Preken

Eeuwigheidzondag: Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid…

1 Korintiërs 15:35-44a

Lieve mensen,

Ik heb iets meegenomen. Het is heel klein!
Ik vraag me af of jullie het kunnen zien vanuit je stoel,
of thuis, op de camera.
Maar ik heb een handvol met zaadjes.
En deze zaadjes zouden van alles kunnen zijn!
Mooie bloemen. Of groente. Of zelfs zaadjes een boom.
Is er iemand van jullie die ze herkent?

Deze zaadjes, dat zijn tomatenzaadjes.
Als je die in de grond stopt, dan komt er na een tijdje een tomatenplantje uit.

Alleen aan die zaadjes kan je dat nog helemaal niet zien!
De zaadjes lijken in niks op een tomaat.
Ja, ze zitten ín een tomaat.
Maar als je er goed over nadenkt: dat hieruit zo’n hele plant kan groeien?
Als je alleen dat zaadje ziet, dan kan je je dat nauwelijks voorstellen.

Wat bijzonder dat Paulus het met zo’n zaadje vergelijkt, als iemand komt te overlijden.
Met het zaaien van zo’n zaadje.
Want als je een zaadje in de grond stopt, dan is dat niet het einde.
Het zaadje verdwijnt, het sterft.
Maar er gebeurt iets mee.
Er ontstaat nieuw leven.
Het zaadje groeit uit tot een plant.

In de kern, in de basis blijft het hetzelfde,
Een tomatenzaadje wordt geen aardappelplant.
En een zaadje van een zonnebloem wordt geen geranium.
Maar toch wordt het ook iets heel nieuws. Iets heel anders!

Waarom vergelijkt Paulus ons lichaam met zo’n zaadje?
Paulus wil daarmee zeggen dat de dood niet het einde is.
Dat er iets heel nieuws zal komen.
En ook: dat dat nieuwe níet te vergelijken is met het oude.
Je wordt een nieuw mens.
Dezelfde als die je was, niet iemand anders,
maar wel op een hele nieuwe manier.

Dat nieuwe is zelfs hoe God ons uiteindelijk heeft bedoeld!
Het doel van een zaadje is dat er een plant uit mag groeien.
Je stopt het in de grond, omdat je weet:
Straks wordt dit een prachtige bloem uit, of een mooie plant.

Nieuw leven.

Een spannende vraag bij dit gedeelte dat we hebben gelezen, is:
Waar heeft Paulus het nou precies over?
Heeft hij het over hoe het zal zijn in de hemel?
Of heeft hij het over iets anders?

Om dat te begrijpen helpt het om iets te weten van de omstandigheden waarin Paulus deze brief schrijft.
Paulus was een apostel. Een zendeling.
Hij was één van de eerste christenen,
En hij trok rond in de landen rond de middellandse zee,
Om mensen te vertellen dat Jezus de zoon van God is.
Dat Jezus is gekruisigd, en is opgestaan uit de dood.

Paulus doet dat omdat hij zélf een ontmoeting heeft gehad met de opgestane Jezus.
Een ontmoeting die zijn leven heeft veranderd.
Hij is onder de indruk gekomen van de goedheid en de liefde van God.
En daar wil hij iedereen over vertellen.

Die eerste christenen, en de kleine kerken die zij overal stichtten,
zoals in de Griekse stad Korinthe,
Die hadden het helemaal niet makkelijk.
Christenen werden om hun geloof bedreigd. Ze werden gevangen gezet.
En soms zelfs ter dood gebracht.
En dat maakte het leven heel angstig voor ze.
Toch hadden ze iets om aan vast te houden:
En dat was dat ze geloofden dat Jezus naar de hemel was gegaan,
Maar dat hij ook snel weer terug zou komen.
En als Hij zou komen,
dan zou er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen,
En dan zouden de doden uit hun graven opstaan.

Maar ze worstelden daar ook mee.
Hoe zou dat eruit zien?
Hoe zou dat zijn?
Zou het wel echt zo gaan gebeuren?

Zeker omdat er binnen het Jodendom, waar het christendom uit voortkomt,
Al verschillende stromingen waren.
Er was een stroming, de Farizeeërs, die zeiden:
Straks, als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen,
Dan maakt God alles weer nieuw!
En dan zal Hij ons óók weer helemaal nieuw maken.
Hij zal ons op laten staan uit de dood.
Voor mensen die daar in geloofden was dat echt iets om naar te verlangen.
Om naar uit te kijken.

Er was ook een Joodse stroming, de Sadduceeërs, die daar helemaal niet in geloofden.
Die dat zelfs belachelijk maakten.
Een leven na de dood? Daar geloof ik niet in.
Dít leven is alles wat er is! Daar gaat het om.
Dát is wat God aan ons heeft gegeven, en daar moeten we het mee doen.
Leven na de dood, dat is wensdenken.
En opstanding uit de dood, dat is onmogelijk.

Zo zie je maar:
2.000 jaar geleden waren mensen helemaal niet zo anders dan nu.
Ook toen konden mensen er heel verschillend in staan.

Nou schrijft Paulus dit gedeelte om die eerste christenen een hart onder de riem te steken.
Christenen die met bedreigingen en vervolging te maken hebben.
En er zijn ook mensen in hun gemeente die ziek worden, en sterven.
Terwijl ze wachten tot Jezus terugkomt.
Hoe lang duurt dat nog?

En dat maakt ze ook onzeker.
Want ze horen van alles om zich heen,
maar ze weten niet zo goed hoe ze daarop moeten reageren.
Blijkbaar waren er in die kerk in Korinthe,
waar Paulus deze brief aan schrijft,
óók mensen die er een beetje lacherig over deden.
God, die ons straks op laat staan uit de dood?
Hoe ziet dat er dan uit?
Wat voor voorstelling moet ik me daarbij maken?

Misschien dat je daar zelf ook wel eens over nadenkt.
Kán er wel leven zijn na dit leven?
En hoe ziet dat er dan uit?
Dat zijn helemaal geen gekke vragen.
Ik denk dat we ons daar allemaal wel eens mee bezighouden.

Zeker als je zelf met een overlijden te maken krijgt, in je naaste omgeving.
Als je zelf iemand hebt verloren.
Dat voelt heel definitief.
Je hebt iemand niet meer bij je.
Je moet diegene missen.
En dan hoop je dat de dood niet het einde is.
Dat het met de dood niet zomaar ineens voorbij is.
Ook al kan dat wel zo voelen.

Maar dat het moeilijk is om je een voorstelling te maken van hoe dat kan zijn,
is helemaal niet raar.
Daarom is dat beeld dat Paulus gebruikt ook zo mooi.
Dat beeld van een zaadje, dat je in de grond stopt,
en waar vervolgens iets heel nieuws uitgroeit.

Stel je voor dat je alleen dat zaadje had gezien, en nooit een plant, of een bloem.
Had je dát dan van tevoren kunnen bedenken?
Dat het zoiets moois zou worden?
Gaat dat niet je voorstellingsvermogen te boven?

Nou hééft Paulus het in dit gedeelte níet in eerste plaats over de hemel.
Hij heeft het over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Als Jezus terugkomt, dan zal God álles nieuw zal maken.
En dan zullen ook de doden opstaan,
En een heel nieuw lichaam krijgen.
Want dat was waar de mensen waar hij aan schreef heel erg mee bezig waren.
Wanneer komt dat? Hoe zal dat zijn?

Maar dat betekent niet dat het niet ook geldt voor de hemel.
De kern van wat Paulus zegt is dit: kijk eens naar Jezus.
Wij geloven dat Jezus is gestorven, maar ook dat God hem heeft opgewekt uit de dood.
En als Jezus is opgestaan uit de dood, dan is hij een hele nieuwe schepping.
Hij is geen geest. Hij heeft een lichaam.

Hij is nog steeds wie hij daarvoor was.
De littekens van het kruis staan nog in zijn handen.
Dat laat hij aan zijn leerlingen zien.

Maar hij is ook niet meer zoals hij was.
Je ziet dat aan dat hij nog wel eet met zijn leerlingen,
Maar als ze bij elkaar zijn in een afgesloten ruimte, staat Jezus ineens in die kamer.
Hij heeft nog steeds de wonden in zijn handen en in zijn zij,
Hij laat Thomas, een van zijn leerlingen, daaraan voelen,
Maar hij is tegelijk levend, en gezond.

En zoals hij is, gaat hij naar zijn Vader in de hemel.
En hij zegt tegen zijn leerlingen:
Je hoeft niet ongerust te zijn.
ik heb daar ook een plek voor jullie klaargemaakt.

Voor Paulus is dat een belangrijke reden om te geloven dat de dood niet het einde kan zijn:
Dat het Pasen is geweest.
Jezus is gekruisigd, en gestorven, en op de derde dag opgewekt uit de dood.

Het oude is begraven, en daar is iets heel nieuws uit voortgekomen.
De taal die Paulus gebruikt is bijna poëtisch, als een gedicht:

Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid – wat sterfelijk was, en kwetsbaar,
wordt in onvergankelijke vorm opgewekt – een vorm die niet meer vergaat.
Een lichaam dat niet meer ouder wordt, of ziek wordt, of sterft.
Wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid,
wordt met schittering en kracht opgewekt.
Er wordt een aards lichaam gezaaid,
maar een geestelijk lichaam opgewekt. Een hemels lichaam.

En het is zo moeilijk om je daar een voorstelling van te maken.
Dat mag je best laten staan.

Paulus schrijft dit vooral om hoop te geven.
Ook al weet je niet wat voor voorstelling je je ervan moet maken.
Als je sterft, is het zoals een zaadje dat de grond in gaat,
maar waar een prachtige plant uit groeit.
Het wás onaanzienlijk, maar het zál schitterend zijn.

En die woorden van Paulus zijn woorden waar je je aan vast mag houden.
Voor hem is het zelfs iets om naar te verlangen!
Ergens anders schrijft hij:
Als ik sterf, dan weet ik dat ik bij Christus mag zijn.
En dan is het goed.
Daar vertrouwt hij op, en op een bepaalde manier kijkt hij daar zelfs naar uit!

Ook al is dat niet hoe voor jou de werkelijkheid er op dit moment uitziet.
Je hebt met verdriet gezaaid.
Iemand is je uit handen gevallen.
Degene waar je zo van hield.
Die je los moest laten.
Na een goed en lang leven,
of veel te snel, veel te vroeg.

Misschien voel je wel boosheid daarom, of onmacht, onbegrip.
Het kan wél voelen alsof de dood het laatste woord heeft.

Een Bijbeltekst als deze is ook niet bedoeld als snelle fix.
Alsof je dat verdriet, en die pijn, en die boosheid, niet mag voelen.
Het is geschreven vanuit een situatie waarin mensen ook zelf worstelden met wat ze meemaakten.
Ook zij hadden te maken met ziekte, en met overlijden.
Dat is juist de reden waaróm Paulus dit schrijft.
Paulus noemt de dood in ditzelfde hoofdstuk zelfs een vijand.

Maar hij noemt het ook een vijand die is overwonnen.
Die ons geen angst meer hoeft aan te jagen.

Je zaait in vergankelijkheid.
Het leven is kwetsbaar.
En iemand aan de dood verliezen, doet pijn.
Aan het zaadje dat je in de grond stopt, kan je niet zíen wat eruit zal komen.

Als je een zaadje plant, dan doe je dat ook in vertrouwen, en hoop.
Hoop dát er uiteindelijk iets uit mag groeien.

Voor ons is het in die zin nóg moeilijker.
Want een plantje zíe je na een tijdje opkomen.
Maar wij kunnen niet een kijkje nemen bij hoe het zal zijn.
Wij kunnen niet een blik werpen in de hemel.
Ook al zouden we dat soms zo graag eens willen!

Alleen ondanks ons verdriet, hebben wij óók reden om hoopvol te zijn.
Hebben wij ook reden, hele goede reden,
om níet bang te hoeven zijn voor de dood.
Om te geloven dat het met de dood niet voorbij is.

Want Jezus is uit de dood opgestaan.
En dat geeft ons de hoop dat de dood niet het laatste woord heeft.
Sterker nog: dat geeft ons de hoop dat op een dag de dood er niet meer zal zijn!

Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid
wordt in onvergankelijke vorm opgewekt.
Wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid,
wordt met schittering en kracht opgewekt.
Amen.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *