Hemelvaart: Ik ben met jullie

Teksten: Mattheüs 28:16-20; Handelingen 1:9-12

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.
Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen,
door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest,
en hen te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie heb opgedragen. En houd dit voor ogen:
ik ben met jullie, alle dagen,
tot aan de voltooiing van deze wereld.’

Ik heb dit altijd al een ontzettend mooi vers gevonden.
Het raakte mij.
Vooral dat laatste deel:
Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.

In de tijd dat ik studeerde had ik het zelfs opgeschreven op een blaadje en op een keukenkastje op mijn kamer geplakt,
Zodat ik er steeds weer aan herinnerd zou worden.
Het zei tegen mij: je staat er niet alleen voor.

Maar niet iedereen zegt dit gedeelte iets.
Misschien ken je dit gedeelte wel helemaal niet.
Of is het een Bijbeltekst waarvan je denkt: moet dat nou?
Alle volken tot leerlingen van Jezus maken?
Of je denkt vooral: moet ík dat doen?

Zo is dit gedeelte in vroegere tijden namelijk wel uitgelegd:
Als iets dat wij moeten doen.
Deze verzen uit Mattheüs werden ook wel ‘de grote zendingsopdracht’ genoemd.
Na zijn opstanding, kort voordat hij in de hemel wordt opgenomen,
Geeft Jezus de opdracht aan zijn leerlingen om het goede nieuws over Hem overal bekend te maken.

Alle vier de evangeliën, en ook het boek Handelingen,
bevatten die opdracht.
Wel in wat andere woorden, maar met dezelfde strekking.
Maak overal het goede nieuws over mij bekend.

En als je naar de geschiedenis kijkt, is dat ook wat er is gebeurd.
Door de eeuwen heen heeft het christelijk geloof zich verspreid over de hele wereld.
Eerst in en rond Israël, maar al snel ook in de landen daaromheen.
In Turkije, in Griekenland en in de hoofdstad van de toenmalige wereld, Rome.
Aan de andere kant richting Egypte,
En zelfs in India zijn al vanaf het begin van de jaartelling christenen te vinden.

In die tijd ging het christelijk geloof óver landsgrenzen heen.
Het was niet aan een bepaald gebied gebonden.
Maar toen het eenmaal de Romeinse staatsgodsdienst werd,
en later, in het begin van de middeleeuwen,
gebeurde het steeds vaker dat een koning zich, meestal gedwongen,
tot het christendom bekeerde,
En met hem zijn hele land.
En zo werden in de loop van de middeleeuwen al snel de grenzen van het christendom bepaald.
Er was een ‘christelijke’ wereld en een ‘heidense’, een onchristelijke wereld.

Eeuwenlang bleven die grenzen redelijk gelijk.
Totdat in de 16e eeuw mensen door de reformatie opnieuw de Bijbel gingen lezen,
En in Mattheüs kwamen ze dit gedeelte tegen.
Ga op weg, en maak alle volken tot mijn leerlingen.
Grote zendingsbewegingen kwamen op gang,
Zowel in katholieke als in protestantse kringen.
Altijd vanuit de christelijke landen naar de niet-christelijke landen.
Geïnspireerd door dit vers, was het doel dat alle volken bekeerd zouden worden.
En zo verspreidden christelijke zendelingen het geloof naar landen waar ze nog nooit van God en van Jezus hadden gehoord.

Tot aan het begin van de 20e eeuw was dat een duidelijk doel.
Er was zelfs de hoop dat dat doel al snel gehaald zou worden.
Nog even, en dan zou de hele wereld over Jezus gehoord hebben.
Alleen ging er ook veel mis.
Het christelijk geloof, dat naar al die landen verspreid werd,
Werd altijd gekoppeld aan de cultuur van die christelijke landen.
De westerse cultuur.
Als mensen zich bekeerden, moesten ze ook die cultuur overnemen.
En vaak gingen zending en geweld hand in hand.
Een land werd bezet, en dan kwamen de zendelingen,
die de oorspronkelijke bewoners van dat land vertelden
dat het niet goed was hoe ze tot dan toe hun leefden,
en hun geloof vorm gaven.

In de loop van de 20e eeuw werd steeds meer en steeds pijnlijker duidelijk dat deze vorm van zending niet meer kon.
De toekomstdroom, van een christelijke wereld, spatte uit elkaar.
En dat was niet het enige.
In plaats van dat het christendom in Europa groeide,
daalde hier het aantal christenen in een snel tempo.
Zelfs zodanig dat christenen de afgelopen 50 jaar langzamerhand een minderheid aan het worden waren in Nederland en de omringende landen.
En dat riep vragen op bij veel mensen.
Doen wij dan iets verkeerd?
Is de belofte van dit vers niet dat Jezus met ons mee zou gaan?
Hoe kan dit dan gebeuren?
Het onoverwinnelijke gevoel maakte plaats voor een geloofscrisis.

In de landen waar eerder zending werd bedreven, zeiden steeds meer mensen:
Wij geloven wel, maar we willen het op onze eigen manier vormgeven.
Geen orgel meer in een kerk in Afrika,
maar de mensen wilden vol overgave dansen en zingen in de kerk.

Er ontstond steeds meer een gelijkwaardige relatie tussen de kerken in en buiten het Westen.
Het is zelfs zo dat, hoewel de kerken hier steeds kleiner worden,
Ze in andere delen van de wereld juist enorm groeien.
In China. In Afrika. In Zuid-Amerika.
En naar een stad als Amsterdam worden uit die landen nu zendelingen uitgezonden.
Het lijkt wel de omgekeerde wereld!
Hier in het Westen, ook in Nederland, wordt de kerk juist kleiner.
Dat kan je ontmoedigen.
Als je kijkt hoeveel mensen hier vijftig jaar geleden nog naar de kerk gingen, en nu,
Wat een verschil zie je dan!
Hoe komt dat?!
En wat kunnen wij ertegen doen?

Bij ons kan dat net zo goed tot een geloofscrisis leiden.
Waarom gaan mijn kinderen niet naar de kerk?
Zou het dan toch allemaal niet waar zijn?
Is God er wel echt?
En als Hij er is, waarom laat Hij dit dan gebeuren?
Dat zoveel mensen stoppen met geloven?
Dat de kerk zoveel kleiner wordt?

En toch denk ik dat het niet alleen maar verkeerd is dat dit gebeurt.
Dat klinkt misschien gek.
Maar misschien is een geloofscrisis wel wat wij nodig hadden, hier in het Westen.
Is een krimpende kerk wel wat ons in deze tijd wakker schudt.
Wat ons helpt om fouten uit het verleden te erkennen.
En om opnieuw te leren verwoorden, en te leren nadenken, waarom wij geloven.
Wat de kern is.
Nadenken over hoe God de kerk echt bedoeld heeft.
En is het doel niet om zoveel mogelijk mensen weer terug in de kerk te krijgen,
Maar om als kerk de handen en voeten te zijn van Jezus.

Misschien hebben we deze tekst, de grote zendingsopdracht,
De laatste eeuwen wel verkeerd begrepen.
Je kunt je afvragen of wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt,
Voor hij in de hemel wordt opgenomen,
Wel echt bedoeld is als een opdracht.
Of Hij wel echt tegen zijn leerlingen zegt:
Dit is iets dat jullie moeten doen.
Jullie moeten mijn getuigen zijn.
Jullie moeten de mensen over mij vertellen.

Zo kan Hemelvaart namelijk wel voelen.
Alsof Jezus ons aan onszelf overlaat.
Of in elk geval alsof hij zegt:
Ik heb volbracht wat ik moest doen.
Nu is het aan jullie.
Het is nu jullie taak om overal op deze wereld over mij te vertellen.

Als je het zo uitlegt, dan komt de focus helemaal bij ons te liggen.
Bij wat wij doen.
Dan kan het al snel activistisch worden,
alsof je door heel hard werken het tij kunt keren.
En als het niet lukt, als de kerk krimpt in plaats van groeit,
Kan de vraag opkomen:
Is dat dan onze eigen schuld?
Doen wij niet genoeg ons best?

Dan helpt het om anders naar deze tekst te gaan kijken.
Jezus geeft zijn leerlingen wel een opdracht,
Maar in de eerste plaats geeft hij ze een zegen.
Jezus zegt tegen zijn leerlingen:
als je van mij getuigt,
als je probeert om mij na te volgen,
dan hoef je dat niet alleen te doen.
Ik ben met jullie.

Jezus bedoelt deze woorden in eerste plaats niet als een opdracht,
Maar als een bemoediging.
Een hart onder de riem.
Jullie zien mij straks niet meer.
Maar ik zal jullie niet in de steek laten.
Ik zal bij jullie zijn.

En daarom mogen deze woorden van Jezus, juist ook in deze tijd,
Nu de kerken kleiner zijn geworden,
En geloven moeilijker is geworden,
Voor ons een bemoediging zijn.

Of die kerk groeit, of krimpt, is niet afhankelijk van onze inspanningen.
Dat alle mensen in deze wereld Jezus leren kennen, en in God gaan geloven,
is niet iets dat wij voor elkaar gaan krijgen.
Het is geen opdracht die Jezus aan ons geeft,
waarna Hij ons aan ons lot overlaat,
Om maar op onze eigen manier aan te rommelen.
Want dan zou het nooit goed komen met deze wereld, en met de kerk.

De woorden van Jezus zijn een zegen.
Een belofte: wat er ook gebeurt,
In welke situatie jullie je ook bevinden:
Ik ben bij jullie.

Het lastige aan Hemelvaart is dat we Jezus niet meer kunnen zien.
Niet meer kunnen aanraken.
Dat we Hem niet meer lijfelijk bij ons hebben.
Maar dit is de belofte die Jezus daar tegenover stelt.
De belofte dat Hij bij ons is.
Dat Hij ons helpt om zijn woorden te herinneren.
Dat Hij ons helpt om zijn leerlingen te zijn.
Dat Hij ons helpt om getuige te zijn.
De belofte dat de kerk niet onze zorg is, maar zijn zorg.

Die zegen, die Jezus aan zijn leerlingen geeft, en daarmee ook aan ons,
Is wel een zegen waar een opdracht aan verbonden is.
Je ontvangt een zegen, om daar ook iets mee te doen.
Om je daardoor te laten leiden.
Als je een gezegend mens bent, dan is dat iets om je van bewust te zijn.
Je weet wie het is die je zegent.
Je weet voor wie je leeft.
Als je weet dat God je zegent,
Dat God bij je is, en van je houdt,
Dan probeer je te leven vanuit dat geloof.

Alleen is dat geen gemakkelijke weg.
De Bijbel staat vol voorbeelden van mensen die een zegen van God ontvingen,
Maar die toch met moeilijke dingen te maken kregen.
Denk aan Abraham, die door God werd gezegend,
Maar die ook op een zware manier door God op de proef werd gesteld,
toen van hem gevraagd werd om Isaäk, zijn enige zoon, op te geven.
En denk aan Jakob, die de zegen van God ontvangt,
Maar ook zijn leven lang worstelt met zichzelf, en zelfs worstelt met God.

En denk aan de leerlingen van Jezus.
Zij ontvingen de belofte dat Jezus bij ze zou zijn,
Maar kregen in de jaren erna te maken met vervolging, gevangenschap, haat, en tegenwerking.
Het boek Handelingen staat vol met wat zij over zich heen kregen.

Maar toch bleven al deze mensen hoopvol.
Abraham zag het nooit werkelijkheid worden dat zijn nageslacht in het beloofde land zou wonen,
maar hij vertrouwde op God dat dat toch zou gebeuren.
Jakob gaf niet op,
en mocht de zegen van God doorgeven aan zijn kinderen en kleinkinderen.

En de leerlingen van Jezus bleven vol blijdschap vertellen over wat ze hadden gezien.
Want niets kon hen scheiden van de liefde van Jezus.

Een zegen ontvang je ook, om anderen tot zegen te zijn.
De zegen maakt dat je vrucht gaat dragen.
Het is als een zaadje, dat geplant wordt in je leven.
Dat mag gaan groeien en bloeien.
Wie gezegend is, beseft dat die zegen van God komt.
En beseft dat het een zegen is die doorgegeven mag worden aan anderen.

Daarom zegt Jezus: ga op weg, en maak alle volken tot mijn leerlingen.
En leer ze alles wat ik jullie heb verteld.

Een zegen is niet iets om voor jezelf te houden.
God zegent Abraham, Isaäk en Jakob,
Zodat zij tot zegen mogen zijn van anderen.
En zo zegent Jezus zijn leerlingen, en ons,
Zodat wij anderen tot zegen mogen zijn.

Dat zie je bij de leerlingen van Jezus.
Als Jezus van hen weg is gegaan,
Wijden ze zich vurig en eensgezind aan het gebed.
En als zij met Pinksteren de Heilige Geest ontvangen,
Blijven ze niet stilzitten,
Maar vertellen ze de mensen vol vuur van wat God in hun leven gedaan heeft.
Van wat zij hebben gezien.
Dat Jezus, die was gestorven, weer leeft!
Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.

En de kerk groeit al snel.
Eerst gelooft nog maar een handvol mensen,
Maar al snel verspreidt het zich als een lopend vuur.
Er ontstaan gemeenschappen,
waar mensen liefdevol met elkaar samenkomen,
Het brood breken, en samen bidden en vieren.

Dat komt niet door de opdracht die Jezus aan zijn leerlingen gaf.
Dat komt doordat Jezus zelf bij hen was.

De aanwezigheid van God is het tegenovergestelde van de gebrokenheid die we zien in de wereld om ons heen.
God herstelt, heelt, en verzoent.
En dat herstel wordt al zichtbaar in die eerste gemeenten.
Daar wordt tegen alles in al iets zichtbaar van Gods Koninkrijk.


God is bezig om in de wereld heel te maken wat gebroken is.
En de zegen die Jezus aan zijn leerlingen geeft,
Is de belofte dat waar Hij aanwezig is,
Dat er daar al iets zichtbaar en merkbaar van mag worden.

Dat is een belofte waar ook wij uit mogen leven.
Niet vanuit het gevoel dat het allemaal van onszelf afhangt.
Maar we mogen leven als gezegende mensen,
Die leven in afhankelijkheid van Jezus,
Die belooft: ik ben bij jullie, alle dagen,
tot aan de voltooiing van deze wereld.
Amen.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *