Er is hoop voor de toekomst
Er is hoop voor de toekomst

Er is hoop voor de toekomst

Tekst: Mattheüs 6:7-13 en 31-34, uit de Bijbel in gewone taal

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Er is hoop voor de toekomst.
Ja, wat betekent dat?
Is dat dan straks de hemel op aarde?
Gaat dat ook over jouw toekomst, en mijn toekomst?
Of gaat dat ook over de toekomst van deze aarde?
En als het over de toekomst van deze aarde gaat, wat kunnen wij dan doen?
Als het over jouw toekomst gaat:
heb je daar invloed op, of overkomt het je gewoon?
Ben je bang voor de toekomst? Of juist benieuwd?
Of denk je daar nooit over na, en leef je net als de vogels gewoon bij de dag?

Waar denk jij aan bij ‘de toekomst’?

Je kan in het klein denken aan je eigen toekomst.
Wat voor hoop heb je voor je eigen toekomst?
Dat je gezond oud mag worden.
Dat je mag genieten van je kinderen, of kleinkinderen.
Dat je je eigen bedrijf op mag zetten.
Of werk mag hebben waar je je op je plek voelt.

Je kan ook groter denken, aan de toekomst van de wereld.
Met al dat dreigende wereldnieuws dat steeds weer op ons afkomt.
Wat je onzeker kan maken.
Nieuws over natuurrampen en oorlogen.
Over dreiging.
Over klimaatverandering.
En een groeiende kloof tussen arm en rijk.

Om nog maar te zwijgen over corona,
dat ons leven afgelopen anderhalf jaar heel erg heeft bepaald.
Hoe zal dát verder gaan?
Kunnen we straks bijvoorbeeld weer ‘gewoon’ naar de kerk?
En moet je straks overal je coronapas laten zien?

Hoe zal de toekomst eruit zien?
En welke rol heeft God in jouw toekomst?

Ik wil daar met jullie naar kijken.
Aan de hand van het Onze Vader.

Het Onze Vader is een heel oud gebed.
De leerlingen van Jezus vragen aan hem:
Hoe moeten wij bidden?

Daar kan je je vast wel iets bij voorstellen.
Veel mensen vinden hardop bidden best wel spannend.
Het helpt dan als je woorden kent die je kunt bidden.
Die je richting kunnen geven.
Ook als je het moeilijk vindt om zelf woorden te vinden,
Kun je met die woorden toch bidden.
Zoals het gebed: Here, zegen deze spijze, amen.
Iedereen kent die woorden wel!

En zulke gebeden zijn er meer.
Bijvoorbeeld het gebed dat mijn vader thuis altijd bad.
Misschien ken je dat ook wel.
Wij noemden dat het kleefgebed:

Wij danken U van harte voor nooddruft en voor overvloed.
Waar menig mens heeft brood der smarte, hebt Gij ons mild en wel gevoed.
Doch geef dat onze ziele niet aan dit verganklijk leven klev’,
Maar alles doe wat Gij gebiedt,
En eind’lijk eeuwig bij U leve. Amen.

Je begrijpt natuurlijk wel dat ik als kind maar weinig van dat gebed kon snappen.
En nou moet ik er nog steeds goed over nadenken om te kunnen begrijpen wat je zegt als je dat bidt.
Terwijl het eigenlijk een heel mooi gebed is!

Het Onze Vader kan dat ook een beetje hebben.
Dat je de taal maar wat oubollig vindt.
Of soms net niet helemaal begrijpt.
Dat je bijvoorbeeld net een andere betekenis aan de woorden hecht dan hoe het oorspronkelijk bedoeld is.
Daarom heb ik hem met jullie gelezen uit de Bijbel in gewone taal.

Onze Vader in de hemel,
laat iedereen u eren.
Laat uw nieuwe wereld komen.
Laat op aarde uw wil gedaan worden,
net zoals dat in de hemel gebeurt.
Geef ons vandaag het eten dat we nodig hebben.
En vergeef ons wat we fout gedaan hebben,
want wij hebben ook andere mensen hun fouten vergeven.
Help ons om nooit tegen u te kiezen.
En bescherm ons tegen de macht van het kwaad.
Want u bent koning,
u regeert met grote macht,
voor altijd. Amen.’

Heb je er wel eens bij nagedacht dat dit gebed, het Onze Vader,
Naast een gebed ook meteen een geloofsbelijdenis is?
Je zegt tegen God: U bent onze Vader.
U bent het waard dat de mensen U eer brengen.
U bent Koning, voor altijd.

Wat ík mooi vind aan het Onze Vader, is dat het heel erg basic is.
Je bidt om wat je nodig hebt, en niet om meer.
Het is een kort gebed.
En daar zit juist de kracht in.

Want, zegt Jezus, je kan wel heel lang bidden, met heel veel woorden,
Maar dat maakt niet dat God méér naar je luistert.
Hij hoort je wel.
Bid maar gewoon om wat je nodig hebt, en dan is het goed.
Geef ons vandaag het eten dat we nodig hebben.

En ook al is het een kort gebed,
Toch zit er heel veel in.
Het heeft een grote reikwijdte.
Je bidt voor jezelf. Voor eten. En of God je fouten wil vergeven.
Maar je bidt ook voor de mensen die je tegenkomt.
En voor de wereld om je heen.
Je bidt voor de toekomst van de wereld.

Laat Uw nieuwe wereld komen.
Laat Uw wil gedaan worden op aarde.
In de kerk bidden we:
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede.

Met die woorden bid je voor de hele wereld.
Al het onrecht, alle verdriet, alle pijn van de mensen, breng je bij God.
Zoals we daarstraks hebben gedaan, het ademhalen.
Je ademt uit.
De moeilijke dingen breng je bij God.

En je ademt in.
Je zegt: laat Uw koninkrijk komen. Laat Uw wil gedaan worden,
Omdat God het goede wil voor de mensen.
Wat God wil, is dat er een einde komt aan het onrecht, aan het verdriet, aan de pijn van de mensen.
Dat geloven wij.

In films hoor je wel eens mensen zeggen, als er iets ergs gebeurd is, en ze leggen zich daar gewoon bij neer: het is Gods wil.
Maar ís dat wel wat God wil, als jou, of iemand om je heen, iets ergs overkomt?

Tegelijk is dat ook wel heel lastig.
Want als God al die rampen, al die oorlogen, en ziekte, en nare dingen die er gebeuren, niet wil,
Waarom gebeuren ze dan toch?

Op 11 september hield voormalig president Bush van Amerika een toespraak,
Over de grote ramp die 20 jaar geleden in New York is gebeurd.
Dat terroristen met twee vliegtuigen de Twin Towers in vlogen, en zo vernietigden.
En Bush die zei in zijn toespraak:
“Op dat moment was het enige wat veel mensen konden horen,
de vreselijke stilte van God.”

Waar is God, als zulke dingen gebeuren?
Waar is God, als je ziet wat er nu op de wereld gebeurt?
En als je je daar zorgen over maakt? Zorgen over de toekomst?

Ik hoorde iemand zeggen:
God heeft de touwtjes in handen, maar Hij laat het aardig vieren.
En toch geloof ik dat het goedkomt…

Ik moet zelf denken aan dat mooie gedicht:
het kleine meisje van de hoop.
Die tussen haar grote zussen geloof en liefde in loopt.
Het lijkt alsof zij haar op sleeptouw nemen.
Maar in feite is het de hoop, die haar grote zussen bij de hand neemt,
De toekomst tegemoet.
Ik zal daar eens een stukje uit lezen met jullie.

Het geloof waar ik het meest van hou,
zegt God, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan en de sterren aan de hemel
en in ’t gewemel
van de vissen in de rivieren,
en in alle dieren,

en in het hart van de mens, zegt God,
dat het diepste is
en het meest in het kind
dat het liefste is
dat ik ooit heb geschapen.
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloven, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.

Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te stelpen,
dat je toch vanzelf ziet
hoe ze elkaar moéten helpen.
Ze zouden wel harten van steen
moeten hebben als ze voor een
die tekort heeft het brood
niet uit hun mond zouden sparen.
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.
Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.
 
Daar ben ik van ondersteboven.
Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat
en ze geloven dat het morgen allemaal omslaat.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop nooit als overbodig ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer
wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.


Als je bidt: Laat Uw Koninkrijk komen,
Laat Uw wil gedaan worden,
Dan spreekt daar hoop uit.
Juist tegen alles in, wat zo donker lijkt.
Ook al lijkt het soms zo stil.
Hoop, dat het ook anders kán.
Hoop, dat het ook anders zál worden.
Hoop, dat God er is, ook al zie je Hem niet.
En hoop, dat Hij deze wereld niet los heeft gelaten, en ook nooit los zal laten.
Hoop, dat er een toekomst is, die Zijn toekomst zal zijn.
Dat de wereld echt weer zo mag worden zoals God die vanaf het begin af aan bedoeld heeft.
En hoop, dat dat niet alleen iets is voor de verre toekomst,
Maar dat wij daar nu al naar mogen leven,
Daar ook nu soms al iets van mogen zien.
En mogen láten zien.

Weet je wat ik ook iemand hoorde zeggen?
“Gods toekomst, daar moeten wij aan werken.
Als we dat niet doen, gebeurt het niet.”

Dat is ook een stevig statement!
En ik denk dat mensen daar heel verschillend over denken.
De één zal dat zeggen.
Wij moeten het doen, anders gebeurt het niet!
En de ander zal zeggen:
We moeten ervoor bidden.
Want wij kunnen niets aan de toekomst veranderen!

En hoe jij dat ziet, maakt nogal uit voor de keuzes die jij zelf vandaag maakt.
Als je gelooft dat het helemaal van de mensen moet komen,
Nou, dan kán de moed je wel in de schoenen zinken.
Dan is die hoop wel heel kwetsbaar.
Als de toekomst van ons mensen moet komen, waarom lukt het ons dan steeds niet?
Dat dachten ze in de jaren ’60 van de 20e eeuw ook al:
Wij maken van deze wereld een betere plek!
Wij zorgen dat er geen armoede meer is, en geen honger!
En nou, een halve eeuw later, is er misschien veel veranderd, en verbeterd,
Maar ook heel veel niet. Daar kun je cynisch van worden…
Deze coronacrisis laat het ons ook zien:
De wereld is niet maakbaar.
Ons leven is niet maakbaar. En er is nog steeds heel veel onrechtvaardigheid.

Maar moet je dan helemaal de andere kant opgaan?
En zeggen: okee, wíj kunnen het niet doen, dus moeten we maar met elke poging stoppen?
Wij kunnen klimaatverandering niet tegenhouden, dus laten we maar gewoon doorleven zoals we dat altijd hebben gedaan?
Wij kunnen Afghanistan niet redden, dus laat die vluchtelingen zichzelf maar redden?
Om maar een paar voorbeelden te geven.
Dat is ook weinig hoopvol.
Zelfs als je bidt dat Gods Koninkrijk mag komen.
Als je Gods toekomst verwacht.
Hándel je dan ook naar dat gebed, of spreek je dat alleen maar uit als een wens?

Jakobus, de broer van Jezus, zegt dat in de Bijbel op een behoorlijk harde manier.
Hij zegt:
Wat heeft het voor zin als iemand zégt te geloven, maar hij hándelt er niet naar?
Als iemand nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekortkomt,
en een van jullie zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’,
zonder de ander te voorzíen van de eerste levensbehoeften
– wat heeft dat voor zin?
Zo is het ook met geloof, zegt Jakobus:
als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood.

Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede.

Met die woorden vraag je aan God of Híj dat wil doen. Omdat wij dat niet kunnen.
Of Hij van deze wereld een betere plek wil maken.
Een plek waar Hij koning is.
We bidden dat voor de hele wereld. En we hopen dat ook.
We hopen dat Zijn toekomst mag komen.
Maar we bidden het ook voor ons eigen leven.
Dat God door ons heen al een klein stukje van Zijn toekomst, van zijn Koninkrijk, wil laten zien.
We vragen aan God of Hij ook al koning wil zijn in óns leven.
In de keuzes die wij vandaag maken.
Laat ons doen wat U wil.

En daarin mag je best een beetje mild zijn naar jezelf.
We hoeven niet te denken dat wij Gods Koninkrijk op aarde kunnen brengen.
Dat moeten we zelfs niet denken.
Dat wij zelf alles goed kunnen maken.
Maar we moeten ook niet te klein denken over God.
We mogen God daar wel om vragen, om ín ons en door ons leven,
onze keuzes heen,
Al iets van Zijn toekomst, van Zijn nieuwe wereld te laten zien.

Een oud christelijk gezegde is:
Ora et labora.
Bid en werk, betekent dat.
Of zoals ik een predikant een keer hoorde zeggen:
Bidden én sjouwen.
Dat is echt hoopvol.
Hopen dat God een verschil kan maken,
En hopen dat God ook in jou, en door jou heen een verschil kan maken.
In de toekomst, én vandaag.
Want God is niet pas betrokken op ons leven als Jezus terugkomt.
Dat is Hij ook nu al.

Er is hoop.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede.
In deze wereld.
En ook in mijn eigen leven.
In de toekomst.
En ook vandaag.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *