Doopdienst Teun
Doopdienst Teun

Doopdienst Teun

Tekst: Matteüs 18:1-5

Lieve mensen,
Persoonlijk hou ik erg van de boeken en de films van Narnia.
Misschien heb je die ook wel eens gelezen, of gezien.

Narnia is een sprookjeswereld,
waar vier kinderen uit ‘onze’ wereld in verzeild raken.

Het begint allemaal als die vier kinderen tijdens de tweede wereldoorlog worden geëvacueerd vanuit Londen, naar een huis op het platteland.
Een groot landhuis, waar een professor woont.
Het is zo’n huis met allemaal gangen en hoeken en geheime deuren,
waar je heel goed verstoppertje kunt spelen.

En als ze dan op een dag verstoppertje aan het doen zijn,
Verstopt het jongste zusje zich op een kamer waar alleen een hele grote kledingkast staat.
Ze hoort de anderen al aankomen, dus ze stapt gauw die grote kast in,
en trekt de deur net niet helemaal achter zich dicht.

Door het kiertje kijkt ze of haar broers en zus eraan komen.
En dan doet ze voorzichtig een stap naar achteren, en nog één, en nog één.
En ze denkt: dat kan toch helemaal niet?
Ik zou allang bij de muur moeten zijn!
Maar dan draait ze zich om, en ziet ze dat ze midden in een bos staat.

Dat bos, dat hoort bij het land Narnia.
Een land, in hun kleerkast!
Als ze daar eventjes geweest is, gaat ze weer terug, door de kleerkast, naar het huis.
En ze rent naar haar broers en zus toe, en vertelt ze álles wat ze heeft gezien.

Alleen haar broers en haar zus geloven haar niet.
Ze gaan met haar mee naar de kast, maar daar is niks bijzonders aan te zien.
En als ze maar blíjft zeggen: “Ik heb het écht gezien! Het was er écht!”
Dan zeggen ze tegen haar: je moet eens ophouden met die spelletjes.
Word eens volwassen!
Word eens volwassen.
Doe niet zo kinderachtig.
Daar ben je te groot voor.
Je bent toch geen kind meer?

Volwassenheid, dat is dat je je verstand leert gebruiken.
Dat je na gaat denken.
Dat je weet hoe je je hoort te gedragen.
Dat je verantwoordelijkheid neemt.
Het is niet voor niets dat je pas auto mag rijden, en alcohol mag drinken, en mag stemmen, en zelf je keuzes mag maken, als je volwassen bent.

In het verleden was het zelfs zo, in heel veel samenlevingen,
dat kinderen helemaal niet meetelden.
Als kind, dan was je een volwassene die nog niet zo ver was.
Kinderen zijn hinderen.
Kinderen moesten léren zich te gedragen.
Of ze hadden helemaal geen kans om kind te zijn.
Hoe vaak hoor je hier op het Groningse platteland niet van grote gezinnen, waar de oudste kinderen, vooral de meisjes,
al heel jong moesten helpen om het gezin draaiende te houden.
Een kind, dat was een extra mond om te voeden.
Als ze volwassen werden, dan kon je ze mee laten helpen, of aan het werk zetten.

In die tijd werd er ook veel jonger getrouwd dan nu.
Je wás al veel eerder volwassen.

In de samenleving van Jezus werd ook zo gekeken naar kinderen.
Kinderen, die moesten vooral snel opgroeien.
En niet te lastig zijn.
Kinderen telden eigenlijk niet mee.
Het is niet voor niets dat als op een dag een stel kinderen bij Jezus wil komen,
Zijn leerlingen ze tegenhouden.
Jullie hebben hier niets te zoeken!
En dan zegt Jezus: laat ze maar komen.
Hou ze niet tegen.
Hij heeft wel aandacht voor die kinderen. Hij ziet ze.
Vandaag lezen we dat de mensen die met Jezus optrekken, zijn leerlingen, een vraag aan hem stellen.
Ze zien Jezus als een leraar. Een rabbi.
Een autoriteit op het gebied van geloof.
Iemand aan wie je moeilijke vragen kúnt stellen.

Dus ze vragen aan Jezus:
Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?
Wie telt voor God het meeste mee?
Wie vindt God de belangrijkste?

Voor ik verder ga wil ik eerst even stilstaan bij de betekenis van ‘het koninkrijk van de hemel’.
Wat bedoelen de leerlingen van Jezus daarmee?
Waar denk jij aan bij de hemel?
Misschien denk je wel aan het leven na dit leven.
Hoe zal het dan zijn?
De hemel, als de plek waar mensen naartoe gaan als ze zijn overleden.
Dat is niet zo’n gekke gedachte.
Want in de hemel is het goed.
In de hemel ben je bij God.

Het Koninkrijk van de hemel, daar wordt mee bedoeld:
Als op een dag de hemel op aarde is,
Hoe zal het leven dan zijn?
Het wordt op andere plekken in de Bijbel wel het ‘koninkrijk van God’ genoemd.
Een plek waar God Koning is.
Waar het leven is zoals God het bedoeld heeft.
Waar het goed is.

In de hemel is God Koning.
Daar is het zoals God het bedoeld heeft.
En op een dag, dan komt de hemel op aarde,
En dan is het leven op aarde ook zoals God het bedoeld heeft.

En wie zal dan de belangrijkste zijn?, vragen zijn leerlingen aan Jezus.
Wie telt dan het meeste mee? Naar wie kijken de mensen dan op?
Een mooie vraag.
Al weet ik niet of het antwoord dat Jezus geeft,
het antwoord is dat zijn leerlingen verwacht hadden.

Je leest in de Bijbel dat de leerlingen van Jezus een keer ruzie maken.
Ik ben de belangrijkste!
Ik ben de meest trouwe volgeling!
Ik doe het meeste werk!
Ik was er het eerste bij!
Ik heb het grootste geloof!
Ik zou het meest voor hem over hebben!
Hij vertrouwt mij het meeste!

En dan zegt Jezus:
Jullie moeten niet de belangrijkste wíllen zijn.
Niet degene van jullie die de baas is, die vooraan staat,
Maar degene van jullie die de anderen díent,
Die niet zichzelf, maar de anderen op de eerste plek zet,
Díe is voor God het belangrijkste.
Die niet eerst denkt om zijn eigen hachje,
Maar die de nood van anderen ziet.
Die om anderen geeft.

Vandaag lezen we dat de leerlingen van Jezus vragen:
wie is de grootste in het koninkrijk van de hemel?
En dan doet Jezus iets heel verrassends.
Hij wijst niet een van zijn leerlingen aan.
Dat hadden ze misschien wel gehoopt.
Maar Hij neemt een kind op schoot.

Zo’n kind dat in zijn tijd niet meetelde.
Waar niet naar geluisterd werd.
Dat maar zo snel mogelijk moest opgroeien.
Volwassen moest worden.

En hij zegt:
Je moet zijn als dit kind.
Als je niet verandert, als je niet wordt als een kind,
dan zul je het Koninkrijk van de hemel niet binnengaan.

Waarom een kind?
Jezus zegt daar even verderop iets heel moois over.
Een vers dat ik zelf maar nauwelijks begrijp,
maar het is wel een heel mooi beeld:
Hij zegt:
Hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader.

Het is alsof Jezus wil zeggen:
Kinderen leven heel dicht bij God.
Dichter dan wij vaak denken.
Misschien juist wel door hun oprechtheid.
Hun vertrouwen.

Anne en Marloes vertelden een mooi verhaal over Roos.
Roos had last van de zon.
Die was te fel, vond ze.
Ze zou wel even met God gaan praten,
En dan zou God de zon wel wat minder fel maken.
Dan hoefde ze alleen maar op de schouders van haar papa en mama te gaan staan,
Want dan was ze dicht genoeg bij God.

Je kunt daarover lachen.
Maar je kan ook denken:
Wat kun je van het geloof van kinderen léren?
Het is mooi om daarvoor open te durven staan.
Dat je ook iets van ze kunt leren.
Het is een heel letterlijk geloof, omdat kinderen heel letterlijk denken.
Voor een bepaalde leeftijd kunnen ze nog geen beeld maken van abstracte dingen.
Heb je het over de hemel, dan is dat gewoon een plek in de lucht.
Zie je een man met een baard, dan zou dat zomaar Jezus kunnen zijn!
En dat bedoel ik niet als grapje.
Zo denken kinderen echt.
Zo dacht ik zelf als kind ook.
Kinderen hebben een heel groot vertrouwen.
En Marloes zei ook:
Kinderen maken zich veel minder zorgen.
Voor hen is de wereld minder gecompliceerd.
Ze zijn heel puur, heel echt.
Al kun je ze ook wel eens achter het behang plakken.

Wie zichzelf vernedert, en wordt als dit kind,
die is de grootste in het Koninkrijk van de hemel.
Die is het grootste in de ogen van God.

Voor ons heeft het woord ‘vernedering’ een negatieve klank.
Maar zo bedoelt Jezus het niet.
Het gaat om perspectief.
Stel, je kijkt naar je eigen leven met een verrekijker.
Je zoomt in op alles waar je wel tevreden over bent,
Of waar je eigenlijk niet zo blij mee bent,
Op hoe je over jezelf denkt,
En op hoe anderen over je denken.

En wat Jezus dan doet, is de verrekijker pakken, hem omdraaien, en je er dan wéér door laten kijken.
Niet inzoomen op jezelf, maar uitzoomen.
Jezelf kleiner maken.
En meer om je heen kijken.

Dat Jezus een kind op zijn schoot neemt,
En zegt: wie de belangrijkste wil zijn, moet zijn als dit kind,
Dat draait alles om.

Ook hoe het in de wereld om ons heen werkt.
Wanneer ben je bij ons de grootste?
Als anderen naar je opkijken.
Als je meetelt.

Wij leven in een tijd waarin het belangrijk is dat het plaatje van je leven klopt.
Wij leven in een tijd waarin je verlangt dat mensen naar jou kijken,
En zeggen: zo zou ik ook willen zijn.
We kijken naar influencers, en BN’ers, bekende Instagrammers en Tiktokers.
Mensen die het goed voor elkaar lijken te hebben.
En daar spiegelen we ons aan.

In Gods Koninkrijk draait het om kwetsbaar durven zijn.
Want trots en arrogantie, en jezelf groot maken,
dat zijn de dingen die meer dan wat dan ook mensenlevens kapot kunnen maken.
Je eigen leven, en dat van mensen om je heen.
Dat zien we op dit moment ook in het groot gebeuren,
als mensen het door hun trots goedpraten om een oorlog te starten,
en hun buurland binnen te vallen.

Jezus zegt:
In het Koninkrijk van God gaat het er niet om wie het sterkst is, of het rijkst, om wie zichzelf vooraan zet.
Maar precies andersom.
Het gaat niet om de controle vasthouden, maar om vertrouwen.
Het gaat om dat je anderen vooraan zet, in plaats van jezelf.

Een mooi voorbeeld vind ik persoonlijk de huidige paus, paus Franciscus.
Hij bekleedt het hoogste ambt in de Rooms-Katholieke kerk.
Hij kan de dienst uitmaken.
Hij kan de boel naar zijn hand zetten.
Maar dat is niet hoe hij het wil gebruiken.

Hij wil dat hoogste ambt gebruiken om vrede te brengen.
Om te dienen.
Hij wil niet boven de mensen staan, maar naast de mensen.
Als er een kind bij hem komt,
of iemand met een verstandelijke beperking,
vindt hij die net zo belangrijk als ieder ander.
Nog belangrijker misschien zelfs!

Het mooie aan het verhaal dat we vandaag hebben gelezen,
is dat Jezus dat kind niet alleen op schoot neemt als voorbeeld.
Om zijn leerlingen iets te leren.
Het kind op zijn schoot is voor hem geen doel tot een middel.
Hij geeft ook om dat kind.
Het doet ertoe voor hem.

Juist omdat kinderen zo goed van vertrouwen zijn, lopen zij het meeste risico.
En daarom zegt Jezus:
Wie zo’n kind beschermt, bij zich opneemt,
Wie het voor zo’n kind opneemt, die neemt het voor Mij op.
Jezus identificeert zichzelf met het kind.

Dat is ook een mooie les voor de kerk.
Als je kinderen geen plek geeft,
als je je aan ze ergert,
als je op ze neerkijkt,
dan negeer je eigenlijk hen die het dichtst bij God leven!
Dat is wel even een spiegel!

En het laat ook onze verantwoordelijkheid zien naar al die kinderen die op dit moment moeten opgroeien in een oorlog, of met honger, of op straat, of in een krottenwijk.
Wie in mijn naam één zo’n kind ontvangt, die ontvangt Mij, zegt Jezus.
Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *