Een naaste worden of een naaste zijn

Tekst: Lukas 10:25-37

We hebben vandaag het verhaal gelezen van de barmhartige Samaritaan.
Een verhaal dat je waarschijnlijk al wel eens eerder hebt gehoord.
Dat je misschien wel door en door kent.
Hoewel ik er nog nooit over heb gepreekt,
Heb ik er al genoeg preken over gehoord.

We lazen de tekst met in ons achterhoofd de vraag:
In welk personage uit het verhaal herken jij je het meest?
En dat is ook waar ik het in de preek over wil hebben. In wie herkennen wij ons?

Toen ik de tekst deze week voor het eerst las, herkende ik me wel in de wetsgeleerde.
Hij stelt de vraag aan Jezus:
wat moet ik dóen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?
Het is een vraag die bij mij persoonlijk wel herkenning oproept.
Wat móet ik daar eigenlijk voor doen?
Wat wordt er van mij verwacht in dit leven?
En soms ook wel de vraag: doe ik wel genoeg? Zou ik nog veel meer moeten doen?
Sla ik de plank niet volledig mis op sommige punten?

Jezus’ antwoord op de vraag van de man is opvallend, juist omdat het zo simpel klinkt.
Heb de Heer, je God lief, met heel je hart, heel je ziel, al je kracht en al je verstand.
En heb je naaste lief als jezelf.

Ik zei wel dat Jezus’ antwoord simpel klinkt.
Maar de uitvoering ervan is veel moeilijker.
Heb je naaste lief als jezelf?
Waar begint dat, en waar houdt het op?

Wat verwacht God van ons?
Daarom vraagt de wetsgeleerde: Wie ís mijn naaste dan?
En dan vertelt Jezus het verhaal dat wij zo goed kennen.
Over een man die in de problemen raakt.
Die wordt overvallen door rovers, en blijft liggen aan de kant van de weg.
Jezus vertelt ook over een priester en een Leviet.
Allebei werken ze in de tempel van God.
Zij zien de man wel liggen, maar ze lopen met een boog om hem heen.
Ze hebben geen tijd voor hem.
Ze zijn bang om onrein te worden door de man aan te raken.
Ze zijn wel gelovig met hun woorden en gedachten,
maar laten daar maar weinig van zien met hun daden.

En Jezus vertelt over een Samaritaan.
Die Samaritaan, iemand uit het buurvolk van Judea,
geloofde wel in God, maar hoorde niet meer bij het Joodse volk,
En dacht over sommige dingen net even anders.
Hij werd door de Joden met de nek aangekeken.
Deze Samaritaan ziet de man liggen,
En hij besluit om hem wél te helpen.
Hij gaat naar hem toe, verzorgt zijn wonden, en brengt hem naar een herberg,
Waar hij betaalt voor zijn verblijf.

Als wij deze tekst lezen,
dan vergelijken wij onszelf al snel met de priester, de Leviet en de Samaritaan.
We hopen dat we niet zo zijn als de priester en de Leviet,
al herkennen we er soms wel iets in van onszelf.
Maar we hopen vooral dat we zullen zijn als die Samaritaan.
Die een naaste werd van de gewonde man.

Als je het goed leest, dan heeft die Samaritaan wel iets weg van Jezus zelf.
De gewonde man kan niets meer doen.
Hij ligt daar, en is afhankelijk van de hulp van anderen.
Hij is niet alleen gewond, maar ook getraumatiseerd door wat hem is overkomen.
En teleurgesteld omdat de priester en de Leviet hem geen medelijden tonen.
Ze laten hem gewoon liggen.
Maar de Samaritaan komt naar de gewonde man toe.
Hij toont de man liefde.
Hij verzorgt zijn lichaam,
En ook zijn geest.
Hij brengt hem in veiligheid, en zorgt dat hij ook veilig zal blijven.
Hij betaalt de kosten van de herberg.
En als hij gaat, zegt hij tegen de herbergier dat hij terug zal komen.

De Samaritaan in het verhaal is een weerspiegeling van Jezus.
En het verhaal spoort ons aan om Hem daarin te volgen.
Om te worden zoals Hij.
Om naast de mensen te gaan staan die het minder hebben dan wij.

Afgelopen week las ik een preek van een Engelse predikant, Samuel Wells,
Die zich hardop afvraagt: is dat nou wel echt wat het verhaal ons wil zeggen?
Is dat wel het complete verhaal?
Is die rol van de Samaritaan wel onze rol?
Voor ons is dat niet zo moeilijk voor te stellen,
maar een Jood zou zich niet snel met een Samaritaan willen identificeren.
En dat maakt het verhaal dat Jezus vertelt voor zijn hoorders in die tijd best wel choquerend.
Deze man, die door hen veracht wordt, die zij minder vinden,
Moet dát degene zijn die de gewonde man langs de weg helpt?
Want het bijzondere aan het verhaal is dat degene die de gewonde man helpt,
Juist iemand is die door anderen wordt geminacht.
En het maakt dat je je af kunt vragen: zijn wij wel als deze Samaritaan?
Worden wij net zo uitgestoten, geminacht?

Daarnaast is de positie van de Samaritaan ook alleen maar vol te houden als je iets te brengen hébt.
Wat als je niet genoeg hebt om jezelf overeind te houden,
hoe kun je dan een ander helpen? Wat als je zelf afhankelijk bent?
Alleen als je het goed hebt, als je de mogelijkheden hebt om anderen te helpen,
kun je jezelf identificeren met de Samaritaan.
Als je jezelf ziet als de Samaritaan,
dan ben jij degene die de ander iets te brengen heeft.
Dan ben jij degene die de ander overeind helpt.
Maar wat als je zelf ook overeind geholpen moet worden?
Als je zelf bent als die gewonde man?

Als Jezus is als de Samaritaan, dan kun je je afvragen:
Zijn wij wel als Jezus?
Hebben wij anderen net zoveel te brengen als Jezus heeft?
Kúnnen wij wel het antwoord zijn op alles wat de ander nodig heeft?
Als het antwoord op die vraag ‘ja’ is,
Dan is het alleen de vraag of wij net zo reageren als de Samaritaan,
Die de gewonde man hielp,
Of als de priester en de Leviet, die om hem heen liepen.

Maar als we zo naar dit verhaal kijken, dan vergeten we iets heel belangrijks.
Dan vergeten we dat het evangelie óns vertelt dat wij waren als die gewonde man,
Die daar ligt aan de kant van de weg.
Maar dat God in zijn zoon naar óns toe kwam,
óns op zijn ezel legde en óns thuis bracht.
Dat wij niet in de positie zijn om anderen te redden,
Maar dat we zelf Gods redding en Gods liefde nodig hebben gehad, en nog steeds hebben. Dat Jezus naar ons toe kwam om ons te redden.

Jezus is in alles als die Samaritaan.
Hij is door mensen veracht en vernederd, ter dood veroordeeld en gekruisigd.
Jezus is als degene die naar ons toe komt en ons op de voeten zet.
Die onze wonden verbindt,
En die ons draagt als wij onze eigen lasten niet aan kunnen.
Jezus brengt ons in veiligheid,
Naar een plek waar wij ons thuis mogen voelen,
En belooft dat Hij terug zal komen.
Jezus ís de Samaritaan.
Hij is een naaste voor óns geworden.
Maar wij zijn niet als de Samaritaan.
Wij liggen zelf net zo goed aan de kant van de weg.
Gewond, zonder iets te kunnen.
Wij verlangen naar relaties, naar bevestiging en liefde,
Naar vergeving en verzoening,
Naar een eeuwig leven, een leven met God.

De wetsgeleerde vraagt aan Jezus wat hij moet doen om het eeuwige leven te krijgen.
Maar als ik mezelf wel eens afvraag wat ik daarvoor doe,
Dan zijn er momenten dat ik denk: best wel weinig.
Ik ben opgegroeid in het westen, en heb een goede opleiding gehad.
Ik leef in een land waar een goed sociaal vangnet is.
Maar waar ook mensen buiten de boot vallen.
Een land dat zijn economie op peil weet te houden.
Maar dat gaat vaak ten koste van anderen.
Van andere mensen, andere culturen, andere landen en plaatsen op de wereld.
Wat doe ik voor die mensen?
Trek ik me het lot wel echt aan van mensen die op de vlucht zijn voor oorlog?
Van mensen die op zoek zijn naar een beter leven?
Van wie in een ver land in krottenwijken wonen,
en hun kinderen niet of nauwelijks te eten kunnen geven?
Zie ik mijn naaste echt wel staan?
Terwijl ik zelf niet eens zou weten waar ik zou moeten beginnen om daar iets aan te veranderen.

Ik zeg dit niet om je je schuldig te laten voelen.
Maar om je de vraag te stellen:
Kunnen wij ons voorstellen dat we zelf zijn als die gewonde man, die aan de kant van de weg ligt?
Het liefst zien wij onszelf als mensen die goed kunnen doen,
Die anderen kunnen redden.
Die soms de verkeerde keuze maken, zoals de priester en de Leviet,
die de ander niet zien staan,
Maar die ook de mogelijkheid hebben om het wél goed te doen.
Die denken dat we onszelf wel kúnnen redden.
Die tegen God zeggen:
Wat moeten we doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?

Misschien begint dat niet bij de naaste willen worden voor een ander.
Maar begint dat bij Jezus, en de ander, voor onszelf een naaste laten zijn.

Jezus die naar ons toe komt in het gelaat van een Samaritaan.
Van iemand die wij niet zien staan.
Van een vluchteling.
Van een zwerver.
Van een bankdirecteur, die altijd zijn zakken heeft gevuld met geld dat hem niet toekomt.
Van een collega die we echt niet mogen.

Alles in ons verzet zich tegen dat wij iets van díe persoon zouden moeten ontvangen.
We zien onszelf liever als iemand die iets te geven heeft.
Als iemand die een naaste voor een ander kan zijn.
Maar laten we die ander een naaste voor ons zijn?
Laten we Jezus een naaste voor ons zijn?
Net als hen werd hij veracht, en veroordeeld.
En toch komt hij naar ons toe.
Is hij voor ons als de Samaritaan voor de gewonde man die langs de weg lag.

Wij kunnen onszelf niet redden, en ook anderen niet redden.
Maar wij kunnen ons wel láten redden.
Weer op onze voeten laten zetten.
Onze wonden laten verbinden.
Ons naar de herberg laten brengen, waar we in veiligheid zijn.
Voor ons laten betalen.
Ons laten beloven dat Jezus terug zal komen.

Alleen als we beseffen dat wij zelf God nodig hebben,
en dat wij zelf anderen nodig hebben,
Kunnen we werkelijk een naaste worden voor anderen.
Als wij naar anderen toe gaan,
Moeten we niet hopen of verwachten dat zij Jezus in ons herkennen.
Dat wij een antwoord zijn op hun gebed.
Maar mogen we hen een antwoord laten zijn op ons gebed.
Mogen wij het gelaat van Jezus in hén herkennen.

En als wij hen proberen te helpen,
hoeven we dat niet te doen omdat we ons schuldig voelen,
of omdat het van ons verwacht wordt.
Laten wij dat doen omdat wij zelf ook zo langs de weg hebben gelegen.
Maar zijn opgeraapt door Jezus.
Omdat we zijn aangeraakt door de genade en liefde,
Van Hem, de zoon van God, die zijn leven voor ons gaf,
Om onze naaste te worden.
Amen.

Bron/inspiratie: Een preek van Samuel Wells: “What must I do to inherit eternal life?”: http://chapel-archives.oit.duke.edu/documents/sermons/July11WhatMustIDotoInheritEternalLife.pdf

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *