Filippenzen 2: Superheld
Filippenzen 2: Superheld

Filippenzen 2: Superheld

Tekst: Filippenzen 2:1-15

Deel 1 – Eensgezind

Geliefde gemeente van Jezus Christus, lieve mensen,

Stel je eens voor dat je in een theaterzaal zit.
Een grote zaal, met een podium,
en daar speelt zich een prachtige dansvoorstelling af.
Je ziet de mensen met snelle bewegingen om elkaar heen dansen.
Zó precies tegelijk. Bijzonder is dat om te zien.
Wat een oefening gaat daaraan vooraf, om zo tegelijk te kunnen dansen!
Alle dansers zijn afgestemd op elkaar. Ze zijn een eenheid.

Geen van die dansers danst alleen voor zichzelf.
Als één van de dansers eruit zou willen springen,
de aandacht op zichzelf zou willen vestigen,
dan zou dat het hele stuk alleen maar geweld aandoen.
Het werkt alleen maar als iedereen op hetzelfde doel gericht is.
Als iedereen daar samen voor gaat. En het is ook mooi als dat lukt, als je dat ziet.

Paulus schrijft aan de gemeente in Filippi.
Twee vrouwen in die gemeente, Euodia en Syntyche, hebben ruzie met elkaar.
Waar de ruzie over gaat, dat weet ik niet.
Maar het is wel een échte ruzie.
Ze kunnen niet meer samen door één deur.
Zo erg dat Paulus ervan gehoord heeft, duizenden kilometers verder.

De kerk in Filippi leidt daar schade onder.
Misschien dat beide vrouwen proberen om mensen uit hun kerk aan hun kant te krijgen.
Spreken ze kwaad over elkaar, achter elkaars rug om.
Het is zo oud als de weg naar Rome:
de ander naar beneden proberen te halen, om jezelf te verheffen.

Paulus die heeft ervan gehoord, vanuit zijn gevangenschap in Rome.
Moet je je voorstellen: hij zit in de gevangenis, en hij hoort dat de mensen in Filippi ruzie maken. En hij schrikt ervan.
Want de kerk in Filippi, die gaat hem aan het hart.
Ook de twee vrouwen die ruzie hebben gaan hem aan het hart.
Dat schrijft hij verderop in deze brief. Daar zegt hij:
Euodia en Syntiche hebben samen met mij voor het evangelie gestreden!
Hoe kunnen die nou ruzie hebben?

Nou weten we allemaal wel:
Ruzie maken is helemaal niet zo moeilijk.
Het is moeilijker om het goed te maken, of goed te houden.
Ruzie maken kan beginnen met tegen iedereen vertellen wat je dwars zit,
behalve tegen degene op wie je boos bent zelf.
Of je irritatie opkroppen.
Het is dat een ander precies dat doet waar jij een hekel aan hebt.
Of de dingen heel anders aanpakt dan jij.
Of misschien wel hele andere dromen, hele andere belangen heeft dan jij.

En laten we eerlijk zijn:
Het ís ook niet mogelijk om iedereen te mogen.
Voor sommige mensen heb je nou eenmaal een allergie.
Omdat ze heel anders reageren dan jij.
Of omdat ze je niet lijken te begrijpen.
Omdat ze zúlke andere dingen vooraan zetten, of belangrijk vinden.
Of misschien wel weinig oog hebben voor al het werk dat jij doet.

Paulus schrijft:
Acht de ander hoger dan jezelf.
Nou ja, staan we daar nou om te springen, dat dat tegen ons gezegd wordt?
Dat is helemaal niet meer populair.
Wij krijgen juist te horen dat je voor jezelf op moet komen.
Dat je niet over je heen moet laten lopen.

Acht de ander hoger dan jezelf, is ook niet hetzelfde als:
Duw jezelf naar beneden.

Paulus zegt ook niet: je moet je totaal aanpassen aan elkaar.
Dat persoon A precies moet zeggen wat persoon B zegt,
en dat persoon B precies zo moet zijn zoals persoon C,
en dat persoon C precies hetzelfde mooi moet vinden als persoon A.
Dat kan niet.
Dat kan alleen in een ideale wereld.
Of misschien juist wel in een niet zo ideale wereld,
waarin iedereen hetzelfde moet zijn.
Je houdt het ook niet vol, als je jezelf alleen maar aanpast aan een ander.
Als je steeds maar bezig bent om anderen te pleasen.
Misschien onthoud je dan anderen juist wel iets!

Je mag dus best wel elkaar de waarheid zeggen.
Alleen Paulus daagt de mensen die ruzie hebben wel uit om elkaars belangen hoger te achten dan hun eigen belangen.
Om niet alleen oog te hebben voor wat ze zelf missen.
Voor hun eigen wensen, en verlangens, en behoeften.
Ook al is er niks mis mee om die te hebben, hè?
Maar ook die van de ander te durven zien.
En zelfs die van een ander nét zo belangrijk te vinden als die van jezelf.
Zo niet nog belangrijker.
En dát is waar het spannend wordt.
Want dat vraagt je echt om met de ogen van een ander te kijken.

Paulus roept de mensen in de kerk op om elkaar als broers en zussen te blijven zien.
Ook al heb je als broers en zussen wel eens ruzie:
Je broers en zussen keer je ook niet zomaar de rug toe.
En hij roept de mensen op om samen te beseffen waar ze het voor doen.
Ook al gaan hun verschillen soms ontzettend diep.

Denk aan de dansers.
Zij hebben een gezamenlijk doel.
En dat is een mooie voorstelling neerzetten.
Dan gaat het er niet om dat één van hen belangrijker is dan de ander.
Ze dienen elkaar. En ze dienen samen dat hogere doel.

Zo mag het ook zijn in de kerk, zegt Paulus:
wij hoeven niet alleen gericht te zijn op onszelf,
wij mogen ons ook richten op iets dat groter is dan dat.
En dat ‘iets’, zegt Paulus, dat is Jezus Christus.
In Hem zijn jullie een eenheid.
In hem zijn jullie een familie.
In hem vind je zelf bemoediging en liefde, troost en kracht.
Gun dat dan ook aan een ander.

Je hoeft jezelf niet weg te strepen, jouw behoeftes mogen er ook zijn.
Maar zie ook die van de ander.
En houd vooral dat gezamenlijke doel voor ogen.
Om samen kerk van Christus te zijn.

Het is niet voor niets dat Jezus zei:
wie onder jullie het kleinst is, die zal het grootst zijn.

Het gaat niet om bediend worden, maar om dienen.
Het gaat niet om je plek opeisen, maar om een ander die plek te gunnen.
Het gaat om Jezus. Die zelf alles opgaf, om ons te dienen…

Deel 2 – Overwinnaar

Ik kijk graag naar films!
En één type films die ik wel erg leuk vind, dat zijn films over superhelden!
Misschien kijk je die zelf ook wel eens: ik vind vooral de films van Marvel erg leuk.
Dat zijn films als Iron Man, Captain America, the Hulk. The Avengers.
Ik denk dat een groot deel van jullie dat allemaal weinig zegt.
Maar je snapt natuurlijk wel:
Superhelden, dat zijn mensen die bovenmenselijke krachten hebben.
Die daarmee de wereld steeds weer redden van een groot kwaad.
En soms gaan ze in die films strijdend ten onder,
maar zelfs dan zijn ze nog overwinnaars.
Het lukt ze altijd, waar ze voor vechten.

In de tijd van Paulus had je ook superhelden. Maar andere superhelden!
Goden en halfgoden.
Je kent die Griekse mythes misschien wel. Over Zeus, de oppergod.
En over Poseidon, de god van de zee. Allemaal hele krachtige goden.
Over Hercules.
En niet alleen goden en halfgoden, maar ook ménsen werden als goden vereerd.
Bijvoorbeeld Alexander de Grote, zijn naam zegt het al!
Zo heette hij natuurlijk niet, die naam heeft hij gekregen vanwege zijn daden.
Alexander de Grote heeft in zijn korte leven, hij is maar 33 jaar geworden, twee jaar ouder dan ik,
en hij heeft in dat korte leven een rijk gevestigd van Griekenland, tot Egypte, tot diep in Azië.
Enorm! Er was nog nooit zo’n groot rijk geweest.
Misschien zelfs daarna nooit meer zo’n groot rijk geweest.
Een grote overwinnaar! Hij werd door de mensen als god gezien.

En dan iemand als de Romeinse keizer Augustus.
Die keizer was in de tijd van Jezus.
Zijn naam ken je misschien wel uit het Kerstverhaal.
Dat er een volkstelling was, die was bevolen door Augustus.
Die naam had hij zichzelf gegeven, Augustus.
Wij kennen het natuurlijk van de maand augustus.
Augustus betekent ‘de Verhevene’.
Augustus was een keizer die ook vereerd als een god.
Want hij had vrede gebracht in het Romeinse rijk.
Doordat hij militaire overwinningen had behaald.
En doordat hij wijs regeerde.
In zijn tijd was het vrede in het Romeinse rijk.
Zulke mensen werden als goden, als helden gezien.
Krachtige mensen. Overwinnaars.

Zulke mensen plaatsen wij op een voetstuk.
Misschien al wel vanaf het begin van de mensheid zijn wij bezig met opklimmen.
Ons verheffen. Willen we allemaal wel een beetje als goden zijn.
Dat begint al bij Adam en Eva.
Als jullie van de vrucht van deze boom eten, dan zullen jullie zijn als God!
Jullie zullen aan Hem gelijk zijn.

En dan vertelt Paulus over Jezus.
Jezus, die precies de omgekéérde beweging maakt.
Die niet naar God op probeert te klimmen.
Zoals al die helden, al die overwinnaars.
Maar die al ís als God.
En die juist afdaalt. Die mens wordt.

Jezus zet het hele beeld van wat het betekent om als God te zijn op zijn kop.
Jezus hoefde niet als God te worden. Hij was al gelijk aan God.
Op de een of andere manier, zegt Paulus, was Jezus er al voordat Hij mens werd.
Hij was gelijk aan God, maar hij nam de beslissing om mens te wórden.
Om de weg te gaan van gehoorzaamheid aan God.
Gehoorzaam aan Gods plan. Om door Hem redding te brengen.
En die weg die ging hij, tot aan het kruis aan toe.
Tot aan dat Hij zijn leven voor ons gaf.

Jezus bleef gelijk aan God, Hij bleef één met God,
Maar hij wilde dat niet vasthouden.
Hij wilde dat niet voor zichzelf houden.
Hij was juist bereid om dat op te geven.
Om mens te worden.
Om te lijden, en te sterven.
Aan het kruis was het God, die mens was geworden, en die zijn leven voor ons gaf.
Om te sterven, met de last van het kwaad en de zonde op zijn schouders.
Om die last voor ons te dragen.
En zo te doen wat alleen Hij kón doen.

Als je naar Jezus kijkt, terwijl Hij lijdt, terwijl Hij sterft aan het kruis,
Daar kun je God écht leren kennen.

Voor de mensen in de tijd van Paulus was het een schok.
God, die als een Joodse man aan een kruis hangt. Die lijdt, en sterft.
Dat bestaat toch niet?
Wat was daar nou voor goddelijks aan?

Ook voor ons is het moeilijk te vatten.
Ook wij zien God graag als een machtige overwinnaar.
Die met een knip van zijn vingers het leed in de wereld op kan lossen.
Dat is te horen in de vragen die we stellen:
waar is God, als we het lijden in de wereld om ons heen zien?
Waarom doet Hij niets?
Maar wat zegt het over God, als Hij zich juist laat kennen in Jezus,
die aan een kruis hangt?

Hij is bereid om zichzelf te geven.
Hij klimt niet op.
Hij daalt af. Naar ons.

Jezus liet zien wat het echt betekent om gelijk aan God te zijn.
En daarom, zegt Paulus, heeft God hem verheven.
Hem de naam gegeven boven alle namen.

Deel 3 – Aan de slag met wat God ons geeft

Het stuk dat Paulus schrijft, over Jezus, die mens werd,
Dat is als een lied. Als een gedicht.
Het is zelfs een van de oudst bekende christelijke teksten.

En het punt van dat lied, van dat gedicht,
is dat Jezus dat deed voor óns!
Hij kwam naar óns toe.
Werd mens voor óns.
De zoon van God gaf zijn leven voor ons.
Zodat wij vrij voor Hem mogen staan.

En dat, zegt Paulus, dat dóet iets met je.

Ik hoor als predikant mensen wel eens vertellen over de tweede wereldoorlog.
Wij denken bij de tweede wereldoorlog vaak aan grote, spannende verhalen,
Maar het gewone leven ging vaak ook gewoon door.
Alleen er was in die tijd wel veel schaarste.
Een hoop dingen die buiten oorlogstijd heel vanzelfsprekend zijn, die kon je niet krijgen. Zoals koffie!
Ze hadden toen wel iets dat daarvoor door moest gaan. Iets anders. Namaakkoffie.
Dat smaakte er een beetje naar, dan had je in elk geval íets,
Maar het échte spul, dat moest je missen.

Ik vraag me wel eens af:
Hoe zou het zijn geweest voor de mensen toen,
om na jaren van die namaakkoffie, weer échte koffie te drinken?
Of de smaak te hebben van chocola in je mond?
Wij kunnen dat zo krijgen in de supermarkt,
maar als je dat jaren niet op hebt, hoe moet dat zijn?

En nog belangrijker: zou je dan weer terug willen naar dat je dat niet kon krijgen?
Zou je ook na de oorlog, en na de schaarste van de eerste jaren ná de oorlog,
Zou je dan nog steeds die namaakkoffie blijven drinken?
Of zou je dat dan achter je laten?

Zo, zegt Paulus, mag de liefde van Christus iets met ons doen.
Dat is niet bedoeld om als een gegeven aan te nemen:
Het mag je veranderen!

Blijf je inspannen voor je redding, zegt Paulus.
Zodat je iets van het licht van God mag laten zien!
Wat betekent dat?

Paulus zag een gemeente voor zich met mensen die wisten van de liefde van God.
Maar ook toen was het een gemeente met mensen die heel vaak gewoon op de oude voet doorgingen. Zoals die kerk in Filippi,
Waar de mensen ruzie bleven maken.
Waar ze elkaar de maat bleven nemen. Elkaar soms het licht in de ogen niet gunden.

En dat is best wel begrijpelijk.
Want de wereld om ze heen was niet veranderd.
Ze werden vervolgd.
Ze stonden onder grote druk.
Ze waren bang.

Als ik denk aan die gemeente in Filippi moet ik een beetje denken aan hier de oorlog,
dat de vrijgemaakte kerk zich heeft afgesplitst van de gereformeerde kerk.
In 1944, je zou kunnen zeggen: tijdens het moeilijkste moment van de oorlog.
Juist zo’n tijd met veel spanning kan maken dat andere dingen ook op de spits worden gedreven.

Misschien dat de coronatijd dat nu ook wel eens doet met ons.
Veel dingen liggen stil, maar misschien dat op andere plekken de druk juist wordt opgevoerd.
In de kerk, op je werk, of bij jou thuis.
We staan allemaal onder druk.
We vinden het allemaal spannend.
En je ziet het ook in de samenleving:
De verschillen in de samenleving zijn groter dan ze lang geweest zijn.
In elk geval meer zichtbaar.

Paulus zegt: ook al is de wereld om ons heen niet veranderd,
Ook al is dat nog steeds een plek met veel kwaad, en onrecht,
Toch weten wij wat Jezus voor ons heeft gedaan.
En dát besef mag ons anders maken.
Wij mogen proberen om te zijn zoals Jezus.

Wij hebben een cadeau gekregen. Gods genade. Gods liefde.
En daar mogen we uit leven.
Daar mogen we iets mee doen.
Daar mogen we ons voor inspannen!
En zo misschien iets van Gods licht verspreiden, in de wereld om ons heen.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *