, met dat verlangen?
Het is hoop. En hoop is iets goeds.
Maar hoop betekent ook dat je op dit moment des te meer het gevoel hebt dat het allemaal níet kan.
En die hoop is ook zo onzeker.
Kómt het wel weer goed? Wordt het wel weer zoals het was?

Vandaag is de dienst voor mensen die er helemaal doorheen zitten.
En voor mensen die er misschien wel helemaal doorheen zitten,
maar die dat eigenlijk niet zo beseffen.
Om eens te proeven hoe het nou echt met je gaat.
Hoe houd jij je staande in deze tijd?
Wat als het even níet lukt om sterk te zijn?

Om die reden wil ik vandaag met jullie lezen uit dat indrukwekkende boek uit de Bijbel:
Klaagliederen.
De titel spreekt al voor zichzelf!
Het boek is één grote klaagzang naar God.
Een uiting van wanhoop, van verdriet.
Het is een Bijbelboek waarin er geen doekjes om worden gewonden.
Degene die het schrijft, uit zijn wanhoop naar God,
om wat hem en de stad waar hij woont, Jeruzalem, is overkomen.
Die stad is namelijk veroverd, verwoest door de soldaten van koning Nebukadnessar.
Mannen en vrouwen, jong en oud, zijn gedood.
Anderen zijn in gevangenschap, in slavernij, weggevoerd.
De lijken liggen op de straat.
Er lopen kinderen rond die niks te eten hebben.

Helaas is het een beeld dat we in deze tijd nog steeds maar al te goed kennen.
Als je je TV aanzet, en de beelden ziet van wat er in landen ver weg gebeurt.
Jemen. Syrië. Mali, Soedan. Ethiopië.

En toch is dat níet de reden dat ik vandaag met jullie uit dit boek wil lezen.
De reden is, dat dit boek, bewust of onbewust, voor ons ook heel dichtbij is gekomen in het afgelopen jaar.
Wij leven niet in een oorlogssituatie.
We hebben het nog ontzettend goed, vergeleken met andere mensen op de wereld.
Maar dat mag je laten staan, aan de ene kant.
En aan de andere kant beseffen:
het is wel een moeilijk jaar, een moeilijke tijd, voor ons allemaal.
Het is goed om dat te onderkennen. Om daar niet aan voorbij te gaan.
En het mag best, zo laat dit boek zien,
Dat als de moed je in de schoenen zinkt, dat je dat durft te uiten naar God.

Ik wil gewoon met jullie beginnen met lezen, een paar gedeeltes uit Klaagliederen, hoofdstuk 1:

1Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad.
Een weduwe is ze geworden, zij die groot was onder de volken,
de vorstin van de gewesten is tot slavernij vervallen.
2Heel de nacht weent zij, haar wangen zijn nat van tranen.
Er is niemand die haar troost, niemand van haar vele minnaars;
geen vriend bleef haar trouw, allen zijn haar vijandig gezind.
3Juda is verbannen na een tijd van nood en zware onderdrukking;
zij zit neer te midden van de volken, maar vindt geen rust:
haar vervolgers belagen haar, drijven haar in het nauw.
4De wegen naar Sion treuren, er zijn geen feestgangers meer.
Haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten,
haar meisjes zijn bedroefd. En zijzelf: bitter is haar lot.
5Haar vijanden zijn heer en meester, zo zeker van zichzelf.
De HEER heeft haar dit aangedaan om haar vele overtredingen.
Haar kinderen zijn gevangen weggevoerd, voor de vijand uit.
6Sion heeft al haar glans verloren.

11Alle inwoners zuchten en steunen, op zoek naar wat brood,
ze ruilen hun kostbaarheden voor voedsel, om weer levenskracht te krijgen.
– HEER, zie mij, merk toch op hoezeer ik word veracht.
12Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet? Merk toch op en zie:
ís er leed als het leed dat mij wordt aangedaan,
dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort?

16Hierom ween ik, hierom baden mijn ogen in tranen.
Oneindig ver weg is mijn trooster, die mij levenskracht geeft.

Als jou iets ergs overkomt, dan ga je zoeken naar antwoorden.
Want aan antwoorden kun je je vasthouden.

Je hebt het vast wel eens gezegd, of gedacht:
Deze crisis, deze tijd, is ook wel ergens goed voor.
Het zet ons stil, bij wie we werkelijk zijn, bij wat er werkelijk toe doet.
Misschien is het de bedoeling dat we er een les van leren.
Hoe we omgaan met de natuur, bijvoorbeeld.
Ineens zie je veel minder vliegtuigstrepen in de lucht.
En de lucht is duidelijk schoner.

Het zet ons stil, bij hoe kwetsbaar wij eigenlijk zijn, als mensen.
Dat het leven niet maakbaar is.

En op zoek naar zulke antwoorden, kun je ook nog een laag dieper gaan:
Er zijn mensen die de vraag stellen: is deze crisis soms een oordeel?
Een oordeel van God?
Heeft God deze crisis gewild? Waarom dan?
En daar schuilt een gevaar in.
Dat gevaar is dat je dat zélf gaat invullen: waarom God ons dan oordeelt.
Er zijn mensen die dat heel precies weten.
Omdat we niet meer genoeg geloven.
Of omdat alles maar kan, alles maar mag, in deze tijd.
Om hoe we met onze naasten, met de Schepping omgaan.
Wat daarbij opvalt, is dat mensen gebruiken het idee dat deze crisis een oordeel is,
vaak vooral om hun eigen punt kracht bij te zetten.
Iets dat ze vóór corona ook al riepen.
Als je niet oppast, dan span je op die manier God, én deze coronacrisis, voor je eigen karretje.

Mensen hebben behoefte aan antwoorden, als we met tegenslag te maken krijgen.
We willen een reden zien waaróm iets gebeurt.
Zoals de vrienden van Job, een figuur uit de Bijbel.
Job is alles kwijtgeraakt. Hij zit daar, berooid, en alleen.
En zijn vrienden komen naar hem toe, en zeggen tegen hem:
Je zult wel iets verkeerds gedaan hebben, om dit over jezelf af te roepen!
Zij zien wat Job overkomt, als een oordeel van God.
Maar Job blijft weigeren om het zo te zien. Hij blijft klagen en roepen naar God:
waar heb ik dit aan verdiend? Nergens aan!
Waarom straft U mij?

En dat is wat de schrijver van het boek Klaagliederen ook doet.
Hij roept het uit naar God: dóet het U dan niks?
Ziet U dan niet wat er gebeurt met Uw volk?
Waarom laat U ons in de steek?
Al die kinderen, die geen eten meer hebben?
Een stad die in puin ligt?
Ráákt het U dan niet?

Ik lees met jullie verder: een paar verzen uit hoofdstuk 2, vanaf vers 19:

19Weeklaag in de nacht, jammer tot aan de ochtend,
stort je hart uit als water, ten overstaan van de Heer.
Hef je handen naar hem op, voor het leven van je kinderen,
die op elke straathoek van honger versmachten.
20HEER, zie mij, merk toch op wie u dit aandoet.
Moeten vrouwen de kinderen eten die ze zelf hebben gebaard?
Moeten priester en profeet worden gedood in het heiligdom van de Heer?
21Op straat liggen de lijken van mannen, jong en oud,
mijn meisjes en mijn jongemannen zijn gevallen door het zwaard;
u doodt hen op de dag van uw toorn, meedogenloos slacht u hen af.
22U riep mijn ergste vijanden bijeen, als was het een feestdag.
Op de dag van de toorn van de HEER kan niemand ontkomen, niemand overleeft;
de kinderen die ik baarde en grootbracht, worden door mijn vijand gedood.

De schrijver van het boek Klaagliederen róept het uit naar God:
Waarom doet U niets?
Waarom bent U boos op ons?
Want dat kan toch de enige reden zijn dat U dit laat gebeuren? Dat U boos bent?
Zie ons toch, merk ons toch op!
Laat ons niet in de steek, God!

Heb je je wel eens zo wanhopig gevoeld, dat je op die manier hebt gebeden?

Mag je boos zijn op God, vind je?
Mag je boos zijn, verdrietig zijn, om alles wat er nu gebeurt?
Om dat je leven er zó anders uitziet?
Mag je het uitroepen: waarom?

Of móet je dan van jezelf denken: het zal wel een reden hebben?
Praat je het goed?
Mág je ontzettend balen van de situatie waar we nu in leven?
En mag je die woede, die onmacht, dat verdriet, mag je die van jezelf uiten naar God toe?

Een virus, dat niemand kan zien, houdt ons al een jaar in zijn greep.
We zijn steeds bang.
Boos, misschien wel.
En verdrietig.
Aan het einde van ons kunnen. Moe. Veel meer kan er niet bij.
We durven nauwelijks meer te hopen dat het weer wordt zoals het was.
Als er een oplossing lijkt te zijn,
dan is er ineens weer een variant op het virus die die hoop de kop in lijkt te drukken.

We kennen mensen die zijn overleden aan het virus.
En mensen die er blijvende gevolgen aan over hebben gehouden.

De gevolgen van de maatregelen zijn nét zo heftig.
Dat je niet zomaar elkaar een knuffel kan geven.
Dat je niet zomaar bij je kinderen of je kleinkinderen, je ouders of opa en oma, je vrienden, op bezoek kan.
Ik spreek door de week mensen, die hun kinderen al maanden, of een half jaar, niet hebben kunnen zien.
Dat je constant afstand moet houden.
Zelfs afstand moet houden van mensen die eenzaam zijn, mensen die ziek zijn, mensen die op sterven liggen.

Dat we al bijna een jaar niet bij elkaar kunnen komen als gemeente.
Met elkaar zingen, en bidden.
En koffie drinken.
Dat je de dienst vanuit je huis moet volgen.
Laten we eerlijk zijn: daar word je op den duur toch ook zat van?

Dat je je kinderen regelmatig thuis les moet geven.
Of ze moeten onder hele strenge maatregelen naar school.
Dat je je pubers moet zien te blijven motiveren.
En zien dat ze lijden onder dat ze hun leeftijdsgenoten niet kunnen zien.
Je werk, je zaak, die ontzettend slecht loopt.
Dat het je bij de handen afbreekt.
Al je creativiteit, die je erin stopt, en die maar zo weinig uithaalt.
Je kunt niet op vakantie.
Geen nieuwe mensen ontmoeten.

Het ís een moeilijke tijd waarin we leven.
Je kunt elkaar moed blijven inpraten.
Maar dat kan maar tot zó ver.

Soms moet je ook de moed hebben om met elkaar te zeggen:
God, we vinden het moeilijk!
We zijn verdrietig.
We balen er gewoon ontzettend van!
Het is een last op onze schouders, die we moeilijk vinden om te dragen.
Een last, die ons stukje bij beetje, bewust of onbewust, steeds meer vermoeit.
Ons teneergeslagen maakt.

Want als je dat niet doet, dan kun je twee verschillende dingen doen:
Je kunt je boosheid, je verslagenheid inslikken.
Maar dan is er het gevaar dat het naar binnen slaat.
Dat je moe wordt. En kortaf.
Dat je je af gaat reageren op je man of vrouw, je kinderen, of je ouders, je collega’s.

Of je kunt het naar buiten richten.
Dat je boos wordt op alles en iedereen.
Zoals die jongeren die protesteerden tegen de avondklok,
die hun boosheid uitten met vandalisme en geweld.

Het is belangrijk dat je het durft te zeggen.
Dat je verdrietig bent.
Dat je het moeilijk vindt.
Dat je hé-lé-máál zat bent.

De schrijver van Klaagliederen, die heeft vijf hoofdstukken nodig,
waarbij hij in elk hoofdstuk het hele Hebreeuwse alfabet afklaagt.
Dat zie je niet in de Nederlandse vertaling.
Maar elk vers begint met een nieuwe letter.
Mocht je een Bijbel voor je hebben, kijk dan maar eens goed:
Hoofdstuk 1, 2, 4 en 5, die hebben alle vier precies 22 verzen.
Evenveel als er letters zijn in het Hebreeuwse alfabet.
En hoofdstuk 3 heeft er 66. Drie keer 22.

Dat betekent dat hij niets van zijn boosheid, zijn verdriet, zijn onmacht wil overslaan.
Het mag er zijn. Het móet er zijn.
Het moet eruit!
Allemaal.
Juist dat hij naar God zijn verdriet kan uiten,
Juist dat hij zich tegenover God niet beter hoeft voor te doen dan hij is,
dát geeft hem ruimte.
Ruimte om weer even te ademen.
En God kan het van hem hebben. Daar vertrouwt hij op.
En zo niet, dan nóg móet hij het kwijt!
Al het leed dat hij om zich heen ziet,
de gevolgen van die verschrikkelijke oorlog die er in zijn land is geweest,
dat móet eruit.
En áls het er uit is, na drie hoofdstukken,
Dan pas komt er ruimte voor iets anders.
Midden in het boek. Hoofdstuk 3, vanaf vers 17.

17Mijn leven is verstoken van vrede, geluk is mij vreemd geworden.
18Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.

21Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast:
22Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven!
Zijn ontferming kent geen grenzen.
23Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!
24Ik besef: mijn enig bezit is de HEER, al mijn hoop is op hem gevestigd.
25Goed is de HEER voor wie hem zoekt en alles van hem verwacht.
26Goed is het, geduldig te hopen op de HEER die redding brengt.

Pas na een Klaagzang van drie hele hoofdstukken, komt er ruimte.
Ruimte om te zeggen:
Ik ben teneergeslagen.
Maar ik geef de hoop niet op.
Ook al kan ik het niet rijmen met wat ik zie, met wat ik meemaak.
Toch blijf ik zeggen:
Genadig is de Heer. Goed is de Heer!
We zijn nog in leven!

Hij zingt een loflied voor God.
U bént een God die ons ziet.
Die het goed met ons voorheeft.
Dat is wat mij moed geeft, en kracht, om door te gaan.
Ook al kan ik het niet rijmen met wat ik zie.
Daar wil ik me aan vasthouden.

Maar dat kan er alleen zijn, als hij ook tegen God heeft durven zeggen, heeft kunnen zeggen wat hem dwars zit.
Hij kan niet zomaar over zijn verdriet heenstappen.
God vraagt niet aan hem om te doen alsof er niks aan de hand is.
Hij kan niet zomaar heenstappen over alles wat hij heeft gezien, heeft meegemaakt.

En zelfs dan, zelfs na dat loflied, gaat hij gewoon weer verder met zijn klaaglied.
Tot en met hoofdstuk 5, het einde van het boek.
Waar hij zegt:
Maar u, HEER, zetelt voor eeuwig, uw troon staat vast van geslacht op geslacht.
U bent er altijd.
Waarom zou u ons voorgoed vergeten, ons voor altijd verlaten?
Breng ons terug bij u, HEER, laat ons terugkeren, laat het ons gaan als voorheen.

En dat laatste, dat is precies ons gebed.
Breng ons terug bij U, Heer.
Laat het leven weer goed zijn. Weer gewoon.
Laat het ons gaan als voorheen.
Daar mogen we om bidden.
Daar mogen we ook op hopen. Dat God ons niet loslaat.

Waarom is dat nou nodig?
Waarom moet die schrijver van Klaagliederen na hoofdstuk drie nog zo nodig doorgaan met klagen?
Nou, omdat de situatie niet verandert!
Pas na 70 lange jaren keert het volk dat in gevangenschap is weggevoerd langzaam weer terug.
En dan begint eerst nog de wederopbouw.

Ze hebben een hele moeilijke tijd vóór zich.
Het is nog niet klaar. Zoals het bij ons ook nog niet klaar is.
We hopen dat er een einde komt.
Maar hoe het loopt, dat weten we nog niet.
Het zou fijn zijn als we konden zeggen: volgende week is het klaar.
Of: over een paar maanden.
En dat hopen we… (gebaar lege handen?)

Maar in de moeilijkheden waarin de mensen zich bevinden,
geeft het ze ruimte als ze hun verdriet kunnen uiten naar God.
Ruimte om toch een stukje houvast te vinden.
Niet bij zichzelf.
In hun eigen kracht.
En ook niet in antwoorden. Waaróm het lijden op ze afkomt.
Want die antwoorden zijn er niet.

Aan het einde van het boek, in het laatste vers,
roept de schrijver het nog een keer uit:
Uw woede, Uw boosheid moet wel onbegrensd zijn.
Dat U dit allemaal laat gebeuren aan ons!

Maar dat zegt hij juist, omdat hij weet dat het niet zo kán zijn.
Zo kent hij God niet.
Als een God die altijd boos blijft.
Die mensen maar aan hun lot overlaat.
Het is alsof hij zegt: dat kúnt U toch niet doen?
Zo bent U toch niet?
Er móet toch hoop zijn?

Hij weet het niet meer.
Hij ziet geen uitweg, dan zijn verdriet, zijn onmacht, uiten naar God.
Juist dát je dat doet, zegt iets over hoe je kijkt naar God.
Het zegt dat je gelooft dát het God iets kán schelen.
Dat je gelooft dát God erom geeft.

Je hoeft met gemakkelijke antwoorden geen genoegen te nemen.
Je mag de tijd waarin we leven moeilijk vinden.
Je mag, bij God, boos, en verdrietig zijn.

Omdat je weet: God is goed.
Hij kan het van je hebben.
Je gaat hem aan het hart.
Ook jouw omstandigheden gaan hem aan het hart.
Niet alleen die van mensen ver weg, die het nóg moeilijker hebben.
Die van hen ook.
Maar die van jou ook.

En daarom wil ik deze overdenking afsluiten met nog één gedeelte uit de Bijbel,
uit het Nieuwe Testament.
Mattheüs 11:28-30.
Dit keer wil ik de woorden voor zichzelf laten spreken.
Woorden om je aan vast te houden, als je het moeilijk hebt.

Jezus zegt:
28Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan.
Dan zal ik jullie rust geven.
29Neem mijn juk op je en leer van mij,
want ik ben zachtmoedig
en nederig van hart.
Dan zullen jullie werkelijk rust vinden,
30want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.