Ik was hongerig en jij gaf Mij te eten
Ik was hongerig en jij gaf Mij te eten

Ik was hongerig en jij gaf Mij te eten

Tekst: Mattheüs 25:31-46

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Ik had honger en jullie gaven mij te eten,
ik had dorst en jullie gaven mij te drinken.
Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op,
ik was naakt, en jullie kleedden mij.
Ik was ziek en jullie bezochten mij,
ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.

In Den Haag bevindt zich het internationaal strafhof.
Waar mensen van over de hele wereld kunnen worden berecht,
die misdaden hebben gedaan tegen de menselijkheid.
Leiders die vreselijke dingen hebben gedaan tegenover hun volk, of een ander volk.

Het is ontzettend bijzonder dat dat internationale strafhof er is.
Het is er nog niet lang.
Pas sinds de twintigste eeuw.
In de laatste eeuw zijn mensen van over de hele wereld het steeds meer met elkaar eens geworden dat er misdaden zijn die je niet zomaar onbestraft kunt laten.
Mensen verlangen naar recht.
Als er geen recht gedaan wordt,
dan voelen we diep van binnen dat er iets niet klopt.

Wat recht is, wat goed is, dat is moeilijk om het over eens te worden,
en nog moeilijker om er daadwerkelijk naar te handelen.
Veel mensen die eigenlijk voor het strafhof zouden moeten komen te staan,
weten toch de dans te ontspringen.
Maar dát het er is, zegt iets over hoe belangrijk wij het vinden dat er recht gesproken wordt.
Dat er recht gedáán wordt.

Verlangen naar recht. Naar gerechtigheid.
Voor Joden én voor christenen is dat een belangrijk thema.
Omdat wij geloven dat ons verlangen naar gerechtigheid bij God zelf vandaan komt.
Wij geloven dat God verlangt naar recht.
En dat God op een dag ook recht zal doen.
Recht zal spreken.
Dat God alles wat krom en fout is in de wereld op een dag recht zal zetten.

De tekst die wij hebben gelezen staat midden in een serie voorbeelden die Jezus geeft van hoe die dag zal zijn.
In hetzelfde hoofdstuk vertelt Jezus drie verhalen,
drie ‘gelijkenissen’ noemen we dat:
Hij vertelt de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze meisjes.
Een deel van hen is voorbereid op de komst van de bruidegom,
en een ander deel niet.

Jezus vertelt de gelijkenis over de talenten.
Een koning gaat weg, en laat zijn bezit achter in het beheer van drie knechten.
Als hij terugkomt, hebben ze er dan iets mee gedaan,
of hebben ze het weggestopt?

En Jezus vertelt de gelijkenis die wij hebben gelezen: van de schapen en de bokken.
Als de mensenzoon komt, zegt Jezus, zal hij recht spreken.
Hij zal de schapen scheiden van de bokken.
En met de mensenzoon bedoelt hij zichzelf.
Als ik terugkom, zegt Jezus, dan zal ik recht spreken.

In het Midden-Oosten, ook nu nog,
worden schapen en geiten samen gehouden.
Ze lopen door elkaar te grazen.

Het is niet makkelijk om ze uit elkaar te houden.
Maar ’s nachts moeten ze wel uit elkaar gehaald worden.
De schapen hebben een dikke vacht, en kunnen gerust buiten blijven.
Maar de geiten moeten naar binnen.

Ze lijken ontzettend op elkaar,
maar je kunt ze uit elkaar houden door hun staart.
Die van de schapen hangt naar beneden, en die van de geiten staat rechtop.
Ook al lijken ze heel erg op elkaar,
zo kan de herder ze toch van elkaar scheiden.
Hij ziet dat.
Een ander zou het onderscheid helemaal niet kunnen zien.

Waarom vertelt Jezus deze gelijkenis?
Wat zit erachter?

Jezus vertelt deze gelijkenis, om te laten zien waar Gods hart ligt.
Wat God écht belangrijk vindt.
Dat dat iets anders is dan wij mensen vaak belangrijk vinden.

God verlangt naar gerechtigheid.
Zelfs zó, dat Hij zich identificeert met wie onrecht aangedaan worden.
Met wie moeten lijden.

Deze gelijkenis van Jezus maakt het heel concreet, wat dat is, gerechtigheid.
Het is de hongerigen te eten geven.
Wie dorst heeft te drinken geven.
Een vreemdeling opnemen.
Iemand die naakt is kleden.
Iemand die ziek is opzoeken.
Een gevangene niet aan zijn lot overlaten.

Vandaag is het de zondag van het werelddiaconaat.
Diaconaat, dat is precies die dingen.
Het is delen, en dienen.
Omzien naar je naaste.

Al sinds de vroege kerk, is dat waar christenen bekend om stonden.
In die tijd was er geen sociaal vangnet.
Het was een samenleving van ‘red jezelf’.
En in tegenstelling tot de mensen om ze heen,
bekommerden christenen zich om mensen die het minder hadden.
Ze hadden hun naasten lief.
Ze gaven brood aan weduwen.
Ze verzorgden zieken.
Slaven hadden bij hen een plek. Werden gezien als gelijken.

Dat is waardoor ze opvielen bij de mensen om ze heen.
Dat is waardoor de kerk groeide!
En waardoor mensen zich aangetrokken voelden tot het christelijk geloof.

En dat blijft ook onze roeping.
Maar het is wel heel lastig.
Een moeilijke taak.
Het kan zelfs voelen als een onmetelijk grote taak.
Want er is zoveel leed op de wereld.
Als je dat ziet, dan kan de moed je in de schoenen zinken.
Moet ik daar echt iets mee?
Wat dan?
Waar moet ik beginnen?

Ik denk aan mensen die leven in een oorlogsgebied.
Die niets, maar dan ook niets meer hebben.
Ik las kort geleden over een predikant in Syrië, die vertelde dat er zo weinig eten was, en dat de prijzen zo hoog waren,
dat ouders hun dochters zichzelf lieten verkopen om maar aan eten te komen.
Hoe ten einde raad moet je dan zijn?

Ik denk aan mensen die lijden onder natuurgeweld. Overstromingen.
Sprinkhanen die oogsten opeten.

Ik denk aan mensen in arme landen, die in armoede leven op het platteland,
en die naar een stad trekken om daar het geluk te zoeken.
Maar ze komen van de regen in de drup, en stranden in een sloppenwijk.
Zonder uitzicht op een beter leven.

Ik denk aan al die vluchtelingen die van Noord-Afrika naar Nederland komen. Gelukszoekers, noemen we ze.
Omdat ze geen werk, geen inkomsten hebben,
en niet eens de hoop hebben óm dat te krijgen.

Ik denk aan moderne slavernij.
Mensen die zo vastzitten in schulden,
dat ze in India hun leven lang in een steengroeve moeten werken,
en daarna hun kinderen, en hún kinderen,
omdat ze hun schulden nooit kunnen afbetalen.

Corona doet er voor veel mensen in de wereld nog een behoorlijke schep bovenop. De laatste cijfers zeggen dat de komende tien jaar een miljard mensen extra op de wereld in armoede zullen leven door corona.
De kloof tussen arm en rijk wordt alleen maar groter.

Ik denk ook aan onzichtbare armoede in Nederland.
En soms, eventjes, ineens wél zichtbaar.
Aan zoveel mensen die afhankelijk zijn van de voedselbank,
die de laatste tijd moeite heeft om genoeg uit te blijven delen.
Aan mensen die vastzitten in schulden.
Of die hun kinderen niet zomaar een verjaardagscadeau kunnen geven.
Of mee kunnen laten gaan op een schoolreis.

Als ik denk aan diaconaat, dan denk ik aan geld geven.
Want dat is het enige dat ik kan doen.
Zo voelt het in elk geval wel.
Kan ik iets heel moois, iets heel duurs voor mezelf kopen?
Kan er dan ook een klein beetje af voor mensen die het een stuk minder hebben?
Diaconaat zet een hoop dingen in perspectief.
Want zijn de dingen die wij voor onszelf zo belangrijk maken, dat wel écht?

Maar je kunt blijven geven, als je niet oppast. Waar leg je de grens?
Wat als je er zelf iets bij inschiet?
Misschien heb je de film ‘Schindlers List’ wel eens gezien.
Een hele indrukwekkende film.
Over een Duitse fabrikant,
die tijdens de tweede wereldoorlog lid is van de Nazi-partij.

In zijn fabriek werken Joodse mensen.
In het begin geeft hij er niet zoveel om.
Maar als steeds meer Joodse gezinnen worden gedeporteerd,
en hij er steeds meer achter begint te komen wat er met ze gebeurt,
probeert hij ze veilig te stellen door ze werk te geven in zijn fabriek.
Zelfs al zijn er op den duur veel meer werknemers dan er werk te doen is,
en kost het hem bakken met geld. Alles wat hij heeft.

Aan het einde van de oorlog heeft hij van een hele fabriek vol Joodse mensen voorkomen dat ze om zijn gebracht in een concentratiekamp.

Alleen hij is nog steeds lid van de nazi-partij.
En als de oorlog voorbij is, moet hij vluchten.
Huilend valt hij een van zijn werknemers in de armen.
Ik had nog zoveel meer kunnen doen, zegt hij.
Zoveel meer mensen kunnen redden.
Zie je deze ring? Die had ik kunnen verkopen.
Tien mensen extra die ik had kunnen redden.
Of mijn auto. Twee mensen meer.

Zijn werknemer is stil, kijkt hem aan, en zegt:
Er is een Joods spreekwoord.
Wie één mens heeft gered, heeft de wereld gered.

Wat is onze roeping als christenen, als het gaat om diaconaat?
Als het gaat om omzien naar de mensen om ons heen?

De Bijbel is er heel realistisch over.
Als een vrouw bij Jezus komt, en dure olie over zijn voeten uitgiet, zegt Judas:
Dat hadden we kunnen verkopen, en het geld aan de armen kunnen geven!
Toch laat Jezus het gebeuren.
Hij zegt: Er zullen altijd arme mensen zijn. Ik zal niet altijd bij jullie zijn.
Daarom is het goed dat de vrouw dit doet.
Laat het haar maar doen.

En Jezus vertelt ook het verhaal dat we vanmorgen hebben gelezen.
Als je iets gedaan hebt, voor de minsten van de mensen,
Dan heb je dat voor Mij gedaan.

Dat laat zien dat Jezus mensen die in armoede leven zó belangrijk vindt,
dat Hij je alles wat je voor hen doet,
aanrekent alsof je het voor Hem doet.
Jezus gaat naast ze staan.
Hij identificeert zichzelf met ze.

Maar wat betekent dat voor ons?
Wat vraagt dat van ons?

Geeft het ons, als christenen,
de taak om armoede in zijn geheel de wereld uit te werken?
En mogen we niet rusten, voordat dat doel bereikt is?

Als je dat zegt, doe je aan twee dingen tekort.
De eerste is, dat wij niet altijd degene zijn die hulp kunnen geven.
Het is niet: wij uit het rijke westen, tegenover de arme mensen in de derde wereld.

Soms zijn wij het zelf, die hulp mogen ontvangen.
Soms hebben wij zelf iemand nodig die onze naaste wordt. Die naast ons gaat staan. Ons heel praktisch even helpt. Of naar ons luistert.
Het is niet ‘wij versus zij’.

Ik denk zelf dat de beste vorm van diaconaat, diaconaat is die andere mensen serieus neemt.
Ook mensen die je hulp biedt.
Ook mensen die in armoede leven.
Dat je mensen aanmoedigt, om zelf te proberen weer op te staan.
Ze een kans geeft.
Dat je ze geeft wat ze nodig hebben om dat te doen.
Ook al zal er altijd noodhulp nodig blijven, en kun je mensen die dat nodig hebben niet laten zitten.
Toch zijn er ook mensen die gewoon een duwtje in de rug nodig hebben.
Dichtbij, en ver weg.

Mensen die niets hebben, hoeven niet per sé arme mensen te zijn.
Het zijn vaak mensen waar je ontzettend veel van kunt leren.
Die een ontzettende veerkracht laten zien.
Mensen met een diepe levensvreugde, tegen alles in.
Mensen met een groot geloof.
En een grote bereidheid om dat beetje dat ze hebben, alsnog te delen.

Ook mensen dichtbij, die weinig hebben om van rond te komen,
zijn vaak mensen die zó creatief met weinig om kunnen gaan!
Probeer maar eens met een gezin van 50 euro in de week rond te komen.
Toch zijn er mensen die dat lukt! Jaar in, jaar uit.

En net zo goed geldt dat mensen die alles hebben,
niet per sé rijke mensen hoeven te zijn.
Zij kunnen net zo goed behoefte hebben aan een arm om zich heen.
Iemand die aan ze vraagt: hoe is het met jou?

Denken dat wij alle problemen in de wereld moeten oplossen,
doet ook tekort aan dat de armoede in de wereld een dieper kwaad is.
Het is gebrokenheid.
Jezus zegt zelf: er zullen altijd arme mensen zijn.
Dat is geen probleem dat wij op kunnen lossen.
De wereld ís niet maakbaar.
Dat denken wij in het westen wel heel vaak.
Maar de coronatijd laat ons meer dan ooit zien dat dat onzin is.
Dat wij net zo goed kwetsbare mensen zijn.
Die ons leven, de wereld, niet in onze hand hebben.

Toch laten die woorden van Jezus wel iets heel belangrijks zien.
Wat je doet voor de minste van de mensen, dat heb je voor Mij gedaan, zegt Jezus.
Dat laat zien dat het er wel toe doet, voor God.
Dat je niet kunt denken:
de problemen van een ander, die zijn niet mijn problemen.

God maakt de problemen van een ander zijn problemen.
Wie zijn wij, om dat niet ook te doen?
Wij staan niet boven Hem.
Wij mogen ons hart laten raken door wat Zijn hart raakt.
Wij mogen bidden of Hij onze ogen wil openen voor wat Hij ziet.
Wij mogen bidden, om spullen, en bezit, en geld, niet belangrijker te maken dan de mensen om ons heen.
Om het welbevinden van een ander net zo belangrijk te maken als het welbevinden van onszelf.

Maar wij hoeven niet de wereld op onze schouders te nemen.
Ál die dingen die ik daarstraks noemde, die kunnen we onmogelijk oplossen.
Al huilt ons hart als we het nieuws zien.
Als we die verhalen lezen in de krant.
Heel vaak staan we met lege handen.

Onze roeping is om dat stukje te doen wat we wel kunnen.
Op onze eigen plek. Hier, en nu.
Gewoon, uit liefde.
Gewoon, omdat we het ons durven laten raken.
Gewoon, omdat Jezus ons de opdracht heeft gegeven: heb je naaste lief als jezelf.

Gewoon om het niet te negeren.

Wij hoeven niet de hele wereld op onze schouders te nemen.
Dat kúnnen we ook helemaal niet.
Maar we mogen ons wel uit laten dagen.
En doen wat Jezus van ons vraagt:

Ik had honger en jullie gaven mij te eten,
ik had dorst en jullie gaven mij te drinken.
Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op,
ik was naakt, en jullie kleedden mij.
Ik was ziek en jullie bezochten mij,
ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.

Dát is waar Gods hart klopt.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.