Preken

Daniël (3): Angst en verlangen

Daniël 3:1-18

Elke dag krijg je bewust of onbewust heel wat reclame te zien.

Dan lees je in de krant, en denk je: wat een interessant artikel!
Totdat je bovenaan de pagina kijkt. Dan staat daar in kleine letters: advertentie.

Of je kijkt TV.
Tussen programma’s door komt daar natuurlijk allemaal reclame voorbij.
Maar ook als mensen in een film een blikje cola drinken is dat reclame.

En op internet kom je heel veel reclame tegen.
Van die bewegende beelden die heel erg je aandacht trekken.

Of je swipet op je telefoon op Facebook lekker door berichten heen.
En bijna bij de helft van de berichten staat dan boven het bericht: ‘gesponsord’.
Dat is een heel mooie benaming voor reclame.

Ik wil wel eens een reclamefilmpje met jullie kijken.
Om eens samen te kijken wat er gebeurt als je zo’n filmpje ziet.

Deze reclame spreekt niet je verstand aan, maar een gevoel.
Dit was een reclamefilmpje van een niet nader te noemen chocopastamerk :p
Maar je ziet heel veel gebeuren in deze reclame dat helemaal niks met die chocopasta te maken heeft.
“It’s good to be together”, is de slogan.
Het is goed om samen te zijn.

Je ziet een gelukkig gezin, die samen pannenkoeken aan het maken is.
Ze hebben plezier.
Daar gaat het om.
Pas heel laat komt de chocopasta in beeld.
En dan is het zo’n enorm dikke laag.
Zo’n laag zoals je thuis nooit op je brood zou mogen smeren :p

En het mooiste shot is op het eind:
Het zoontje geeft zijn moeder een kus op de wang.
Hij is blij, zijn moeder is blij.
Oftewel: met deze pasta maak je je gezin gelukkig.
Dat is wat de reclame wil vertellen.

Wat gebeurt er met je, als je zo’n filmpje ziet?
Je denkt dat er weinig gebeurt.
“Ik kies heel bewust wat ik koop en wat niet”.
Maar je wordt toch door die reclame beïnvloed.
Niemand van ons gelooft dat chocopasta je gezin gelukkig kan maken,
Maar toch is dat wel het gevoel dat je aan de reclame overhoudt!

We denken vaak van onszelf dat wij heel rationeel zijn.
Dat we onze keuzes maken op basis van dat we goed over dingen nadenken.
Maar we zijn helemaal niet zo verstandelijk als we denken,
En ook lang niet altijd zo verstandig.
Wij handelen veel meer vanuit ons gevoel,
Vanuit onze verlangens, en angsten,
dan vanuit de overwegingen die we maken.
En dat zeg ik niet omdat daar iets mis mee is:
Zo zitten we nou eenmaal in elkaar.

Je kan zeggen, als je die reclame ziet:
wat slecht, die reclame probeert mij te beïnvloeden om iets te kopen.
Maar de reclamemakers spelen er gewoon op in hoe wij in elkaar zitten.
Ze spelen in op ons gevoel.
En je kan ze geen ongelijk geven.
Alleen je bent je daar niet altijd van bewust!

Nou is dat waar het Bijbelgedeelte dat wij vanmorgen hebben gelezen over gaat:
Over handelen vanuit je gevoel.
Vanuit je verlangens, en vanuit je angsten.

Het Bijbelverhaal gaat over koning Nebukadnessar.
De afgelopen weken hebben we vaker over hem gelezen.
Koning Nebukadnessar is één van de tien machtigste mannen die ooit hebben geleefd.
Hij is koning van het grote Babylonische rijk,
Een enorm rijk dat zich uitstrekte over een gebied van Pakistan tot Griekenland tot Egypte.

Nebukadnessar wil dat iedereen weet hoe machtig hij is.
Daarom laat hij een enorm gouden beeld maken van dertig meter hoog, en drie meter breed.

Wij denken dan aan een beeld van hemzelf.
Maar bij dertig bij drie meter krijg je wel een heel langgerekt beeld.
Dat is helemaal uit verhouding.
Het kan ook een hele hoge zuil geweest zijn.
Niet van massief goud,
want daar heb je zoveel goud nodig als er op de hele wereld niet is,
maar die zuil was bedekt met goud.
En daarop stonden afbeeldingen van de grote daden die Nebukadnessar als koning heeft gedaan. Wat hij allemaal heeft bereikt.

Dat beeld was bedoeld om de mensen die het zagen met bewondering te vervullen.
Het is een toonbeeld van zijn macht.
Het ademt succes uit.

De mensen die in het paleis van de koning woonden, en die hem dienden,
dat waren bijna allemaal koningen, prinsen en vooraanstaande mensen
uit de volken die Nebukadnessar had overwonnen.
Zij wisten uit eigen ervaring hoe groot zijn macht was.
Hij had hun hoofdsteden in puin gelegd met zijn legers.
Hun tempels verwoest.
Hun schatkamers geplunderd.
Hun volken als slaven meegevoerd naar Babel.
En zelfs zij, koningen en prinsen,
Waren nu bedienden in zijn paleis.

Dat gouden beeld was bedoeld om hun gevoel te bevestigen.
Nebukadnessar wilde dat alle mensen in het land door dat prachtige gouden beeld onder de indruk zouden komen van zijn rijkdom, succes en macht.

Meer nog: hij wilde dat de mensen dat beeld zouden aanbidden.
Dat ze er letterlijk in aanbidding voor op hun knieën zouden vallen.

Aanbidden is een belangrijk woord in de Bijbel.
Het is het eerste gebod van de tien geboden,
dat God zegt:
Ik ben de enige God, die jullie heeft bevrijd uit Egypte.
Ik wil dat jullie alleen mij vereren. Alleen mij aanbidden.

Aanbidden is dat je iets groot maakt.
Wat jij aanbidt, dat is wat je op de eerste plek zet.
Het is wat het belangrijkste is voor je.
Wat je je leven laat bepalen, wat je richting geeft.

Als je God aanbidt, dan zeg je tegen God:
U bent de grootste. U bent het belangrijkste voor mij. Ik heb U lief.

Maar zo kan je ook andere dingen aanbidden.
Andere dingen op de eerste plek zetten in je leven…
Je kan bijvoorbeeld geld aanbidden.
Als je altijd maar bezig bent met hoeveel je verdient, met wat je allemaal hebt, en kan kopen,
en als je op mensen neerkijkt die minder geld hebben,
Dan hang je daar je hele leven aan op.
In Bijbelse taal zou je zeggen: je aanbidt het.
Je maakt geld het belangrijkste wat er is.

En dat is wat Nebukadnessar wil van de mensen in zijn rijk.
Hij wil dat de mensen zijn macht aanbidden.
Nebukadnessar laat het gouden beeld oprichten,
omdat hij absolute toewijding wil.
Hij wil de allerbelangrijkste zijn voor de mensen in zijn rijk.
Hij wil dat de mensen hem bewonderen, en aanbidden.
En hij dreigt dat als je niet voor het beeld buigt,
Je in een brandende oven gegooid wordt.
Maar eigenlijk is dat nauwelijks nog nodig.
Want hij zet dat prachtige beeld er tegenover.
Indrukwekkend! Helemaal bedekt met goud.
Bij het beeld spelen de beste muzikanten in zijn land.

Waarom zou je daar niet voor willen buigen?
Het is toch duidelijk dat de macht van Nebukadnessar enorm is!
Dat het geen einde kent?
Iedereen weet dat toch?
Je wíl toch bij hem horen?
Je wíl hem toch toegewijd zijn?
Zo’n grote koning!
Wie kan er nog tegen hem op?
Zelfs de goden van al die landen die hij heeft veroverd hebben hem niet kunnen stoppen.

Dát is wat Nebukadnessar wil: dat de mensen aan hem toegewijd zijn.
Dat ze hém vereren.
En hij weet dat het daarvoor niet genoeg is dat de mensen bang voor hem zijn.
Hij wil de mensen niet alleen maar bang maken, door te dreigen met een oven:
hij wil ze onder de indruk maken door schoonheid, door dat prachtige gouden beeld.
Hij wil dat ze uit zichzelf voor hem neerknielen.

De kerkvader Augustinus zei ooit:
‘Wij mensen zijn geen denkende wezens; dat denken we maar.
Wij zijn liefhebbende wezens.’

Dat betekent dat we ons veel laten meer leiden door onze emoties, en ons gevoel,
Dan door ons verstand.
Dat is hoe we in elkaar zitten!

Kijk naar die reclames die je elke dag ziet.
Je hoort daar nauwelijks argumenten.
Dat zou niet werken, als er alleen maar feiten werden opgesomd.
Dat zou je niet overhalen om iets te kopen.
Wat je meekrijgt, is een gevoel.

Net zoals de mensen in het rijk van koning Nebukadnessar krijg je elke dag gouden beelden voorgeschoteld:
Beelden van een gelukkig gezin, van dat mensen je aardig vinden, van mooie spullen, van succes, van avontuur.
En je krijgt ook angsten voorgeschoteld, vurige ovens:
dat je níet mee kan doen, dat je er níet bij hoort.
Dat je geen succes hebt.
Dat je al die mooie dingen die je in de reclame ziet moet missen.

Want ook nu zijn er nog allemaal gouden beelden en brandende ovens.
En zulke beelden zijn sterk. Die bepalen ons vaak meer dan wij denken.

We willen gelukkig zijn.
We willen voldoen aan het plaatje dat we hebben van wat gelukkig zijn ís.
We willen een huis dat net zo mooi is als dat van onze vrienden.
We willen een goede baan hebben, waar je met trots over kan vertellen:
Ik heb het op de rit!
We willen een mooie vakantie, waar je ook mooie foto’s van kan laten zien.
We willen dat mensen ons volgen, en liken.

En de brandende oven is dat je niet mee kan komen.
Dat je het allemaal niet voor elkaar krijgt.
Dat je je studie niet afmaakt, of dat je relatie stuk loopt.
Of dat je werk doet waar je niet op je plek zit.
Of dat je een burn-out hebt,
Of dat je van heel weinig rond moet komen,
en heel veel dingen moet laten schieten.

Dat plaatje waar we allemaal aan moeten voldoen:
voor heel veel mensen is dat niet bereikbaar.
Of we bereiken het wel, maar hoe gelukkig maakt het ons echt?
Is het echt geluk?
Is het echt waar het om draait?
Of is het een gouden beeld?

Een gouden beeld, waar je van onder de indruk kunt zijn.
Zoals ook de mensen uit al die volken die Nebukadnessar had overwonnen naar Babel kwamen,
en onder de indruk waren van dat gouden beeld dat hij had laten maken.

Als dat het echt zou zijn, als dat plaatje van geluk echt is waar het leven om draait,
Dan is het begrijpelijk dat heel veel mensen tegenwoordig niet meer zoveel hebben met geloof.
Want we leven in een tijd waarin mensen heel veel zelf kunnen bereiken,
en daar geen God voor nodig hebben.
Je hebt God niet nodig om gelukkig te zijn.
Om een goed leven te leiden, dat je vervulling geeft.
Om succesvol te zijn. Om blij te zijn.

Maar misschien is dat juist wel wat ik mooi vind aan het christelijk geloof:
Dat wij een gemeenschap mogen zijn waar het niet gaat om succes, of geluk,
Of voldoen aan het plaatje,
Maar waar het gaat om genade.
Waar het niet gaat om dat we zelf verantwoordelijk zijn voor ons eigen geluk,
Maar waar we geloven in een God die zijn liefde zo aan ons wil geven.
Een God die van ons houdt,
Mét ons falen, en tekortschieten.
Zoveel, dat Hij zelfs zichzelf voor ons wilde geven.

Een God die van ons vraagt om Hem eerst lief te hebben,
Boven alle andere dingen.

Als je in die God gelooft, hóef je niet zo onder de indruk te zijn van gouden beelden en brandende ovens.

Er gebeurt iets bijzonders in het verhaal van koning Nebukadnessar,
en het gouden beeld dat hij laat oprichten.

Iedereen doet wat koning Nebukadnessar zegt.
Iedereen buigt voor het gouden beeld.
Al die mensen, uit al die overwonnen volken.
Maar er zijn een paar mensen die weigeren om voor het beeld te buigen.

Dat zijn Sadrach, Mesach en Abednego.
De vrienden van Daniël.
Zij willen niet buigen voor het beeld van de koning.

Koning Nebukadnessar krijgt het te horen, en laat ze meteen bij hem brengen.
Hij begrijpt er niets van.
Waarom willen jullie niet voor het beeld buigen? Wat bezíelt jullie?
Dóe het toch gewoon! Dan is er niets aan de hand!

Jullie weten wat er gebeurt als jullie dat niet doen!
Dan gooi ik jullie in de oven.
En welke god zal jullie dan nog kunnen redden?

Ze mogen kiezen:
Een gouden beeld aan de ene kant, en een brandende oven aan de andere.

Nou heb ik expres niet verder laten lezen dan het antwoord van Sadrach, Mesach en Abednego.
Misschien weet je wel wat er gebeurt als de koning ze in de oven laat gooien.
Er gebeurt een wonder.
De drie vrienden worden in de oven gegooid,
Maar ze worden niet verbrand!
Ze lopen gewoon rond in de oven!
En ze komen ongeschonden uit de oven tevoorschijn.
Ze worden door God gered.

Waarom ik dat niet heb laten lezen, is om het antwoord dat de drie vrienden geven aan koning Nebukadnessar.
Ook zonder het wonder dat daarna komt is dat een heel krachtig antwoord.
Sadrach, Mesach en Abednego zeggen: wij buigen niet voor het beeld.
Want wij vereren een andere God.
Een God van wie wij geloven dat Hij ons uit de brandende oven kan redden.
Maar ook al redt hij ons niet, majesteit,
Weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren,
En ook niet zullen buigen voor het beeld.

Zelfs als u ons in de oven zou gooien,
Dan nog, zeggen ze tegen de koning,
zouden we niet voor dit beeld buigen.

Dat gouden beeld staat voor de macht van koning Nebukadnessar.
Hij laat daarmee zien: mijn rijk is het grootste rijk op aarde.
Mijn macht is de grootste op aarde.
Mijn goden zijn de sterkste op aarde,
ik heb al jullie rijken, al jullie goden verslagen.

Maar Sadrach, Mesach en Abednego willen niet voor het beeld buigen.
Het beeld is voor hen niet mooi genoeg,
en het vuur is niet eng genoeg.
Ze zijn niet onder de indruk.

Hun toewijding, hun verlangen,
is gericht op een God die mooier is, die meer vervulling geeft,
dan macht, of succes, of welvaart of geluk.
Op een God die groter is dan hun eigen leven.
Ze zijn niet bang om zwak te zijn,
om niet succesvol te zijn, of arm, of niet geliefd.
Ze zijn zelfs niet bang om hun leven kwijt te raken.

Het gouden beeld is prachtig,
maar zij kennen God, die de maker is van schoonheid.
Het vuur van de oven is heet,
maar zij kennen God, die groter is dan de dood.
Zij staan voor koning Nebukadnessar,
en ze willen hem best respecteren,
maar ze buigen niet voor het beeld.

“Het kan zijn dat God ons niet redt.
Maar wij aanbidden dit beeld niet.”

Ze geloven niet in God om zijn wonderen, omdat hij ze uit de oven redt.
Ze geloven in God, omdat ze van Hem houden.
Ze aanbidden God om wie Hij is.

En dat is precies wat geloven is.
Ook voor ons, in deze tijd.

Geloven is dat je niet onder de indruk hóeft te zijn van de gouden beelden en vurige ovens om je heen.
Van gouden beelden van succes en geluk,
die aan je worden opgedrongen.
Of van het gevoel dat geloven achterhaald is.

Geloven is dat je je waarde ergens anders vandaan haalt.
Dat je je waarde bij God mag vinden.
Die zichzelf voor jou heeft gegeven. Die jou liefheeft.
Die de grond onder je leven wil zijn.
Die mooier is dan alle gouden beelden, sterker dan alle vurige ovens bij elkaar.
De God van Sadrach, Mesach en Abednego.

Ook al dacht iedereen dat hun god verslagen was:
God bleef de enige voor wie zij wilden buigen.
De enige van wie zij onder de indruk waren.
De enige aan wie zij zich toe wilden wijden.
Amen

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *