God is overal

Teksten: Exodus 40:34-38; Handelingen 17:22-28

Je kent vast wel het spelletje: ik ga op reis, en ik neem mee.
Als ik op weg ga, dan neem ik ook van alles mee.
Schone sokken.
Een zonnebril.
Een leesboek.
Een spelletje.

Maar zou je bijvoorbeeld ook je Bijbel inpakken?
Als je op reis gaat, of je gaat op weg, naar school, of je werk, of sport,
Gaat God dan ook met je mee?
Of is God alleen iets voor zondag?
Is hij alleen in de kerk te vinden?

Het volk Israël was op reis.
Ze waren onderweg door de woestijn,
op zoek naar het land dat God aan ze had beloofd.
Maar de Israëlieten hadden bijna niets bij zich.

De woestijn. Een gigantisch groot onherbergzaam gebied.
Zand, en kale bergen, voor zover het oog reikt.
Wie leidt een heel volk nou zo’n woestijn in?
De Israëlieten dachten dat ook steeds weer.
Als ze niet genoeg water hadden, of eten. Als ze vijanden tegenkwamen.
Dan gingen ze naar Mozes, en zeiden ze:
Had ons toch in Egypte gelaten!
Daar waren we wel slaven, maar we hadden tenminste te eten,
en een dak boven ons hoofd.

Maar voor ze die woestijn introkken had God een belofte gedaan:
Ik zal met jullie meegaan.
Ik zal voor jullie zorgen, en jullie God zijn.
Jullie zijn mijn volk, mijn kostbare bezit.
Jullie hebben gezien hoe ik je uit Egypte heb gered.
Vertrouw er dan ook op dat ik jullie door de woestijn zal helpen.

Daarom hebben ze een tent gebouwd,
als teken van die belofte.
God had Mozes instructies gegeven voor het maken van de tent,
En aan de hand van die instructies is hij opgebouwd en ingericht.
De ark werd in de tent geplaatst, een gouden kist met de tien geboden,
die God had gegeven toen hij die belofte deed.
Mozes hangt het laatste gordijn ervoor.
En dan gebeurt er iets bijzonders.

De majesteit van de Heer daalt neer op de tent.
Majesteit – dat woord doet ons denken aan het koninklijk huis,
Maar wat ermee bedoeld wordt,
Is dat Gods heilige aanwezigheid de tent vult.
Die tent is niet meer zomaar een tent,
Maar een plaats waar God aanwezig is.
Zo tastbaar, en zo overweldigend,
dat zelfs Mozes de tent niet meer binnen kan gaan.

God heeft de tent niet nodig, als een plek om te wonen.
Maar hij geeft de Israëlieten iets tastbaars, op hun reis.
In de ogen van mensen uit die tijd waren goden altijd gebonden aan een bepaalde plek.
Bijvoorbeeld een tempel, of een berg.
Maar God laat aan de Israëlieten zien dat Hij niet vastzit aan één plaats.
Hij gaat met ze mee, en door die tent is dat ook zichtbaar voor hen.
Waar zijn volk heengaat, daar is Hij ook.

Hij gaat ze zelfs vooruit, in een wolk.
Zo’n wolk is wel een bijzonder beeld.
Aan de ene kant is een wolk heel zichtbaar.
Zoals God voor de Israëlieten merkbaar aanwezig is,
tijdens hun tocht door de woestijn.
Hij leidt zijn volk, hij beschermt het.
Hij geeft ze voedsel, en water voor onderweg.
Hij is heel dichtbij.

En toch is een wolk ook een beetje ongrijpbaar,
Zoals God ongrijpbaar is.
God is altijd meer, heiliger, groter,
Dan wij ons kunnen voorstellen.
Hij is niet vast te pinnen,
Op een bepaalde plek.
Je kunt geen standbeeld van Hem maken.
Hij is niet alleen op zondag in de kerk te vinden,
Maar is aanwezig in heel ons leven.
Ook als je op reis gaat.
Of als je op je werk bent.
Ook daar maakt God deel uit van je leven.

Dat God meer is dan een standbeeld,
Dat Hij aanwezig is in heel je leven,
dat is ook wat Paulus probeert te vertellen aan de mensen in Athene.
Ook hij is op reis.
Maar niet door de woestijn: hij trekt door Griekenland.
Hij gaat naar de Joodse synagoges in de Griekse steden,
om de mensen daar te vertellen over Jezus,
En om, waar dat lukt, ook met de Grieken over hem in gesprek te gaan.

De Joodse mensen hebben al veel achtergrondkennis,
Als hij hen over Jezus vertelt, kan hij dat doen aan de hand van de Joodse Bijbel, wat voor ons het Oude Testament is.
Paulus is zelf een Jood, en hij kent die door en door.
Hij kan zeggen dat Jezus’ komst is aangekondigd in de teksten die zij zo goed kennen.
Dat Hij de beloofde Koning is die God aan hen had beloofd.
Geen koning hier op aarde,
maar een koning die die juist zijn leven voor hen had gegeven.
En die was opgestaan uit de dood.

Die achtergrondkennis van de Joodse mensen,
dat maakt het een stuk makkelijker voor Paulus,
om uit te leggen wie Jezus is.

De Griekse mensen hebben die achtergrond niet.
Die kijken totaal anders tegen de wereld aan dan de Joden,
waar Paulus normaal mee te maken heeft.
Athene, de Griekse hoofdstad, was voor die tijd net zo multicultureel als een stad als Amsterdam nu.
Alle geloven waren er wel aanwezig.
De meeste mensen geloofden niet in één God,
Maar in verschillende goden.
Of ze waren aangesloten bij één van de filosofische stromingen.
Mensen die de hele dag discussieerden over de vraag:
waar leef je eigenlijk voor?

Er waren Epicureeërs, die geloofden dat het doel van het leven is dat je ervan geniet.
Of stoïcijnen, die geloofden dat je je niet moet laten leiden door verlangens en emoties,
maar juist een heel sober leven moet leiden.
Die groepen waren gewend elkaar flink het vuur aan de schenen te leggen.
Ze deden de hele dag niks anders dan met elkaar discussiëren.
Probeer daar maar eens tussen te komen, als buitenstaander!

Maar toch probeert Paulus de mensen te vertellen over zijn geloof,
en na een tijdje wordt hij opgemerkt,
met zijn ‘nieuwe ideeën’.
Hij wordt meegenomen naar de High Society van Athene,
naar de belangrijke mensen.
Ze vragen ze hem om zijn ideeën uit te leggen.
Want al zijn ze kritisch,
ze zijn wel benieuwd naar wat deze vreemde vogel te zeggen heeft.

En dus doet Paulus een dappere poging om zijn geloof aan ze uit te leggen.
Op een heel andere manier dan in de synagoge,
Waar hij de taal kent, en de mensen weten wat hij bedoelt.
In de kerk hebben we dat ook.
We hebben soms een eigen taal, die we zelf heel goed begrijpen,
Maar die mensen die geen christelijke achtergrond hebben niet zoveel meer zegt. Woorden als ‘genade’, bijvoorbeeld.
Of ‘tabernakel’, het oude woord voor de tent van Israël.
Daarom begint Paulus bij de basics van het geloof: bij God.
Hij zegt tegen de Atheners: ik weet dat jullie hele gelovige mensen zijn.
Overal staan standbeelden, en altaren.
Ik zag er zelfs één staan voor de god die jullie nog niet kennen,
Zodat jullie niemand per ongeluk overslaan.

Ik kom jullie vertellen over een God die jullie niet kennen, zegt hij.
Maar geen God zoals de andere goden die jullie vereren.
Hij is geen God die aan een bepaalde plaats vastzit,
Of die woont in tempels die door mensen zijn gemaakt.
Mensen hoeven niet voor hem te zorgen.
Hij is juist de God die alles heeft gemaakt.
Die mensen het leven geeft.
Die ze adem geeft, en al het andere dat ze nodig hebben.

De Grieken geloofden dat de goden dingen van ze vroegen.
Voor wat hoort wat, dachten ze.
Maar Paulus zegt: God heeft niets van ons nodig!
Wat zouden we aan Hem kunnen geven,
als hij ons zelfs de adem in onze longen geeft?

Het is dezelfde God als de God die Israël door de woestijn leidde.
Zij konden hem ook niets geven. Ze waren van Hem afhankelijk.
Ze konden Hem alleen hun vertrouwen geven.
Het vertrouwen dat overal waar zij kwamen,
God daar met ze mee ging.

Paulus gaat verder met het uitleggen van de basics van het Joodse geloof.
God heeft uit één mens alle volken gemaakt.
En hij gaf de mens de hele aarde om op te leven.
God hoopte dat de mensen hem zouden zoeken,
En dat ze Hem al zoekend en tastend zouden vinden.
Want God is van niemand van ons ver weg.

De God die hij beschrijft,
blijkt een hele andere dan de goden waar de Grieken in geloven.
Hij is niet de God van één ding: de oorlog, of de liefde,
of de zee, of nog iets anders.
Hij is de God van alles.
En Hij is niet aan een bepaalde plek gebonden.
Hij is dichtbij.
Waar je ook bent: als je Hem zoekt, zegt Paulus,
dan laat Hij zich vinden.

Je ziet hem daar staan, tegenover al die hele geleerde mensen.
En eigenlijk zegt hij dat ze het op de hele verkeerde plek zoeken.
Je hoeft God niet te zoeken in standbeelden, of op een hoge berg.
Je vindt God niet in grote theorieën over hoe de wereld in elkaar zit,
of over wat de zin van het leven is.
God is veel dichterbij dan dat.

Hij is de God die ons laat leven, bewegen en bestaan.
Die ons adem geeft.
Hij is geen God die iets van ons nodig heeft,
Maar een God die wij nodig hebben.
Een God die niet te grijpen is, je kunt hem niet zien,
maar die tegelijk heel dichtbij is,
Heel bereikbaar.
Een God die ons zijn zorg en zijn liefde wil laten zien.
Dat deed Hij naar Israël toe, in de woestijn.
Dat deed Hij naar alle mensen, toen Hij zijn zoon voor ons gaf.
En dat doet Hij elke dag weer naar ons.

Die God wil dat wij Hem zoeken.
Het maakt niet uit waar wij zijn, of wat onze situatie is.
Of we in een kerk zijn of ergens anders.
Of we thuis zijn, of op weg.
Of het goed met je gaat,
of dat je net als de Israëlieten in een woestijn zit.
Hij is daar met ons.
En Hij wil zich door jou en mij laten vinden.

Ik ga op reis, en ik neem mee:
mijn geloof, dat God bij me is, en zich laat vinden, waar ik ook ben.

Amen.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *