Johannes de Doper

Vandaag is het de tweede adventszondag.
Ik moet eerlijk bekennen dat advent voor mij nooit zo heel veel betekenis had.
Het was de tijd voor kerst, dat wist ik wel,
maar verder deed ik er niet zoveel mee.

Totdat ik een tijd terug een boek las over het kerkelijk jaar,
en vooral over de betekenis van het kerkelijk jaar in de vroege kerk.
Dat boek liet me heel anders tegen advent aankijken.
In de vroege kerk had elk deel van het kerkelijk jaar een doel.
Als iemand christen wilde worden,
dan kreeg hij of zij een jaar lang catechese,
en daarnaast werd verwacht dat hij of zij deelnam aan de kerkdiensten. En door het jaar heen werd met behulp van het kerkelijk jaar de basis uitgelegd van het christelijk geloof.

De betekenis van advent was toen meer dan alleen de aanloop naar kerst.
Advent was een tijd waarin je je heel bewust op God richt.
Waarin je kijkt wat er tussen jou en God instaat,
en waarin je God vraagt om niet alleen op zondag,
maar in heel je leven aanwezig te zijn.
Door dat te doen kun je je geestelijk voorbereiden op kerst,
op de komst van Jezus.

Advent is voor ons vaak vooral een tijd waarin we allemaal door drukte in beslag worden genomen,
en waarin je geestelijk leven misschien juist wel op een laag pitje komt te staan.
Gisteravond vierden veel mensen sinterklaas.
Er zijn veel verjaardagen in deze tijd van het jaar.
Je begint vast na te denken over de kerstinkopen en hoe je kerst gaat vieren.

Allemaal hele leuke dingen, maar ze nemen veel tijd in beslag.
En ondertussen heb je nog veel andere verplichtingen:
op je werk of op school zijn er vaak allemaal deadlines vlak voor kerst,
dingen die je af moet maken.
Als je op de middelbare school zit heb je misschien wel een toetsweek.
En doordat de dagen korter worden heb je ook nog minder energie.
Hoe kun je in deze drukke tijd de tijd vinden om je op God richten?
Hoe kun je openstaan voor zijn ‘komst’,
Voor zijn aanwezigheid in jouw leven?

Daarvoor wil ik met jullie kijken naar Johannes de Doper.
Over hem hebben we vanochtend gelezen.
Er wordt van hem gezegd dat hij een roepende is in de woestijn.
Zo kan advent voelen. Als een woestijn.
Een tijd waarin je door drukte,
of door alles wat je om je heen en in de wereld ziet gebeuren,
juist erg weinig van God ervaart.
Waarin het erg moeilijk is om Hem te betrekken in je leven.

Wie is Johannes de Doper?
Misschien weet je al wel meer over hem,
maar als je nog nooit van hem gehoord hebt,
dan lijkt het waarschijnlijk een vreemd figuur.

Op het moment dat Johannes er was, wisten de mensen zelf niet eens wie hij was of wat hij kwam doen.
Voor hen was het leven ook als een woestijn.
Al eeuwenlang werd Israël, het land waar ze woonden,
door de een na de ander overheerst.
Eerst door de Grieken, en later hadden ze die met behulp van de Romeinen weten te verdrijven.
Maar dat hielp niet echt, want toen bleken de Romeinen net zo erg te zijn.
Ze moesten hoge belastingen betalen.
Ze mochten niet over zichzelf beslissen.
Ze verlangden zó naar vrijheid,
maar wisten eigenlijk niet meer goed wat het betekende. ->
En ze gingen mee met iedereen die hen die vrijheid beloofde.
Er waren al verschillende mensen opgestaan die zeiden dat ze de ‘messias’ waren, en die hen een gouden toekomst beloofden.

Messias betekent gezalfde.
In het Oude Testament was voorspeld dat er een messias zou opstaan:
iemand die vervuld was van Gods Geest,
en die een verandering kwam brengen in het lot van Israël.
De mensen hoopten op die messias.
Over wat die messias precies zou doen verschilden ze in die tijd wel van mening.
De meeste mensen dachten dat het een politieke leider zou zijn, die hen zou bevrijden van de Romeinen, en die Israël op de kaart zou zetten.

Er waren dus al verschillende mensen geweest die zichzelf messias noemden.
Maar tot nu toe hadden ze meer schade aangericht dan geholpen.
Eén van hen had een opstand georganiseerd tegen de Romeinen,
maar die was bruut neergeslagen.

En in dat alles, in die woestijn én in die verwachting, die hoop,
is daar ineens Johannes de Doper.
Hij draagt een mantel van kamelenhaar,
eet sprinkhanen en honing,
en woont letterlijk in de woestijn.
Vreemder kan het bijna niet, ik denk dat dat net zo goed in die tijd gold als nu. Maar deze vreemde man zegt hele rake dingen.
Dingen die zo raak zijn dat ze de mensen een beetje beschamen,
en die hen een spiegel voorhouden.
Uit de hele omgeving van Jeruzalem komen de mensen naar de Jordaan, waar Johannes preekt en doopt, om naar hem te luisteren.
De meesten komen doordat ze zich aangesproken voelen door wat hij zegt.
Misschien zijn ze ook wel nieuwsgierig:
wie is hij, en waarom zegt hij dit allemaal?

Ook de Joodse leiders in Jeruzalem hebben gehoord van die vreemde man.
Zij sturen hun dienaren erop uit om te kijken wat voor vlees ze in de kuip hebben.
“Wie ben je?”, vragen ze hem direct.
Johannes zegt: ik ben in elk geval niet de messias.
Voor ons lijkt dat een beetje een vreemd antwoord,
maar voor hen was dat precies wat ze hadden verwacht,
dat hij zou beweren dat hij de messias was.
Waarom zou hij anders deze dingen zeggen?

Wie bent u dan?, vragen ze. Bent u soms Elia?
Sommige Joden geloofden dat de profeet Elia terug zou komen,
vlak voor de komst van de messias.
Maar Johannes zegt: ik ben niet Elia, en ook geen profeet.
En dan weten ze het ook niet meer.
Ze vinden deze man maar verwarrend.
Dus vragen ze uiteindelijk maar: wie zegt u zelf dat u bent?

Johannes zegt: ik ben de stem die roept in de woestijn:
maak recht de weg van de Heer, zoals de profeet Jesaja zei.

De tekst die Johannes hier noemt hebben we vanochtend ook gelezen.
Net als het verhaal van Johannes de Doper,
gaat het gedeelte uit Jesaja over een woestijnervaring.
De Israëlieten leefden in gevangenschap in Babel.
Ze waren wel vrij, maar niet vrij om terug te keren naar Israël.

Ze waren lange tijd geleden naar dat land gevoerd,
waar ze een nieuw bestaan op hadden moeten bouwen.
Ver weg van hun huis; ver weg van de tempel van God.
En ze hadden het aan zichzelf te danken.
Steeds opnieuw had God ze gewaarschuwd,
maar steeds weer offerden ze aan andere goden,
of vonden ze rijkdom belangrijker dan het helpen van de mensen om hen heen.

Steeds weer vergaten ze dat ze Gods volk waren,
dat ze juist een voorbeeld moesten zijn voor andere volken.
Zodat anderen God door hen konden leren kennen.
Nu zaten ze hier, in dit vreemde land,
en leek het alsof er een radiostilte was vanuit God.
Alsof God hen was vergeten, net zoals zij God eerst waren vergeten.

Maar God is hen niet vergeten. De profeet Jesaja krijgt een visioen.
“Troost mijn volk’, zegt God tegen Jesaja.
“Vertel ze dat hun schuld is vereffend.
Dat ze genoeg straf hebben ontvangen.”
Ondanks alle eerdere pogingen wil God het opnieuw met ze proberen.
Na alle heftige uitspraken van de profeten,
en na de ballingschap die daarop volgde,
is God niet langer tegen zijn volk gekeerd.
De weg naar de toekomst gaat open.

Jesaja beschrijft een stem, die roept in de woestijn waar Israël in zit:
baan een weg voor de Heer!
Effen in de wildernis een pad voor onze God!
Hij zal jullie uit de ballingschap leiden.
God belooft om een verandering te gaan brengen in de situatie waar Israël in zit.
Hij gaat ze terugbrengen.
En hij belooft dat hij zelf de herder zal zijn die zijn volk met liefde zal leiden.
Een herder die zijn schapen koestert, liefheeft. Voor ze zorgt.
Die boodschap van Jesaja is nu ook de boodschap van Johannes, aan de Israëlieten in zijn tijd:
God gaat een keer brengen in de woestijn waar jullie in zitten!
Er staat iets te gebeuren, dat alles zal veranderen.
Er komt een herder aan, iemand die jullie uit deze woestijn zal leiden.
Iemand die jullie liefheeft, die jullie koestert.
Sterker nog: God zelf zal die herder zijn!

Johannes is gekomen om de weg bereiden voor die belofte.
Hij doet dat op een best wel confronterende manier.
Hij zegt: jullie denken dat jullie niets te vrezen hebben van God,
omdat je in Hem gelooft.
Maar als je geen vruchten voortbrengt die een nieuw leven waardig zijn,
zal het je niks helpen.
Hij roept de mensen op om niet alleen te zeggen dat ze geloven,
maar om God een duidelijke plek te geven in hun leven.

Waarom is hij zo confronterend?
Omdat hij letterlijk de weg komt vrijmaken.
Hij is gekomen om de obstakels die tussen mensen en God inzitten uit de weg te ruimen.
Om ze er bewust van te maken van de dingen die tussen hen en God instaan,
en ze te helpen een nieuwe start te maken.
Advent is een periode om naar je eigen leven te kijken,
het tegen het licht te houden.
Je bewust te worden van het leven dat je leeft.

Zouden wij het aankunnen om iemand als Johannes de Doper tegen te komen?
Die ons vertelt wat de dingen zijn die we echt moeten veranderen?
Want die dingen zijn er.
Dezelfde vragen die Johannes stelt in zijn tijd,
kunnen ook in onze tijd gesteld worden.
Waar leef je écht voor? Wat is het belangrijkste voor jou?
Je zegt te geloven, maar is dat ook zichtbaar in je leven?
Hoe ga je om met je geld, met je tijd?
Wat zijn verkeerde verlangens en gewoontes die je in bedwang houden?
Ik denk dat wij die allemaal wel hebben.

Advent is een tijd om deze dingen onder ogen te komen,
en ze bij God te brengen.
Je zonden en tekortkomingen onder ogen komen is niet onze favoriete bezigheid.
Liever verbergen we de dingen die tussen God en ons instaan, dan dat we ze overgeven aan God.

Advent is een tijd waarin je aan God kunt vragen,
of Hij je wil helpen om te zien wat er niet goed is in je leven;
en om daar dan ook echt mee te ‘dealen’.
Bijvoorbeeld met iets waar je eigenlijk teveel van afhankelijk bent.
Of met een verkeerde verhouding,
of met een ruzie die al veel te lang duurt.
Of met onverschilligheid, of woede.
Dat kan confronterend zijn, om dat onder ogen te komen.
Dat was het ook voor de mensen tegen wie Johannes preekte.

Maar je mag ook weten dat je God kunt vertrouwen als je het bij Hem neerlegt.
Dat je die dingen bij Hem mag brengen.
Kwetsbaar mag zijn tegenover Hem.

Zulke dingen bij God brengen kan juist heel veel opluchting geven.
God staat niet klaar met een opgeheven vinger,
maar met open armen wacht hij tot je bij Hem komt.
Tot je die dingen bij Hem neerlegt, en Hem vraagt om jouw leven te veranderen, beetje bij beetje, met vallen en opstaan.

(…)
Advent is ook een tijd waarin we worden geroepen tot een vernieuwing van ons leven met God.
Soms kunnen onze eigen doelen, ambities en alledaagse verantwoordelijkheden onze gedachten zo vullen,
dat we vergeten om ons op God te richten.
Dat we vergeten om rust in Hem te vinden,
te beseffen dat God de basis is van ons leven.

Maar hoe doe je dat, als je het zo druk hebt?
Als je zo weinig ruimte ervoor hebt in je hoofd?
Als je gedachten worden opgeslokt door alle verplichtingen die je hebt?
Het kan helpen om elke dag, net nadat je wakker wordt
– of juist ’s avonds, als je geen ochtendmens bent –
even 5 minuten de tijd voor God te nemen.
Om even aan zijn voeten te zitten.
Je dag bij Hem neer te leggen.
Wat je gaat doen, of wat je hebt meegemaakt.
Dat hoeft niet lang, en ook niet met hele mooie woorden.
Maar zo je dag even beginnen of eindigen met God kan ervoor zorgen dat je Hem de rest van de dag ook meer betrekt bij wat je doet.
Het helpt je om te beseffen dat de basis voor alles wat je doet in Hem mag liggen.
En gek genoeg geeft dat juist weer nieuwe energie.
Het is die 5 minuten meer dan waard!
In plaats van dat het energie kost,
geeft het juist rust in de drukte van deze tijd.

Advent is een tijd om God te zoeken.
Om Hem te vragen om ons niet aan onszelf over te laten,
omdat we Hem nodig hebben.
Tijdens advent mogen we aan God vragen om ons droge leven aan te raken,
en te vernieuwen, door Zijn kracht.
Mogen we opnieuw gaan zien hoe Hij door ons leven heen wil werken.

Het leven van Johannes de Doper is een voorbeeld,
van hoe God in iemands leven kan werken.
Niet dat we allemaal in de woestijn moeten gaan wonen,
en een mantel van kamelenhaar moeten gaan dragen,
en sprinkhanen met honing moeten eten.

Maar Johannes de Doper is wel een voorbeeld in dat zijn hele leven gericht was op God.
Johannes wilde geen enkele eer voor zichzelf.
Hij liet alles wat hij had en wie hij was wijzen naar Jezus,
en hield niets voor zichzelf.
Hij laat ons zien hoe onze relatie met Christus eruit mag zien.
Hij moet meer worden, ik minder, zegt hij.

Johannes’ leven stelt ons voor de vraag
of wij God ook zo door onszelf heen laten werken.
Waar liggen onze dromen, onze ambities?
Bij ons eigen werk, of succes, of geluk,
of bij God, en bij het aanraken van anderen door Zijn liefde en hoop?

Misschien is ons leven wel als deze handschoen.
Als hij leeg is, gebeurt er weinig mee.
Maar als we God vragen om aanwezig te zijn in ons leven,
als we stoppen om te proberen het zelf allemaal voor elkaar te krijgen,
en ons laten gebruiken door Hem,
dan gebeurt er pas echt iets.

Daarom wil ik jullie niet alleen iets meegeven om over na te denken,
maar ook iets om te doen in deze adventstijd.
Om God te vragen welke obstakels er zijn in je leven,
en Hem te vragen je te helpen die weg te halen.
Om elke dag even de tijd te nemen om je dag met God te beginnen of te eindigen, en Hem zo te betrekken in je leven.
En om in deze adventstijd je geloof ergens praktisch mee vorm te geven.
Dat hoeft echt niet groot te zijn.
Ook kleine dingen kunnen echt een verschil maken.
Bijvoorbeeld door iemand te bezoeken die eenzaam is.
Of door iemand die dat nodig heeft een hart onder de riem te steken.
Ik hoop dat dat je in deze adventstijd mag helpen om de weg vrij te maken voor kerst.
Voor de komst van Jezus.
Amen.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *