Jakob op de vlucht – je bent niet alleen
Jakob op de vlucht – je bent niet alleen

Jakob op de vlucht – je bent niet alleen

Tekst: Genesis 27:41-28:5; 28:10-22

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

De gebeurtenissen van de afgelopen anderhalve week hebben op ons allemaal veel impact.
Aan de ene kant gaat het leven hier in Nederland gewoon door.
We gaan gewoon naar ons werk, naar school, naar de supermarkt, naar de kerk.
Het lijkt dan of er weinig aan de hand is.
En aan de andere kant dragen we met ons mee wat er gebeurt aan de andere kant van Europa, in Oekraïne.
We volgen nauwgezet het nieuws, over mensen zoals wij, die zo plotseling hun huis, hun land, hun veiligheid kwijt zijn.
Het is een groot onrecht wat daar gebeurt.
Het raakt mij, en ongetwijfeld veel van jullie ook.

Je voelt onmacht.
Wat kun je dóen, als je die beelden ziet op het nieuws?
En je vraagt je af: waar gaat het naartoe?
Wat is het vervolg?

Als Poetin dreigt met kernwapens, of met een grotere oorlog, dan doet dat ook iets met óns.
Met ons gevoel van veiligheid.
Gaan we dan weer terug naar hoe het was voor de val van de muur?
Naar een nieuwe koude oorlog?
Of erger?

En ondertussen is wat er nú al gaande is, ook al erg genoeg.

Het houdt je bezig als je wakker bent,
En het houdt je misschien ook wel bezig als je slaapt, of probeert te slapen.

Het doet iets met je basisvertrouwen.
Het vertrouwen dat het allemaal wel goed komt.
Het vertrouwen dat God voor je zorgt.
Het laat alles schudden.
Zo lezen we vandaag over Jakob, die ook op de vlucht is.
Net als al die Oekraïense vluchtelingen komt ook hij in een situatie dat hij zijn huis achter zich moet laten.
Geweld dreigt, hij is zijn leven niet zeker.
Zijn moeder bedenkt een reden om Jakob weg te krijgen,
Uit Esau’s zicht, voor er iets ergs gebeurt.

Zijn vader Isaäk geeft Jakob nog een zegen mee.
Een andere zegen dan de zegen die hij eerder kreeg, toen hij deed alsof hij Esau was.
Dat was een zegen die ging over voorspoed, en over de belangrijkste zijn.
Dit is een zegen waarmee Isaäk zegt tegen Jakob:
God doet door jou heen iets dat groter is dan jij zelf.
Uit jou zal God een volk voort laten komen,
Dat het land waar we nu zijn zal bewonen.
Hij zal je laten terugkeren naar dit land.
Vergeet die God niet, Jakob!

En dan moet Jakob weg.
Een lange reis, die weken duurt, en die hij alleen moet maken,
Naar een plek die hij niet kent.

De vorige keer lazen we dat Jakob naar zijn moeder trok.
Waar zijn broer Esau er graag op uit trok om te jagen, bleef Jakob graag bij de tent, veilig.
Nu móet hij er wel op uit.
Alles wat bekend en vertrouwd is, moet hij achter zich laten.
Verder reizen dan hij ooit gegaan is.

Die zegen van God, die hij dan nog krijgt van Isaäk,
zou die Jakob wel iets gezegd hebben?
Voor de zegen dat hij de belángrijkste zou zijn, had hij alles wel over gehad.
Maar deze zegen, zat hij daar nou op te wachten?
Wat voor beeld hád Jakob van God?
Welke rol speelde zijn geloof tot nu toe in zijn leven?

Geloven is makkelijk als alles goed gaat.
Maar als het moeilijk wordt, wat dan?
Op dat moment is Jakob daar helemaal niet mee bézig.
Op dat moment zijn Jakobs gedachten bij de reis die hij moet maken.

In plaats van met zijn hoofd op een kussen, slaapt hij met zijn hoofd op een steen.

Ik vind dat heel beeldend, het is mooi dat dat genoemd wordt.
Ik weet niet of je wel eens zonder kussen hebt geslapen?
Zelf heb ik één keer in mijn leven geprobeerd zonder kussen te slapen.
Ik sliep op een matje, en ik was mijn kussen vergeten, dus gebruikte ik mijn broek als kussen.
Die nacht heb ik geen oog dicht gedaan.
Ik zal je zeggen: ik vind het zelfs al moeilijk om in slaap te vallen als ik op een kussen lig dat niet mijn eigen kussen is!

Nou zal Jakob vast wel íets meer gewend zijn geweest dan ik.
Maar ik kan het me bijna niet voorstellen dat hij in één keer in slaap gevallen is.

Ik stel het me zo voor:
Hij probeert in slaap te vallen, maar alles wat er gebeurd is speelt zich weer opnieuw af voor zijn ogen.
Hij denkt aan wat hij heeft gedaan,
Hoe het zover gekomen is.
Hij denkt aan wat hij kwijt is.
Hij denkt aan wat hem staat te wachten.
Zal het wel goedkomen?
Waar komt hij terecht?
Hoe zal het daar met hem gaan?
Zál hij ooit wel weer terugkeren naar zijn ouders? Naar zijn broer?

Als Jakob daar ligt, lijkt de hemel verder weg dan ooit.
Zo ver, dat hij er niet eens mee bezig is.
Het lijkt wel een andere wereld.
Wat heeft zijn geloof nou te betekenen op dit moment van zijn leven?
Wat heeft hij eraan, nu alles op losse schroeven staat?
Het heeft hem weinig te zeggen.

En dan valt hij uiteindelijk toch in slaap.
En krijgt hij een droom.
Een hele bijzondere droom.

Herinner jij je wel eens wat jij hebt gedroomd?
Ik meestal alleen als ik nét wakker ben, en ik nog stil in bed lig.
In een droom kan je soms herkennen wat je – bewust of onbewust – erg bezighoudt.
Als je droomt, dan ben je vaak bezig om te verwerken wat er is gebeurd de dag ervoor.
Of waar je over in zit.
Of wat je de volgende dag te wachten staat.

In de Bijbel zijn dromen ook een manier waarop God tegen mensen kan spreken.
Je vraagt je wel eens af, als mensen in de Bijbel Gods stem horen, hóe dat dan gaat.
God zei tegen Abraham: ga op weg, naar het land dat ik je wijs.
Hoorde Abraham dan een stem?
Of vóelde hij dat hij moest gaan?

Hier spreekt God tegen Jakob, door een droom.

In die droom ziet Jakob een trap, of een ladder.
Het woord dat daar gebruikt wordt komt maar één keer voor in de Bijbel, dus we moeten invullen wat het betekent.
In de talen van de landen eromheen staat dat woord voor een soort verbinding met de hemel.
Een plek waar de hemel de aarde raakt.

En via die trap, die verbinding, ziet Jakob engelen van God omhoog gaan en afdalen.
Het is moeilijk om je daar een voorstelling van te maken.
In de kunst is geprobeerd om dat uit te beelden.

Bijvoorbeeld deze schets van Rembrandt.

Je ziet Jakob liggen, met zijn hoofd op een steen.
Zijn wandelstok ligt naast hem, want hij moet een lange reis maken.
En rechts bovenin zie je wat hij droomt.
De engelen die op en neer gaan naar de hemel,
Waar licht vandaan komt. (…)
En dit schilderij is van Chagall, een Joodse schilder.

Rechts onderin, in het donker, zie je Jakob liggen.
En je ziet een ladder, waar engelen op en neer gaan.
Naar boven gaan en naar beneden klimmen.
En wat ik in dit schilderij mooi vind, is dat de engelen niet alleen op de ladder staan,
En omhoog en naar beneden gaan,
Maar je ziet ook engelen die de wereld ingaan,
En weer terugkomen.
Ze voeren opdrachten uit, en keren weer terug naar de hemel.

Hoe engelen worden afgebeeld, daar zit altijd iets dubbels in.
Want vaak worden ze afgebeeld met vleugels,
in de Bijbel lees je dat niet terug.
Ze lijken eerder op mensen.
Maar je ziet meteen dat het geen mensen zijn.
Een engel is indrukwekkend.
Denk aan de engelen die Jozef en Maria vertelden dat Jezus geboren zou worden.
Het eerste wat ze zeiden was: wees niet bang.

Engelen zijn in de Bijbel boodschappers van God.
Helpers van God.
Engelen kunnen beschermen tegen gevaar.
Er wordt in de Bijbel ook wel gesproken over een leger van engelen.

Dat Jakob deze engelen ziet in zijn droom,
Is iets dat God aan hem laat zien.
God opent Jakobs ogen.

God laat aan Jakob zien dat Hij betrokken is op deze wereld,
Ook al kunnen wij dat zelf niet zien.
Hij stuurt zijn helpers naar ons toe,
Hij laat ons niet los.
Hij laat ons niet in de steek.
Hij laat Jakob niet in de steek.

Ook nu niet.
Jakob heeft glashard tegen zijn vader gelogen.
Hij heeft zijn broer de zegen afgepakt.
Hij is op de vlucht, vanwege de woede van zijn broer.
Hij is op weg úit het land dat God aan zijn voorouders heeft beloofd,
zonder te weten of hij weer terug kan komen.
Hij maakt de omgekeerde beweging die Abraham heeft gemaakt.
Niet naar Gods belofte toe, maar bij Gods belofte vandaan.
Terug naar het land waar Abraham ooit uit was vertrokken.

En God laat in deze droom aan Jakob zien dat dat niet betekent dat alles verloren is.
Gods belofte, om het land aan de nakomelingen van Abraham te geven, geldt nog steeds.

Moet je je eens voorstellen:
Jakob lukt het op dat moment niet eens om een dág verder te kijken.
Hij kan alleen maar zien wat hij is kwijtgeraakt,
Hij kan alleen maar de onzekerheid van morgen voelen.

En dan komt God zelf bij hem staan, en zegt: ik ben Jahweh. Ik ben die ik ben.
Ik ben de God van Abraham, en van Isaäk, en ook van jou.
Ik ben aanwezig in deze wereld, ook al kan je dat niet zien.
Ik ben bij je, en Ik zal je beschermen.
Je zal weer veilig terugkeren naar het land waar je vandaan moet vluchten.

Deze week gaat ons hart uit naar Oekraïne, en naar alles wat daar gebeurt.
Hoe moeten de mensen dáár zich voelen?
Hoe kunnen zij verder kijken dan morgen?
Hoe kunnen wíj op dit moment verder kijken dan morgen,
in deze onzekere wereld waarin we ineens leven?
Eerst corona, en nu dit.

Net als Jakob weten de mensen in Oekraïne en ook wij niet hoe morgen gaat lopen.
Net als bij Jakob zijn al onze zekerheden door elkaar geschud.

Wie of wat houdt Poetin tegen, als hij zomaar een oorlog kan laten uitbreken?
Wat heb je aan je geloof, op zo’n moment?
Wat heeft het te zeggen?

Zulke vragen kunnen je verlammen.
Het gevoel dat je niets kan doen om iets aan de situatie te veranderen.

De coronatijd waar we net uitkomen, en wat er nu speelt in Oekraïne, wat ook iets doet met ons eigen veiligheidsgevoel,
Die laten allebei zien dat de wereld waarin wij leven niet maakbaar is.
Dat wij kleine mensen zijn, in een wereld die steeds blijft veranderen.
Dat wij net zo min controle hebben over de toekomst als de mensen in de tijd van de Bijbel.

Het is vandaag de eerste zondag van de veertigdagentijd.
Afgelopen woensdag is de veertigdagentijd begonnen.
De tijd waarin we toeleven naar Pasen.

In Rooms-Katholieke kerken, en ook in sommige protestantse kerken,
Lieten christenen woensdag een askruisje op hun voorhoofd tekenen.
De priester of voorganger neemt dan as op zijn duim,
en tekent daarmee een kruisje op je voorhoofd.

In de Bijbel scheurt iemand zijn kleren, en strooit as over zich uit,
Als teken dat hij verdriet heeft,
Of als teken dat hij zijn leven wil omkeren, zich weer opnieuw op God wil richten.

Als er een askruisje op je voorhoofd wordt getekend,
word je herinnerd aan je kwetsbaarheid als mens.
Aan je sterfelijkheid.
Aan je afhankelijkheid van God.

In een tijd als deze ontbreken woorden soms aan kracht.
Maar zo’n symbool, van een askruisje, kan dan juist heel erg spreken.
God, wij weten het niet.
Wij weten niet hoe het verder moet.
We weten niet wat de toekomst gaat brengen.
We hebben het niet in de hand. En dat maakt ons bang, en onzeker.
Zoals Jakob niet wist wat zijn toekomst ging brengen,
Toen hij daar probeerde te slapen, met zijn hoofd op een steen.

En op dat moment laat God aan Jakob zien:
Je staat er helemaal niet alleen voor.
Op dat moment laat God aan Jakob zien dat Hij deze wereld niet loslaat.
Dat Hij er is.

Onze onmacht kan ons een gevoel geven van hopeloosheid. Van verslagenheid.
Dat kan je niet weghalen,
Maar dat hoeft voor ons niet de boventoon te voeren.
Wij geloven ook dat God er is.
Ook al zien we Hem niet.

God opent in de droom Jakobs ogen voor een werkelijkheid die hij niet kan zien,
Maar die er wel ís.
Dat je God niet zíet, niet áán kunt wijzen, betekent niet dat Hij er niet ís.
God laat aan Jakob zien dat Hij deze wereld niet loslaat.
Dat Hij Jakob niet loslaat.
Ook al voelt dat op dat moment wel zo.

En zo mogen wij ook vasthouden aan ons geloof dat God er is.
Dat God ons en deze wereld niet loslaat. Ook nu niet.
Want Hij is nog steeds dezelfde als in dat verhaal van Jakob.

Wij mogen geloven dat God groter is dan Poetin,
Of dan welk mens dan ook.
Als wij het gevoel hebben dat we niets kunnen doen,
Dan kunnen we altijd nog bidden voor de mensen in Oekraïne.
Omdat God bij hen is.
En ook bij ons.

Als Jakob wakker wordt, dan zijn zijn zorgen niet voorbij.
Hij weet nog steeds niet wat de toekomst gaat brengen.
Maar hij is wel onder de indruk, van God.
Eerbied vervulde hem.
Wat een ontzagwekkende plaats is dit.
Hij markeert de plek waar hij geslapen heeft,
Als een plek om God te eren.
Bethel, huis van God.

Vandaag, als wij hier in de kerk en thuis bij elkaar zijn,
Hoeven wij ook niet alleen maar verdriet en verslagenheid de boventoon te laten voeren.

We mogen een loflied blijven zingen voor God.
Voor God, van wie wij veel meer onder de indruk zijn dan van Poetin.
Want niet alleen de plek waar Jakob heeft geslapen,
Niet alleen de plek waar wij vieren,
Niet alleen de Joodse tempel,
of een kerkgebouw,
Maar elke plek, overal ter wereld, is het huis van God.
De hemel is niet op afstand, maar raakt de aarde.
God is er. En Hij laat ons niet los.
Kome wat komt.

Wat wij kunnen doen, als wij ons machteloos voelen?
Dat is onze handen vouwen,
dat is helpen waar we kunnen,
En dat is een loflied zingen voor God.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.