Jongerendienst: Ik geloof, geloof ik

Tekst: Mattheüs 14:22-33

In God geloven is best wel iets bijzonders.
Je wordt er niet mee geboren.
Je gaat geloven omdat andere mensen je over God vertellen,
En hun geloof voorleven.

Als ik kijk, door de jaren heen,
Dan hebben heel veel mensen iets bijgedragen aan mijn geloof in God.
Het begon bij mijn ouders,
Die verhalen met me lazen uit de Kinderbijbel,
en ‘s avonds een gebedje met me baden,
En die me meenamen naar de kerk.
En mijn leraren op school, die Bijbelverhalen vertelden.

Later waren het mijn vrienden.
Bij de catechisatie bijvoorbeeld, gingen we met elkaar nadenken over God, en over allemaal verschillende thema’s.
En mijn zus gaf me een keer een heel mooi boek over God, waar ik heel veel van heb geleerd.
Met mijn studievrienden heb ik hele diepe gesprekken gehad over God,
En ik leerde om samen met andere mensen te bidden.

Als je erover gaat nadenken,
dan is geloven best wel wonderlijk.
Je doet het niet één-twee-drie.
Het is niet iets dat erbij hoort.
In elk geval in deze tijd niet meer.
Het is tegen de stroom ingaan.
Je kiest er bewust voor om God een plek te geven in je leven.
Omdat je ziet wat geloven doet met mensen om je heen.

En daarom is het ook heel belangrijk om mensen te hebben die een voorbeeld zijn voor jou.
Mensen tegen wie je opkijkt. Van wie je zegt: zó zou ik ook willen geloven!

Heb jij iemand die voor jou een geloofsheld is?
Iemand die echt een voorbeeld voor je is?
Waar je tegen opkijkt?

Petrus had dat wel.
Hij was een van de leerlingen van Jezus.
Toen hij jong was hadden zijn ouders en de mensen om hem heen hem verteld over God.
Hem de verhalen geleerd uit de Joodse Bijbel,
En hem geleerd om zich aan de regels te houden die horen bij geloven in God.
Maar op een dag, toen Petrus met zijn vader en broer aan het vissen was,
kwam Jezus langslopen. En hij zei: Kom, volg mij!

Petrus was ontzettend nieuwsgierig naar Jezus.
Hij keek ontzettend naar hem op, en wilde heel graag van hem leren.
Maar toch durfde Petrus niet helemaal.
Toen Jezus hem riep om met hem mee te gaan, zei hij:
Laat me maar. U bent beter af zonder mij.
Ik ben het helemaal niet waard om U te volgen.

Het laat wel een beetje zien wie Petrus was.
Aan de ene kant wilde hij heel graag met Jezus meegaan, en van Hem leren.
En aan de andere kant was hij bang.
Bang om fouten te maken,
Bang dat hij niet genoeg geloofde.
Daar zit wel iets herkenbaars in.
Het is best spannend, om te zeggen dat je in God gelooft.
Ik weet nog wel dat ik op de middelbare school zat.
En mijn klasgenoten wisten wel dat ik geloofde,
maar we hadden het er niet zoveel over.
Totdat we bij Godsdienst moesten vertellen over waar we onszelf door laten leiden in dit leven.
En ik vertelde dat ik geloofde dat Jezus uit de dood was opgestaan.
Geloof je dat echt, vroeg iemand?
En ik zei, heel zachtjes: ‘ja’. Ik durfde dat eigenlijk niet zo goed te zeggen.
Toch vonden mensen het niet gek dat ik dat zei, zoals ik verwacht had.
Ze hadden er wel respect voor.

Hoe kun je zeker weten dat God er is?
Je kunt niet bewijzen dat Hij bestaat.
En dat maakt geloven iets heel erg lastigs.
Naar andere mensen toe, en ook in de kerk.
Sommige mensen durven geen belijdenis te doen bijvoorbeeld,
Omdat ze het nog niet zeker weten.
Misschien vinden ze van zichzelf dat ze niet genoeg geloven.
En soms is het heel spannend om aan je vrienden te laten weten dat je gelooft.

Toch laat Jezus het er niet bij dat Petrus zegt: ik geloof niet genoeg.
Hij zegt tegen hem: jij vist nu naar vis,
Maar ik zal jou een visser van mensen maken.
Door jou heen zullen heel veel mensen God leren kennen!
Bijzonder hè, dat Jezus juist zo iemand als Petrus uitkiest!
Heel vaak denken we dat God alleen iets heeft met mensen die rotsvast geloven.
Maar wat God wil, is mensen die durven zeggen:
Ik heb uw hulp nodig. Ik red het niet alleen.
Daarover gaat het Bijbelgedeelte dat we hebben gelezen.
Ook dat verhaal gaat over Petrus.
We zijn inmiddels wel een stuk verder.
Petrus en de andere leerlingen hebben een tijd met Jezus opgetrokken,
En ze hebben veel van hem geleerd, en ze hebben Jezus wonderen zien doen. Bijvoorbeeld hoe hij mensen heeft genezen.
En vlak voordat ze gaan varen, heeft Jezus meer dan 5000 mensen te eten gegeven met vijf broden en twee vissen.
Stel je eens voor! Als wij eens zoiets zouden zien!
Dan zou geloven niet meer zo moeilijk zijn, zou je denken.

Op een gegeven moment zegt Jezus, varen jullie maar vast uit,
naar de overkant van het meer.
Ik kom later wel.
Jezus wil nog even de tijd nemen om alleen te bidden.
En de leerlingen gaan op weg.
Maar al gauw wordt het donker.
Het waait hard, en de golven slaan tegen hun kleine scheepjes.
En dan zien ze ineens iemand lopen over het water.
Ze schrikken gigantisch. Een geest!, roepen ze.
Maar het is Jezus, en hij roept naar ze:
Ik ben het! Wees niet bang!

Je zou zeggen dat de leerlingen al zoveel hebben gezien van Jezus,
Dat ze geen moment meer aan hem twijfelen.
Maar toch blijven ze bang, zelfs als Jezus zegt dat dat niet hoeft.

Er is één leerling die iets heel dappers doet. Petrus.
Hij keek naar Jezus op, en hij wilde van hem leren.
Hij wilde net zo’n groot geloof hebben als Jezus.

En daarom zegt hij: Heer, als U het echt bent,
Zeg dan dat ik over het water naar U toe moet komen!
Jezus zegt: kom!
En Petrus, die stoere sterke visser, stapt heel voorzichtig uit de boot,
En hij probeert naar Jezus toe te lopen.

Ik vind dat ontzettend knap van Petrus.
Ik zou dat echt niet durven, zomaar uit de boot op het water stappen!
Over geloof gesproken!
Geloven is eigenlijk hetzelfde als vertrouwen.
Petrus weet dat het niet kan, om op water te lopen.
Maar blijkbaar vertrouwt hij zo op Jezus,
Dat als Jezus het zegt, hij het aandurft.

Voor eventjes. Want dan ziet Petrus hoe hoog de golven zijn.
Hij voelt hoe hard de wind gaat.
Hij ziet hoe het bootje een eind van hem afligt.
Hij denkt: ‘dit kan niet, wat ik doe!’
En langzaam begint hij te zinken.
Petrus twijfelt.
Hij gelooft wel in Jezus, maar toch weet hij het niet zeker.
Wat hij doet, op water lopen,
dat gaat in tegen alles wat hij mogelijk acht.

Zo kan geloven ook wel voelen. Een beetje gek.
Misschien bid je wel eens, als je alleen bent.
Je legt je dag bij God neer.
En, ik denk dat iedereen dat wel eens heeft als je bidt:
Dat je ineens denkt: praat ik nou tegen de muur, of tegen mezelf?
Misschien houd ik mezelf wel voor de gek!
Hoe weet ik dat er een God is, die naar me luistert?
Hij geeft geen antwoord terug!
Hoe kun je weten dat God er is?
Dat weet je niet. Je kunt er alleen op vertrouwen.
Zoals je erop vertrouwt dat je auto het blijft doen,
als je een eind gaat rijden.
Je auto kan stuk gaan,
maar het werkt niet om daar steeds over in te zitten.
Dan kun je niet meer relaxt in de auto zitten.
Vertrouwen is iets heel erg belangrijks.
Het is iets dat je als kind al meekrijgt, een stuk basisvertrouwen.
Je leert erop te vertrouwen dat je vader of moeder van je houdt,
en voor je zorgt.
Geloven is ook vertrouwen.
Dat, ook als je hem niet ziet, of hoort, God er wel is.
Dat Hij van je houdt.

Op sommige momenten weet je heel sterk dat God er is.
Maar op sommige momenten merk je er niets van.
Ik probeer dan vast te houden aan die momenten dat ik wél iets van God heb ervaren.
Bijvoorbeeld toen ik een keer heel erg bang was,
Dat ik ineens, uit het niets, een smsje kreeg van iemand: ik bid voor je.
Of dat ik op een moment dat ik dat nodig had,
geraakt werd door Gods liefde,
Door een Bijbeltekst of een lied.

Voor mijzelf is een reden om te geloven,
Ook dat ik het wíl geloven.
Ik vind het ontzettend bijzonder om te geloven dat er een God is die mij liefheeft,
Die zelfs zijn eigen leven voor mij overheeft.
Die God is het waard om mee te leven, denk ik dan!

Dat klinkt misschien gek.
Houd je jezelf dan misschien niet voor de gek?
Ik denk het niet.
Het christelijk geloof is echt niet zo gek, of zo vreemd als het klinkt.
Natuurlijk, er staan hele wonderlijke dingen in de Bijbel.
Maar zijn die nog zo wonderlijk als je gelooft in een God die alles heeft gemaakt?

Daarnaast vind ik het net zo’n gek idee als alles toeval zou zijn.
Dat er geen God achter alles zou zitten.
Als je kijkt hoe mooi een mens, of de natuur in elkaar zit.

Je kunt het niet bewijzen.
Maar je kunt wel kiezen om erop te vertrouwen dat Hij er is.
Zoals Petrus ervoor kiest om uit de boot te stappen,
En richting Jezus te lopen.
Als je het zo bekijkt, dan is geloven best wel stoer.
Het is een stap durven zetten, terwijl je niet weet wat er gaat gebeuren.

En ook voor ons komen er wel momenten dat we gaan twijfelen.
Dat we zien hoe hoog de golven zijn,
Hoe hard de wind waait.
Maar dat is niet erg.
Als Petrus begint te zinken, roept hij hard: Heer, red mij!
Jezus pakt zijn hand.
En, zo stel ik het me voor, met een glimlach op zijn gezicht, zegt hij:
Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?
Dat was niet nodig, ik was er de hele tijd.

Net zo mogen wij, als we wel eens twijfelen,
dat ook gewoon tegen God zeggen.
Heer, ik weet niet zeker of U er bent.
Wilt U me helpen om dat wel te zien.
Wilt U me helpen om op U te vertrouwen?

Twijfelen is niet erg.
Zolang je maar wel probeert te vertrouwen.
Probeert die boot uit te stappen.
Waag het er gewoon eens op!
Durf eens op je neus te gaan, zoals Petrus!
En zoek mensen die je daarbij op weg helpen.
Mensen die een voorbeeld voor je zijn.
Daarvoor zijn we een kerk, om elkaar te helpen geloven.

En als je wel eens twijfelt, bedenk:
God is bij je, en alles wat je hoeft te doen, is tegen Hem zeggen:
Heer, help me om op U te vertrouwen!
Hij houd jou vast, zelfs als jij Hem niet vast kunt houden.
En dat blijft hij doen. Dat heeft Hij beloofd.

Amen.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *