Jakob en Esau: brokkenmakers
Jakob en Esau: brokkenmakers

Jakob en Esau: brokkenmakers

Teksten: Genesis 25:19-33 en 26:34-27:35 en 41

Hier kun je de dienst terugkijken

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Twee broers die strijden om de eerste plek: Esau en Jakob.
Herkenbaar?
Dat je als broers, of zussen, wel eens met elkaar in de clinch kan liggen,
Of dat je tegen elkaar opbokst?

In het geval van Esau en Jakob wordt die strijd al in de buik van hun moeder gevochten.
Als dat geen voorteken is?
En dan wordt Esau nét aan als eerste geboren, maar Jakob heeft zijn hiel al vast.
En als ze opgroeien, zelfs als ze volwassen mannen zijn, blijft die strijd voortduren.

Over wie gaat het in dit verhaal?
De hoofdpersoon, waar het verhaal uiteindelijk mee verder gaat, is Jakob.
Dit is dus het verhaal van zijn familiegeschiedenis.
Maar wel een pijnlijke geschiedenis.

Er gaat natuurlijk heel wat vooraf aan het verhaal van Jakob en Esau.
Hun verhaal begint bij hun grootvader, Abraham.
Abraham kreeg van God de belofte dat hij met Sara een zoon zal krijgen,
En dat hun nakomelingen een groot volk zouden worden.
Als uiteindelijk Isaäk geboren wordt,
dan zien ze in hem de vervulling van die belofte van God.

En Isaäk trouwt met Rebekka.
Zij krijgen samen twee zoons. Jakob en Esau. Een tweeling.
Die belofte van God zou voor hen allebei moeten gelden.
Zij zouden samen één volk moeten zijn.

Maar er is een breuk.
Al van jongs af aan.
En die breuk, dat is de rivaliteit tussen deze twee broers.
De één gunt de ander het licht in de ogen niet.
De één wil zich opwerken, ten koste van de ander.
Je kunt denken aan broers die samen een familiebedrijf overnemen,
Zoals de boerderij van hun ouders.
Dat kán ontzettend goed gaan.
Sommige broers kunnen heel goed samenwerken.
Maar het kan ook ontzettend fout gaan.

Jakob en Esau hebben allebei ook nog een moeilijk karakter.

Esau is een sterke man, een jager, die kun je gerust lomp noemen.
Hij denkt niet na voor hij iets doet.
Zijn erfenis verkoopt hij voor een bordje soep.
En hij trouwt – zonder nadenken en zonder goedkeuring van zijn ouders –
met twee vrouwen die ingaan tegen alles waar zijn ouders voor staan,
tegen alles wat zij geloven.
Isaäk moest zijn vrouw Rebekka uit een ver land halen,
uit het geboorteland van Abraham.
Want de vrouwen uit het land waar ze woonden waren niet te vertrouwen,
Zei Abraham.
De vrouwen waar Esau voor kiest zijn Hethitische vrouwen.
Dus wél vrouwen uit het land waar ze woonden.
Die vrouwen staan voor losbandigheid, voor afgoderij, voor slechte invloed.

Jakob is heel anders dan zijn broer. Hij is rustig.
Hij trekt wat meer naar zijn moeder.
Hij luistert naar zijn ouders.
En hij is een makkelijke prater. Je praat hem niet zomaar onder de tafel.

Maar Jakob is ook jaloers. Hij denkt: Esau is mijn oudere broer.
Hij krijgt straks het grootste deel van de erfenis.
Hij krijgt de zegen van onze vader.
Alles gaat naar hem, terwijl hij maar een paar tellen eerder is geboren dan ik.
Jakob is dan niet zo lomp als zijn broer,
Maar hij komt naar voren als iemand die chanteert.
Hij geeft zijn broer pas eten als die zijn erfenis daarvoor verkoopt.
Hij is bereid om zijn eigen vader te bedriegen om de zegen van zijn broer af te stelen. Dat is meer dan een leugentje om bestwil.
Dat is iets dat voor een diepe breuk zal zorgen.
En hun ouders? Die hebben allebei hun lievelingszoon.
Isaäks favoriet is Esau.
Rebekka kiest voor Jakob.

Daar kun je toch wel wat pedagogische vragen bij stellen.
Wat ís Rebekka bijvoorbeeld voor moeder,
als zij haar ene zoon aanspoort om de andere iets af te nemen?
Wat drijft haar?
Zijn het die woorden van God, die ze te horen kreeg toen ze zwanger was?
De oudste zal de jongste dienen?

Óf is het dat ze zich ergert aan Esau,
die zich zo weinig lijkt aan te trekken van alles wat zijn ouders belangrijk vinden?
Die niet luistert.
Dat laatste, dát lijkt nog wel het meest de reden te zijn dat ze Jakob voortrekt.
Want als Jakob Esau heeft bedrogen,
En hun moeder hem daarbij heeft geholpen,
Dan denkt Esau zelf meteen dat dát de reden is:
Dat hij niet naar zijn ouders heeft geluisterd.
Hij betert zijn leven.
Hij trouwt zelfs met een nieuwe vrouw.

Het is een verhaal met een ongemakkelijke kant.
Is dit nou Jakob, de stamvader van het volk Israël?
Is dit nou de man die God uitkiest?
Zit God hier zelf achter?
Is dit hoe God het gewild heeft?

Want dat is misschien nog één van de meest onbegrijpelijke dingen aan dit verhaal:
Dat God erin mee lijkt te gaan.
Dat het uiteindelijk Jakob is, die bedrieger,
die door God wordt uitgekozen om de stamvader van Israël te worden.
Een volk dat zelfs Jakobs naam krijgt. Israël.

Bedriegen loont, blijkbaar.

Denk je eens in hoe een Israëliet uit die tijd dit verhaal zou lezen.
Misschien wel met trots: God kiest Jakob uit.
Esau heeft het aan zichzelf te danken.
Hij doet alsof de erfenis niets waard is.
Hij luistert niet naar zijn ouders. Hij trouwt met de verkeerde vrouwen.

Een Israëliet uit die tijd denkt bij Esau aan hun buurland, Edom,
Van wie hij de stamvader zou zijn.
Die heidenen.
Een land waar ze voortdurend mee in de clinch liggen.
Dan pikt de een weer wat land af van de ander, en dan weer andersom.
Ze kijken neer op de Edomieten.
Zoals een Ajaxiet neerkijkt op een Feyenoorder, en andersom.

Maar het kan niet anders, of de Israëlieten lazen dit ook met schaamrood op de kaken:
Is dit nou hoe Jakob aan de zegen is gekomen?
Door zijn eigen vader te bedriegen?
Door de zegen van zijn eigen broer af te stelen?
Dat ging in tegen alles wat zij geloofden dat goed was.
Jakob was zeker geen voorbeeld.

Wat houdt die zegen nou eigenlijk in?
Wat staat er op het spel in dit verhaal?

De zegen die Jakob krijgt van Isaäk,
Dat is de zegen die een vader gaf aan zijn oudste zoon.
Een zegen dat het hem goed mag gaan.
Dat zijn werk lonend mag zijn.
Dat hij in eer zal staan bij de mensen om hem heen.
Dat hij de leider zal zijn,
Degene waar anderen naar moeten luisteren.

Als Jakob die zegen krijgt van Isaäk,
Dan is hij dus degene die boven Esau staat.
Dan krijgt hij dat waar hij zijn hele leven naar heeft verlangd.
Dat Esau naar hem moet luisteren, in plaats van andersom.
Maar wat brengt die zegen hem?
Brengt zijn bedrog hem niet veel meer verdriet, veel meer pijn,
dan dat het hem goed doet?

Vanáf het moment dat Jakob de zegen krijgt,
Gaat het bergafwaarts met hem.
Jakob moet vanaf dan die last met zich méédragen dat hij zijn vader én zijn broer heeft bedrogen.
Hij moet op de vlucht voor Esau.
Hij zal zijn moeder Rebekka nooit meer zien.
Hij moet helemaal opnieuw beginnen,
Zonder een cent op zijn rekening.

Die zegen, wat is die eigenlijk waard?
De belangrijkste zijn, wat koop je daarvoor?
Terwijl het hem alles kost wat hij liefheeft.

Het is dus vooral een heel verdrietig verhaal.
Over twee broers, die elkaar het licht in de ogen zo weinig gunnen,
Dat ze daarvoor alles op het spel willen zetten.
Dat ze daarmee alles kapot maken.
Op de achtergrond klinkt bijna het verhaal van Kaïn en Abel mee.
De ene broer die zo jaloers is op de andere broer dat hij hem doodslaat.
Dat dreigt hier ook te gebeuren!
Esau kan Jakob wel vermoorden.

Automatisch moet ik bij dit verhaal denken aan het programma Familiediner.
Bert van Leeuwen die op bezoek gaat bij families die door ruzies uit elkaar zijn gevallen.
Als je dat kijkt, dan denk je: hoe heeft het zo ver kunnen komen?
Er zijn dingen gezegd, dingen gedaan, die niet goed zijn.
Leden van één gezin hebben elkaar gekwetst met hun woorden of met hun daden.
Er is ruzie om een erfenis,
Of om harde woorden die zijn gevallen.
En soms gaat het gewoon helemaal nergens over.
Jaloezie.
Dingen die niet uitgesproken worden.
In die zin staat het verhaal van Jakob en Esau helemaal niet zo ver van ons af.
Is dat niet heel vaak zo,
Dat er een soort rivaliteit kan zijn tussen broers en zussen?
Dat je hele verschillende karakters hebt.
Dat je je met elkaar vergelijkt?
Of dat je je probeert op te werken, ten koste van de ander, onbewust misschien wel.
Of dat jij degene bent ten koste van wie de ander zich opwerkt.
Dat je elkaar beconcurreert om de goedkeuring van je ouders.

Soms gaat dat zelfs zo ver dat er ruzie komt.
Dat broers of zussen elkaar niets meer te zeggen hebben.
Dat ouders en kinderen elkaar niets meer te zeggen hebben.
En je voelt allemaal het verdriet. De onmacht.
Waarom moet het zo zijn?
Waarom is het zo gelopen?
Maar geen van beide zal zeggen:
Dat komt door mij.

Als Jakob wegvlucht voor Esau’s woede, dan voel je die pijn.
De één die de ander heeft bedrogen, de ander die de één wel iets aan kan doen.

En in dit verhaal komt dat niet meteen goed.
Er moet twintig jaar overheen gaan voor ze elkaar weer zien.
Jaren die ze niet meer terugkrijgen.
En dan is het nog steeds bloedspannend.
Is die boosheid er nog steeds?
Of kunnen ze het achter zich laten?

Zoals je gespannen kijkt naar het familiediner:
Zullen ze bij elkaar aan tafel gaan?
En hoe zal het dan gaan?
Zal dat dan wél goed gaan?

En waar is God in dit verhaal?
Keurt God het goed wat Jakob heeft gedaan?
Je zou het bijna denken, als je dit verhaal leest.
Want het lijkt alsof Jakob er gewoon mee weg komt.

Zoals zo veel mensen wegkomen met het kwaad dat ze doen.
Is dat wat dit verhaal wil zeggen?

Denk je echt dat God heeft gewild dat Jakob zijn vader en Esau zou bedriegen?
Zou hij Jakob ook voortrekken boven Esau?
Of gaat hij met ieder zijn eigen weg?

Isaäk en Rebekka hadden allebei een favoriet.
Zij trokken allebei een zoon voor.
Maar doet God dat ook?

God gaat met een weg met Esau én met Jakob.
Voor Esau werkt deze gebeurtenis, als er wat tijd overheen is gegaan, als een spiegel.
Esau gaat bij zichzelf denken: heb ik niet te gemakkelijk gedacht?
Heb ik het niet allemaal teveel voor lief genomen?
Heb ik niet te weinig naar mijn ouders geluisterd?

En God gaat ook met Jakob mee.
Jakob wordt uiteindelijk de stamvader van het volk Israël.
Maar niet omdát hij de zegen van Esau heeft afgetroggeld:
Die zegen blijkt er uiteindelijk helemaal niet zo toe te doen in dit verhaal.

Die zegen maakt dat Jakob weg moet vluchten,
alleen en bang, met niets.
En dát is het moment waarop God in dit verhaal in beeld komt.
Het moment waarop God aan Jakob laat weten: ik ben er. Ik ben bij je.
Dát is het eerste moment waarop Jakob zelf God leert kennen.
Niet alleen uit de verhalen van zijn ouders, maar zélf.
Op het moment dat hij niemand meer heeft om op terug te vallen,
Door zijn eigen toedoen,
Dan is God er voor hem.
Dat hij zijn broer en zijn vader heeft opgelicht, dat achtervolgt hem alleen maar.
Daar moet hij mee leren leven.

Wat kun je voor jezelf meenemen uit dit verhaal?
Misschien wel het belangrijkste:
God staat aan niemands kant.
Hij trekt niet de één voor boven de andere.
Niet het oudste kind boven het jongste kind,
Niet de sterkste tegenover de zwakste,
Niet de slimste tegenover de domste,
Niet de braafste tegenover degene die de kantjes ervan af loopt.
God meet met een andere maat dan wij.

En God staat ook aan de kant van iedereen.
Ook al zijn wij niet trouw, Hij blijft trouw.
Soms kom je daar achter op het moment dat je zelf tegen een muur oploopt.
Dat het je zelf bij de handen afbreekt.
Dat je in de brokken zit van wat je zelf hebt veroorzaakt:
Dan kom je erachter dat Hij je niet loslaat.

God is bij Jakob op het moment dat door zijn toedoen het gezin waar hij in opgroeide uit elkaar is gevallen.
Dat is nogal wat.
En God reageert niet veroordelend.
Hij zegt niet tegen Jakob: wat heb je nou gedaan?
Of: hoe kan je het zo snel mogelijk goed maken, weer fixen?

Nee, God zegt: ik ga met je mee.
Dát laat iets zien van Gods trouw.
Dat in de gebrokenheid van ons bestaan, Hij ons niet veroordeelt,
Maar naast ons komt staan.

Zoals Jezus niet kwam om te oordelen,
Maar om het oordeel op zijn eigen schouders te nemen.
Zó is de God in wie geloven.
De God van Abraham, de God van Isaäk én, ondanks alles, ook de God van Jakob.
De God van ons allemaal.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.