Preken

Daniël (1): God is groter dan Jeruzalem

Daniël 1:1-21

Een poosje terug raakte ik aan de praat met Ibrahim.
Ibrahim hoort niet bij onze kerk, maar hij woont wel in de wijk.
Hij vertelde dat hij is opgegroeid in Koerdistan.
Een deel van jullie zal dat misschien wel weten:
De Koerden zijn wel een volk, maar ze hebben geen eigen land.
Koerdistan, waar de Koerden wonen, is een gebied dat zich uitstrekt over drie landen: Turkije, Syrië en Iran.

Ibrahim heeft veel meegemaakt.
Ik was rijk, ik had alles, zei hij.
Hij had een mooie boerderij, hij had het echt goed.
Maar toen kwam er oorlog, en moest hij op de vlucht.
En hij kwam terecht in Nederland.
In Friesland, Drachten!
Wat een andere wereld stap je dan binnen!
De mensen spreken er een andere taal, ze zien er anders uit, ze hebben andere gebruiken.
En Drachten heeft niet eens een station!, zei Ibrahim.
Voor hem was dat best wel eenzaam, en moeilijk.
Hij moest hier helemaal opnieuw beginnen. Hij moest echt wennen in Nederland.

Ik was net begonnen met de voorbereiding voor deze dienst toen ik met Ibrahim praatte,
En ik had bedacht dat ik wel over Daniël wilde preken.
En toen ik Ibrahim hoorde vertellen, was het net of ik het verhaal van Daniël hoorde.
Daniël had het ook goed in de plaats waar hij was opgegroeid, Jeruzalem.
Hij was een jonge man.
Hij kwam uit een vooraanstaand gezin, had een goede opleiding gekregen.
Het leven lag aan zijn voeten.
Wie weet wat voor plannen hij had, wat zijn toekomstplaatje was.
Maar die toekomst werd heel bruut verstoord.
Want ook Daniël kreeg te maken met oorlog.
Zijn land, Juda, werd aangevallen door een buitenlandse koning,
koning Nebukadnessar van Babylonië.
Babylonië was een enorme grootmacht, en Juda maar een heel klein landje.
Het werd opgeslokt.
De hoofdstad Jeruzalem werd belegerd,
En uiteindelijk werd de stad ingenomen en geplunderd.
De tempel van God, voor de Joden de belangrijkste en meest heilige plek, werd helemaal leeggehaald.
En een deel van de bevolking werd meegenomen naar Babel.
Een hele verre stad.

Moet je voorstellen: Daniël ging nooit op vakantie naar het buitenland.
Maar ineens moest hij gedwongen mee naar een heel ander land.
Hij zou Jeruzalem nooit meer zien.
Zijn familie, zijn thuis, alles moest hij achter zich laten,
Om naar een vreemd land te gaan, met een vreemde taal, en vreemde gebruiken.
Een land waar niemand geloofde in zijn God, Jahweh, de God van Israël.

Het is het begin van de Babylonische ballingschap.
Een tijd van ongeveer 70 jaar waarin het Joodse volk gedwongen in Babel moest leven.
Daniël en zijn vrienden horen nog maar bij de eersten die naar Babel worden meegevoerd,
Maar later zal Jeruzalem nóg een keer worden ingenomen,
en die keer wordt het helemaal verwoest,
wordt de tempel van God met de grond gelijk gemaakt,
en wordt het grootste deel van het volk gevangen genomen en meegenomen naar Babel. Dan zijn ze echt hun land, hun thuis kwijt.

Maar dat is nu nog niet gebeurd.
Toch is dit al ingrijpend genoeg voor Daniël en voor zijn vrienden.
Ze zijn weggehaald bij hun wortels, weggehaald bij hun thuis.
Ze gaan naar een nieuwe plek, die ze nog niet kennen.
En wie ze waren in Jeruzalem, heeft nu geen betekenis meer.
Ze moeten hun verleden vergeten, en zich aanpassen.
Ze moeten hun God achter zich laten.
De goden van Babel zijn toch veel machtiger!
Want het Joodse volk was overwonnen!
En dus ook de God van de Joden. Zo zagen de mensen in Babel dat.

Daniël en zijn vrienden hadden zulke mooie namen.
Daniël betekent “God is mijn rechter”.
En Chananja “De Heer is genadig”.
Misaël is “Wie is als God?” en Azarja betekent “De Heer is een helper”.
Maar in dit nieuwe land, in het paleis van de koning,
krijgen ze namen die verwijzen naar andere goden.
Daniël wordt Beltesassar, “Moge de god Bel de koning beschermen”.
Chananja wordt Sadrach, “dienaar van Marduk”.
Misaël wordt Mesach, “wie is als Agu”, in plaats van “wie is als God?”.
En Azarja, “De Heer is mijn helper”, wordt Abednego, “Dienaar van Nego”.

Wat lijkt het me moeilijk, in zo’n situatie,
Waarin je alles wat je kende kwijt bent, waarin je de enige bent die in jouw God gelooft,
om daar vast te houden aan je geloof, aan je identiteit.
Daarvoor moet je sterk in je schoenen staan.
Dat is precies wat het boek Daniël zo indrukwekkend maakt.
Daniël en zijn vrienden geven het niet op, ook niet in deze situatie.
Ondanks dat hij al zijn zekerheden is kwijtgeraakt,
wil Daniël vasthouden aan zijn geloof.

Voor Daniël was het helemaal niet vanzelfsprekend om te blijven geloven in zijn God.
Hij is ver van huis, ver van de tempel van God.
Kán hij nog wel geloven in dit vreemde land, zo ver van huis?
Hij heeft altijd geleerd dat God de God is van Israël.
Is God alleen de God van Israël, of is Hij ook hier,
in Babel, in het paleis van Nebukadnessar?

Voor de mensen om Daniël heen was dat een uitgemaakte zaak.
Het was wel duidelijk wiens god de sterkste was.
Maar Daniël blijft vertrouwen dat God bij hem is.

Dat is waar het boek Daniël over gaat.
Hoe kun je blijven geloven, als je één van de weinigen bent díe geloven?
Als geloven helemaal niet meer vanzelfsprekend is?

Want ook als je geen vluchteling bent kan het verhaal van Daniël veel herkenning oproepen.
Ik ken wel mensen van mijn leeftijd die opgroeiden in een veilige omgeving.
Ze gingen elke zondag naar de kerk, en ze gingen naar een christelijke school.
Maar toen ze gingen studeren kwamen ze ineens in een hele andere wereld terecht.
Ze kwamen uit hun bubbel.
En ineens bleken heel veel mensen niet te geloven, of een ander geloof te hebben.
En waren zij ineens raar omdat ze nog wel geloofden.
Dan kan je niet meer alleen geloven omdat je omgeving gelooft.
Dan moet je zelf bedenken wie je bent, en waar je voor wil staan.

Hetzelfde kan gebeuren als je kinderen niet meer geloven, of je kleinkinderen.
Dat kan ook iets met je doen.
Als zij niet meer geloven, waarom ik dan nog wel?
Is het dan allemaal wel waar?

Of als je ziet dat mensen om je heen, vrienden, collega’s,
Het gewoon heel goed hebben, heel gelukkig zijn,
En God daar eigenlijk niet voor nodig hebben.
God helemaal niet missen.

En als mensen om je heen zeggen:
Geloven, dat is toch vooral iets van regeltjes?
Van dat je allemaal dingen moet, of niet mag?

Misschien heb je helemaal geen last van al die dingen.
Maar toch denk ik dat veel van ons het best wel eens moeilijk vinden dat geloven in onze tijd tegen de stroom in zwemmen is.

Zoals Daniël en zijn vrienden tegen de stroom in moeten zwemmen.
Het is niet vanzelfsprekend voor ze.
Ze moeten zelf bedenken, zelf heel duidelijk een keuze maken:
Dit is wie ik ben, hier wil ik voor blijven staan.

In deze nieuwe omgeving moeten ze zichzélf helemaal opnieuw uitvinden,
En ze moeten ook hun gelóóf helemaal opnieuw uitvinden.
Ze kunnen niet meer geloven omdat iedereen dat doet.

Elke dag horen ze om zich heen dat andere goden sterker zijn,
dat hun God verslagen is.
En blijven geloven is niet meer de meest veilige optie: het kost ze iets.
Het maakt ze kwetsbaar.

Maar Daniël en zijn vrienden mogen ook uitvinden dat ze er niet alleen voor staan.
Ook al zijn ze ver weg van Jeruzalem, en van de tempel,
Ze ervaren dat God ook hier bij ze is.

Hier in Babel komen ze ergens achter:
God is niet alleen de God van Israël, en van Juda, en van Jeruzalem, van hun eigen land, van hun eigen mensen.
God is de God van alle mensen.

Het klinkt gek, maar juist als ze in Babel zijn, in het paleis van de koning,
groeit het besef bij Daniël en zijn vrienden hoe groot God is:
Ze leren dat God groter is dan hun thuis,
groter dan Jeruzalem of Israël, groter dan de tempel.
Dat Hij de Schepper is van de héle aarde.
“De hemel is Gods troon, de aarde is zijn voetenbank.”

Ik vind het dapper van Daniël en zijn vrienden.
Ze durven tegen de stroom in te zwemmen.
Ze durven vast te blijven houden aan hun geloof.
En dat zullen ze best wel spannend hebben gevonden.
Ze zijn nog maar jonge jongens, jonge mannen als dit ze overkomt.

Daniël kíest ervoor om vast te houden aan zijn geloof.
Om te blijven geloven, ook al voelt het anders,
Dat God hem niet heeft verlaten.
En een manier om dat te doen,
is dat hij zich wil houden aan de Joodse voedselwetten.
Wetten over wat je wel en niet mag eten.
Voor Daniël is dat een manier om zijn geloof een plek te blijven geven in zijn leven.

Maar dat is heel moeilijk in het paleis van koning Nebukadnessar,
Want die voedselwetten gingen ver!
Volgens die wetten mochten Daniël en zijn vrienden niet aan tafel gaan met mensen die geen Jood waren.
Ze moesten dus afgezonderd eten van de rest.
En ze mochten geen varkensvlees eten,
maar ook geen vlees dat samen met varkensvlees was bereid.
Dus eigenlijk mochten ze helemaal geen vlees eten dat in het paleis was klaargemaakt.
Daarmee valt heel veel eten af!
Dan heb je wel een probleem als je in het paleis woont van de koning, en als je aan zijn tafel moet eten!

Daarom ging Daniël naar Aspenaz.
Aspenaz was het hoofd van de bedienden.
Hij was degene die de verantwoordelijkheid had over Daniël en zijn vrienden.
En dan staat er, een mooi zinnetje:
God zórgde ervoor dat het hoofd van de bedienden ze gunstig gezind was.

Hij wil ze helpen.
Als Daniël bij hem komt om te vragen of hij alleen groente mag eten en water mag drinken,
Weet Aspenaz niet wat hij moet doen.
Want het was een bevel van de koning dat ze zijn eten moesten eten!
Als de koning erachter kwam dat ze niet goed aten, kon hij ze ter dood laten brengen.
En niet alleen hen, maar ook Aspenaz,
Want die was er verantwoordelijk voor dat ze goed te eten kregen!

Daniël stelt dan voor om het gewoon te proberen.
Als we nou tien dagen alleen groente eten, en water drinken,
Kijk dan eens hoe we eruit zien,
Of we er écht slechter uitzien of niet.
Ze mogen het tien dagen proberen,
En na die tien dagen zien ze er beter uit dan alle anderen!

Daniël en zijn vrienden moeten in hun nieuwe omgeving opnieuw leren geloven,
En voor hen is een manier om dat te doen,
dat ze zich houden aan die voedselwetten.
Maar áls ze dat doen merken ze dat God bij ze is!
En dat merken ze op verschillende manieren!

De eerste manier waarop ze dat merken, is doordat ze elkaar hebben, als vrienden.
Ze hoeven het niet alleen te doen:
Ze kunnen elkaar bemoedigen.
Ze zijn niet meer in Jeruzalem, waar iedereen gelooft.
Maar ze staan er ook niet helemaal alleen voor.
Ze zijn daar samen, met zijn vieren.
God zorgt ervoor dat ze steun kunnen hebben aan elkaar.

Daniël durft te vragen aan het hoofd van de bedienden of hij zich aan de voedselwetten mag houden,
En daardoor durven zijn vrienden dat ook te doen.
Ze kunnen samen optrekken.
Ze moeten tegen de stroom in zwemmen,
maar dat doen ze samen.

Ik denk dat dat voor ons ook belangrijk is.
Om mensen om ons heen te hebben met wie we samen op kunnen trekken.
Mensen die ons bemoedigen, en ons op weg helpen,
en inspireren hoe we ons geloof een plek kunnen geven in ons leven van elke dag.
Bijvoorbeeld vrienden, of een kring waar je op zit.
Daar kan je veel aan hebben!
Dan hoef je het niet alleen uit te vinden.
Want geloven dóe je niet alleen.

Ik heb daar zelf ook veel aan gehad,
Bijvoorbeeld in mijn studententijd.
Toen zat ik op een kring, en ik denk dat dat mijn geloof echt gevormd heeft.
Ik heb daar geleerd om te praten over mijn geloof,
En om te bidden,
En het hielp me om de Bijbel op een andere manier te lezen,
Om ook te zien wat de betekenis was van de teksten die ik las voor mijn eigen leven.

Een andere manier waarop Daniël en zijn vrienden merken dat God bij ze is,
Is doordat ze mensen ontmoeten die ze helpen.
Mensen die niet per se in God geloven, maar waar ze wel steun aan hebben.
Zoals Aspenaz, het hoofd van de bedienden.
Aspenaz is zelf niet Joods,
Hij gelooft niet in hun God, en gaat dat ook niet doen.
Maar hij wil ze wel helpen,
zelfs al loopt hij daar zelf risico door.
Dat is ook een manier waarop God bij ze is.
God zorgde ervoor dat het hoofd van de bedienden ze gunstig gezind was.

Mensen om je heen, ook mensen die niet geloven,
Kunnen soms echt een steun voor je zijn,
Ze kunnen echt een geschenk van God zijn.
Dat is mooi, dat dat ook in dit verhaal naar voren komt.

En dan is er nóg een manier waarop God Daniël en zijn vrienden helpt:
God helpt ze om een verschil te maken.
Juist op de plek waar ze nu zijn,
In het paleis van de koning.

Dat is best spannend. Want Babel is het land dat ze heeft overwonnen.
Het land dat Jeruzalem heeft geplunderd.
En nu moeten zij hun talenten in gaan zetten voor Babel.
Maar er staat dat God ze daarbij helpt!
God gaf ze wijsheid, kennis, en verstand van de geschriften.

Mensen vragen wel eens aan mij of ik het als een roeping heb ervaren om predikant te worden.
En dan zeg ik: ja, ik geloof van wel.
Maar ik geloof dat je het ook als een roeping kan ervaren om iets heel anders te worden.
Verpleger, of leraar, of vrachtwagenchauffeur.
Want roeping is niet dat je iets bijzonders gaat doen:
Roeping is dat je op de plek waar je bent mag leven vanuit je geloof in God,
En dat je daar een verschil mag maken.
Bijvoorbeeld in contact met collega’s, of met een klant, of een leerling, of een patiënt.

En als je kijkt naar Daniël en zijn vrienden, dan laat dat heel mooi zien hoe je dat kan doen.
Daniël en zijn vrienden praten niet steeds met anderen over hun geloof,
Maar het is wel heel duidelijk een deel van hun leven.
En als ernaar gevraagd wordt, komen ze er eerlijk voor uit.
Dat zij geloven dat hun God de God is van alle mensen.
Dat zelfs koning Nebukadnessar niet bóven God staat.
Daar gaan we komende weken nog over lezen.

En God helpt ze om zich met hun talenten in te zetten voor het goede voor de plek waar ze zijn.
Ook al is dat Babel.
Want dat is wat Daniël en zijn vrienden leren in hun ballingschap, als ze ver weg zijn van Jeruzalem:
God ís niet alleen de God van Jeruzalem. Hij is ook de God van Babel.
Daarom zetten Daniël en zijn vrienden zich in voor het goede van Babel.
Hun hele leven lang!

Ook als blíjft alles om ze heen veranderen.
Want dat laatste vers, daar zou je zo overheen lezen:
Daniël bleef aan het hof tot het eerste jaar van het koningschap van Cyrus.
Dat is een hele tijd!
Daar zitten wel vier koningen tussen!
En Cyrus was niet de koning van Babel, maar hij was de koning van Perzië,.
Dus op het laatst is zelfs dat grote, machtige Babylonische rijk overwonnen.
Maar ook al blijft alles om hem heen veranderen:
Daniël laat zich niet meer omver blazen.
Hij blijft vertrouwen op God.
Hij heeft geleerd dat God groter is dan Jeruzalem, en groter dan Babel.
Dat God de God is van alle mensen,
En dat God bij hem is, en bij zijn vrienden.
Ook in Babel, ver van Jeruzalem, en ver van de tempel.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *