Zondag werelddiaconaat – Delen van wat God je geeft

Teksten: Genesis 41

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet!
Dat is een uitspraak van Jezus, in de Bijbel.
Het betekent: als je iets doet voor een ander,
doe dat dan niet voor de buitenwereld,
om te laten zien hoe goed je bezig bent,
maar doe het voor die ander.

Als je geld geeft voor een goed doel,
dan loop je daar over het algemeen niet zo mee te koop.
Want dat is niet waar je het voor doet.
Je doet het omdat je bewogen bent.
Omdat je geraakt bent door iets wat je hebt gezien, of gehoord.
Door de schrijnende situatie waar iemand in leeft.
Of door de beelden van een ramp, die je ziet op internet of TV.

Jezus heeft nog wel meer grote uitspraken gedaan.
Tegen een rijke jonge man, die vroeg:
wat moet ik doen om deel te krijgen aan het koninkrijk van God?, zei Jezus:
geef alles wat je hebt aan de armen, en volg mij.

Tegen mensen die vroegen: wie is mijn naaste?
Zei Jezus: voor wie kun jíj een naaste zijn?

In dat rijtje hoort ook de uitspraak van Jezus die we net hebben gelezen:
Ik had honger en jullie gaven mij te eten,
ik had dorst en jullie gaven mij te drinken.
Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op,
Ik was naakt, en jullie kleedden mij.
Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe. Want alles wat jullie gedaan hebben voor de minste van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor mij gedaan.

Je kunt je soms afvragen:
wat heeft geloven te maken met: zorg voor de armen,
met: een naaste zijn voor een ander,
met: zorg voor de Schepping en het klimaat,
met: strijden tegen ongerechtigheid?

We zéggen vaak dat we dat belangrijk vinden.
Maar hoe belangrijk vinden we het écht? Wat wordt daarvan zichtbaar?

Is geloven niet vooral iets wat je voor jezelf doet?
Om een richting te hebben in je leven? Houvast?
Op de universiteit had ik een docente godsdienstpsychologie, die zei:
Als mensen iets doen voor een ander, ook gelovige mensen,
Dan doe je dat eigenlijk altijd ook een beetje voor jezelf.
Om jezelf beter te voelen.
Of juist om je niet schuldig te hoeven voelen.

Dat maakt dat we na gaan denken over dingen als:
Als ik honderd euro per maand aan goede doelen geef, is dat dan genoeg?
Of moet het meer zijn? Of is het teveel?
Wie is mijn naaste? Wat verwacht God van mij?
Wat vraagt God van mij?

In de tijd van de Bijbel gaven Joden een tiende van hun inkomen aan mensen die dat nodig hadden.
Dat was wat God van ze vroeg.
Een hele duidelijke richtlijn.

Maar zelfs daar is Jezus heel scherp op:
jullie geven wel heel precies jullie tienden, zegt hij,
Maar jullie kijken niet naar wat zwaarder weegt:
recht, barmhartigheid en trouw.
Oftewel: je kunt je verantwoordelijkheid voor een ander niet afkopen!
En dan zegt hij erbij: je moet het een doen, en het ander niet laten!

Want als je niet oppast,
dan is wat je doet voor een ander, en wat je geeft aan een ander,
meer gebaseerd op angst, en op een schuldgevoel,
of op dat je het ‘moet’ doen, dat het van je verwacht wordt,
dan dat het van binnenuit komt.

Maar wat vraagt God dan wél van ons?
Ik vind dat zelf altijd een lastige vraag.
Maar als ik er wat langer over nadenk, dan kom ik hierop uit:
Ik denk dat het er in de Bijbel niet om gaat hóeveel je geeft aan goede doelen.
Dat er een soort quotum is dat je moet halen, en dan zit je goed.
Ik denk ook zeker niet dat je moet geven, of moet helpen, vanuit een schuldgevoel.

Wat Jezus ons wil leren, is, volgens mij, een hele nieuwe ‘mindset’.
Het is vooral dat je je hart niet sluit voor een ander, maar juist opent.
Dat je om je heen durft te kijken.
Je durft te laten raken door wat God raakt.
En Hem vraagt om te laten zien wat dat is.
En: dat je niet bang bent voor wat dat van jou vraagt!

Dat klinkt heel groot. Maar eigenlijk begint dat heel klein.
God vraagt niet van ons om allemaal grote, heldhaftige dingen te doen.
Om zendeling te worden in Afrika. Of vrijwilligerswerk te gaan doen op Lesbos.
Je mag God dienen op de plek waar jij woont, werkt, je leven leeft.

En daarom is het zo mooi dat we vandaag hebben gelezen over Jozef.
Zoals geldt voor velen van ons, maar nog een behoorlijk stukje erger,
liep het leven van Jozef heel anders dan hij van tevoren had gedacht.
Hij begon als het meest geliefde kind van zijn vader.
Maar zijn broers werden jaloers, gooiden hem in een put,
en verkochten hem als slaaf aan Egyptenaren.
In Egypte diende hij een rijke meester, Potifar.
Hij deed heel erg zijn best,
maar kwam na een valse beschuldiging van Potifars vrouw in de gevangenis terecht.
Daar kwam Jozef twee hooggeplaatste mensen tegen,
een wijnschenker en een bakker, van het hof van de Farao.
Ze hadden gedroomd, en Jozef legde hun dromen uit.
De wijnschenker kwam vrij, en mocht zijn werk weer oppakken.
En toen de Farao, de koning van Egypte, jaren later een droom had,
waarvan niemand hem de betekenis kon vertellen,
dacht de wijnschenker aan Jozef,
die ooit zo goed zijn eigen droom had uitgelegd.
Zo wordt Jozef voor de Farao geleid.

De farao heeft gedroomd over zeven mooie, vette koeien,
en zeven lelijke, magere koeien,
die uit het water komen, en de vette koeien opeten.
Het is echt een nachtmerrie!
En Jozef legt de droom van de Farao uit:
Er zullen zeven jaren komen waarin er overvloed is.
En daarna zullen er zeven jaren van hongersnood komen, waarin niets zal groeien.
De enige manier om die jaren te overleven, zegt hij,
is om in de vette jaren genoeg graan aan de kant te leggen voor de magere jaren.
En de farao, die stelt zijn vertrouwen in Jozef, en in de God van Jozef.
Jozef krijgt de leiding over het hele land,
En zo zorgt hij ervoor dat de mensen niet zullen hoeven te lijden onder de hongersnood.

Het mooie aan het verhaal van Jozef, is dat het zo concreet is.
Op elke plek, in elke situatie, is Jozef trouw in het kleine.
Hij doet wat God van hem vraagt.
In het huis van Potifar is hij een eerlijke rentmeester.
Als Potifars vrouw hem probeert te verleiden, blijft hij zijn meester trouw.
In de gevangenis is hij behulpzaam.
Tegen de farao spreekt Jozef de waarheid.
Hij is eerlijk, hij windt er geen doekjes om.
Het werk dat hij de jaren daarna doet, doet hij om de mensen te helpen.
Hij helpt zelfs zijn broers, die hem hebben verraden,
als die bij hem komen, omdat ook zij lijden onder de hongersnood.
Jozefs leven begon met een droom dat anderen voor hem zouden buigen.
Maar eigenlijk staat zijn hele leven in het teken van dienen.
Diaconaat, zou je kunnen zeggen. Want diaconaat betekent dienen.
Jozef probeert het goede te doen, op de plek die God hem heeft toebedeeld.
En juist daarom is hij belangrijk in Gods ogen.
Soms is dat goede iets heel praktisch.
Zorgen dat er voldoende graan wordt verzameld.
Soms is het een luisterend oor. Hij luistert naar de schenker en de bakker.
Soms is het een goede keuze maken,
als een verkeerde keuze op de loer ligt.
Als de vrouw van Potifar hem wil verleiden, en hij niet toegeeft.

Zo is het ook met wat God van jou en mij vraagt.
Eigenlijk is het heel concreet.
Het is: het goede doen, oog hebben voor je naaste,
trouw zijn in wat je doet,
op de plek die jou is toebedeeld. Dat hoeft helemaal niet groot te zijn!

Toch is het verhaal van Jozef zeker geen makkelijk verhaal.
Het is ook een verhaal met rafelranden.
Want Jozef probeert steeds het goede te doen,
maar krijgt niet altijd het goede terug.
Zijn broers verkopen hem als slaaf.
Hij moet een meester dienen die hij niet zelf heeft uitgekozen.
Hij brengt onterecht jaren door in de gevangenis.

Ze zeggen wel eens: wie goed doet, goed ontmoet.
Maar de Bijbel is daarin heel realistisch: dat is lang niet altijd zo.
Soms is het goede doen:
je eigen nek uitsteken voor een ander.
Denk aan mensen die anderen hielpen onderduiken, in de oorlog.
En die dat soms met hun leven moesten bekopen.
Soms is het goede doen,
Juist een moeilijke weg gaan.

Hoe zou dat geweest zijn, voor Jozef,
toen hij lange tijd in de gevangenis door moest brengen?
Zou hij nooit hebben getwijfeld of het allemaal wel waar was?
Of God er wel echt was? Zich wel echt om hem bekommerde?
Of het de moeite echt waard was om in die God te geloven,
en het goede te blijven doen?

Als je met veel tegenslag te maken krijgt, of als niets wat je probeert lukt,
dan is er het gevaar dat je cynisch wordt.
Dat je denkt: het hoeft van mij allemaal niet meer.
Of: het maakt toch niet uit, wat ik doe of zeg.

Dat kan ook gelden voor diaconaat, voor het helpen van een ander.
Bijvoorbeeld voor geld geven aan een goed doel.
Het is een druppel op een gloeiende plaat!
Want er zal altijd onrecht blijven.
Mensen die rijk zijn, en mensen die arm zijn.
Mensen die er weinig voor hoeven te doen,
en mensen die een uitzichtloos bestaan leiden.

En toch ís het wel de moeite waard om om te zien naar mensen om ons heen.
Om, als de situatie daarom vraagt, een ander de hand te reiken.
Zonder erom te pochen wat geld te geven voor een goed doel als dat nodig is.
Of aandacht voor iemand te hebben.

Want Jezus zegt: alles wat je hebt gedaan, zelfs voor de minste van de mensen,
dat heb je voor Mij gedaan.
Zó belangrijk vindt God het dat wij oog hebben voor de mensen,
en de wereld om ons heen.
Niet uit een schuldgevoel.
Maar omdat Hij ieder mens de moeite waard vindt. Ook jou, en ook mij.

Wij moeten niet de naaste zijn voor een ander, omdat dat móet.
Maar we mógen dat zijn, omdat God een naaste is voor ons.
En omdat wij geloven dat ieder mens een naaste waard is.
En God vraagt niet veel van ons.
Alleen om trouw te zijn op de plek waar wij leven.
Oog te hebben voor de mensen om ons heen.
Onze naaste écht lief te hebben.

Uiteindelijk is dat wat diaconaat is: zoals Jozef, dienen in het klein. Jouw stukje doen.
En oog hebben voor wat God raakt. Je door Hem in beweging laten zetten.
Dat is niet altijd makkelijk. En soms zullen we de plank mis slaan.
Maar we mogen het in elk geval proberen.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *