Kerst – Op zoek naar het kind

Tekst: Mattheüs 2

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Het verhaal dat we hebben gelezen,
over de wijzen uit het Oosten die op zoek gaan naar de pasgeboren koning van de Joden,
Is misschien wel een van de meest bijzondere verhalen uit de Bijbel.Want in bijna alle verhalen uit de Bijbel gaat het over het Joodse volk. Het volk Israël.
Ze trekken weg uit Egypte, en gaan in Israël wonen.
En God zegt tegen ze: jullie zijn mijn volk.
Ik heb jullie uitgekozen,
om door jullie heen bekend te maken aan de hele wereld wie ik ben.

Maar in dit verhaal is het omgekeerd.
Er komen mensen van buiten, uit een vreemd land,
die de mensen uit Israël komen vertellen dat er een bijzonder kind is geboren in hun land.
Een kind dat de koning is die God heeft beloofd.

Het is niet voor niets dat Mattheüs hier zo uitgebreid over schrijft.
Want Mattheüs is, van de vier evangelisten,
die vertellen over het leven van Jezus,
Degene die het meest schrijft voor een Joods publiek.
Het is alsof hij de mensen die zijn verhaal lezen, wakker wil schudden:
Hallo! Kijk eens goed!
Mensen van buiten Israël zagen al eerder dat Jezus de Messias was dan wij!

De mensen in Israël reageren op verschillende manieren op de komst van de wijzen.
De één reageert heel defensief: ík ben de echte koning!
Dat is koning Herodes.
En anderen reageren geïnteresseerd,
maar doen niets met het nieuws.
De Schriftgeleerden.
Die wisten alles van deze koning.
Maar ze hadden geen oog voor wat er, vlak onder hun eigen neus, gebeurde.
Nee, het zijn die vreemde mannen, uit het Oosten,
Die op zoek gaan naar het kind.
En die ontzettend blij worden als ze hem eindelijk vinden!

Vanmorgen wil ik eens met jullie bij die drie groepen, of personen, stil staan.
Bij koning Herodes,
Bij de Schriftgeleerden,
En natuurlijk bij de wijzen zelf!

Wie waren de wijzen?
In de loop van de tijd zijn er heel veel dingen om ze heen verzonnen.
Bijvoorbeeld dat ze met zijn drieën waren,
met de namen Balthasar, Melchior en Caspar. Dat staat nergens in de Bijbel.
Of dat ze koningen waren! Dat staat ook nergens.
En ook niet dat één van hen een donker uiterlijk had, en de andere twee licht.
Dat is er later bij verzonnen:
dat één uit het noorden kwam, één uit het zuiden en één uit het oosten.

Er staat wel dat het bijzondere mensen waren.
Magoi, staat in het Grieks. Daar klinkt het woord ‘magie’ in.
Soms wordt dat vertaald met magiërs. Maar vaak ook met ‘wijzen’.
En eigenlijk ligt dat dichter bij wie ze echt waren.
Dat ze ‘wijzen’ worden genoemd,
zegt niet meteen iets over dat het hele wijze mannen waren,
Al was dat misschien ook zo.
Het zegt iets over hun functie. ‘Wijze’ zijn, was hun werk, zou je kunnen zeggen.

Op maar één andere plek in de Bijbel wordt over die ‘magoi’, die wijzen, verteld.
Die wijzen waren raadgevers van de koningen van Babylonië en Perzië.
Hele hooggeplaatste mensen, aan het hof van machtige koningen uit het Oosten.
Ze moesten dromen interpreteren, en de sterren lezen,
en aan de hand daarvan uitleggen wat de goden willen vertellen.
Dromen waren belangrijk in hun land.
Als koning Nebukadnessar 600 jaar voor Christus een nare droom heeft,
laat hij ook de wijzen roepen,
en hij vraagt ze om zijn droom uit te leggen.

De wijzen waren dat dus gewend,
om dromen uit te leggen, en naar de sterren te kijken.

En daarom gaan ze op onderzoek uit,
Als ze op een dag een hele bijzondere, heldere ster aan de hemel zien staan.
In hun uitleg betekent die ster dat er een bijzondere koning is geboren.

Ze reizen naar Jeruzalem,
omdat ze geloven dat de koning die is geboren, de koning van de Joden is.
Misschien dat ze ook wel over die ster gedroomd hadden!
Of dat ze hadden gelezen over de beloofde koning van de Joden.
Want het waren mannen met veel kennis.
En in hun land leefden ook al eeuwen lang Joodse mensen.

Ze maken dus die lange reis naar Jeruzalem.
En als ze daar zijn aangekomen, gaan ze op bezoek bij de koning, Herodes.
Want dat is toch de eerste plaats waar je een koning zoekt? In een paleis?
Misschien dat ze denken dat hij zelf een zoon heeft gekregen,
die hem op een dag op zal volgen.
Dat dat die grote koning zal zijn.
Maar als ze aankomen, en hun verhaal doen bij de koning, schrikt die enorm.
Want er is in zijn paleis helemaal geen zoon geboren!
Wie is die koning, waar de wijzen het over hebben?

Normaal was Herodes trouwens niet zo snel bang.
Want hij was ‘Herodes de Grote’.
Zo liet Herodes zich noemen.

De keizer die hem had aangesteld, keizer Augustus,
omschreef hem als een zeer ondernemende man.
Herodes was heel loyaal aan het Romeinse rijk,
en werd daarom aangesteld als heerser over een groot gebied:
het gebied waarin de Joden woonden,
en de gebieden daaromheen.

Herodes kwam zelf uit dat gebied,
en ook al was hij zelf van oorsprong geen Jood,
hij werd wel ‘koning van de Joden’ genoemd.

Of eigenlijk: zo liet hij zich graag noemen.
Want hij zag zichzelf als iemand die door God als koning was aangesteld.
Hij liet daarom de tempel van God vernieuwen en vergroten,
Om dat idee kracht bij te zetten.

Maar, ook al zeiden ze dat niet rechtstreeks tegen hem,
De Joden zelf zagen hem niet als hun rechtmatige koning.
Ze zagen hem als een marionet van de Romeinen,
Die het volk onderdrukte.
Want in zijn doen en laten was hij helemaal niet Joods.
Hij hield zich niet aan de wetten. En was geen goede koning voor de mensen.
Hij hield juist van uitbundige feesten, van grote paleizen.
Hij liet graag zien hoe groot zijn macht was.

En Herodes was heel wantrouwend.
Hij dacht steeds dat anderen hem van de troon wilden stoten.
Hij was zelfs zó wantrouwend,
dat hij drie van zijn vijf eigen zoons uit de weg liet ruimen.
Eén van hen zelfs toen Herodes zelf op zijn sterfbed lag.

Als de wijzen op zijn stoep staan,
schrikt Herodes dus enorm van hun vraag:
waar is de pasgeboren koning van de Joden?
Alle alarmbellen gaan bij hem rinkelen.
De pasgeboren koning?
Iemand die hem gaat vervangen?
Dat moet koste wat kost voorkomen worden!

Hij roept heel snel de mensen bij zich die veel van de Joodse Bijbel weten.
Die er heel veel in lezen.
Dat is de volgende groep: de Schriftgeleerden en de hogepriesters.

Zij waren mensen die probeerden om ervoor te zorgen dat de Joden in alle rust konden leven,
en hun geloof uit konden oefenen.
Helemaal geen nare mensen.
Wel pragmatische mensen.
Eigenlijk waren ze tegen de Romeinse overheersing,
maar ze hadden zich erbij neergelegd.
Dit was een vijand die te sterk voor ze was.
Dus, met tegenzin, zorgden ze ervoor dat de wetten en de regels van de Romeinen werden nageleefd.
Dat de mensen hun belasting betaalden.
En ze probeerden de rust te bewaren.
Dat vonden ze heel belangrijk.

Koning Herodes vonden ze een nare man.
Maar ze wilden hem te vriend houden,
dus gaven ze antwoord op zijn vragen.

Herodes vraagt ze niet waar de koning van de Joden is geboren.
Want dat is Hij zelf, vindt hij!
Hij vraagt: wat is er geschreven over de Messias?
Wie is dat ook alweer?
Waar wordt die geboren?
Want dat weet Herodes nog net:
dat God had beloofd dat er een Messias geboren zou worden.
Een leider van de Joden, gestuurd door God,
die voor betere tijden zou zorgen.
Een concurrent voor hem!

De Schriftgeleerden reageren niet verbaasd op de vraag van koning Herodes.
Ze zijn het gewend om in de Bijbel te lezen,
En over dit soort vragen te discussiëren.
Sterker nog: ze hebben het continu over die Messias!
Wat voor iemand het zal zijn. En waar hij vandaan zal komen.
In Betlehem, antwoorden ze hem.
Daar zijn ze het allemaal over eens.
Ze geven het juiste antwoord.
Ze weten precies hoe het zit.
Want ze kennen de profeten.

Maar ze gaan niet zelf op onderzoek uit!
En ze vragen niet aan koning Herodes waarom hij dit vraagt.
Ze zijn meer bezig met hoe het in de Bijbel staat,
Dan dat ze echt hopen dat die Messias zal komen.
Er waren al zoveel mensen geweest die zeiden dat ze het waren,
En die hadden alleen maar voor onrust gezorgd!
Ze houden zich liever afzijdig.

Maar Herodes heeft gehoord wat hij wilde horen.
En hij is gewiekst.
Hij doet net of hij heel geïnteresseerd is.
Hij speelt de informatie die hij van de Schriftgeleerden heeft gekregen,
door naar de wijzen.
Hij stuurt ze op pad, en vraagt ze om hem verslag uit te brengen.
Zodat hij kan zorgen dat dit kind op tijd uit de weg geruimd wordt,
Voordat het teveel schade aan kan brengen.
Maar dat zegt hij natuurlijk niet.

En de wijzen vervolgen hun zoektocht.
Ze trekken naar Betlehem.
Er staat: ze volgen de ster.

Er is veel gediscussieerd over die ster.
Wás het echt een ster? Of een droom?
Of was het een komeet?
Of was die heldere ster misschien de planeet Venus?
die ook wel de morgenster wordt genoemd?
In bepaalde maanden in het jaar verschijnt die planeet vroeg in de ochtend aan de hemel,
als een heldere ster.
En daar is altijd veel betekenis aan gehecht.
Maar, los van wat die ster was:
Wat zou die wijzen zo hebben gedreven, om die ster achterna te gaan,
op zoek te gaan naar een kind?
Dat ze die hele reis maakten, helemaal om dat kind eer te bewijzen?
Het was meer dan nieuwsgierigheid.
Ik denk dat ze het besef hadden dat hier echt wat bijzonders aan de hand was.
Iets wat hen allemaal te boven ging.
De wijzen, de Schriftgeleerden, zelfs koning Herodes.

De wijzen volgen de ster, tot ze bij de plaats komen waar het kind is.
En daar vinden ze het kind, dat ze zo lang hebben gezocht,
En als ze het zien worden ze vervuld met een diepe blijdschap.

Het is bijzonder, dat dat zo expliciet wordt gezegd.
Want op dat moment is er nog niet zoveel bijzonders aan Jezus te zien.
Hij is een heel gewoon jongetje, dat is geboren op een hele gewone plek,
In hele eenvoudige omstandigheden.
En toch geven ze hem goud, wierook, mirre.
Geschenken voor een koning!
Ik denk dat als Herodes, of de Schriftgeleerden ze hadden gezien,
dat ze ze voor gek hadden uitgemaakt!

Misschien dat de wijzen niet eens wisten wíe dit kind was.
Alleen maar dat God iets bijzonders zou gaan doen, door dit kind.
Ze geloofden in elk geval dat dit kind een koning zou worden van grote betekenis.

Door Jezus deze geschenken te geven,
lieten ze zien dat ze niet bang waren voor Herodes.
Hij mocht dan zeggen dat hij de koning van de Joden was, zij wisten wel beter!

Ik zei al: Mattheüs vertelt dit verhaal niet zomaar.
Hij vertelt het met een reden.
Want in zijn tijd gelooft maar een deel van de Joden dat Jezus echt de Messias was.
De elite, de koning en de hogepriesters,
Die voelden zich bedreigd door de christenen.
Wat als de mensen wel in het verhaal van de christenen geloven,
Dat Jezus de Messias is, dat hij uit de dood is opgestaan,
En niet meer in wat zij zelf zeggen?
En veel anderen reageren onverschillig. Die kan het weinig schelen.

Terwijl juist veel mensen die niet Joods zijn in Jezus gaan geloven.
Dat gaat Mattheüs aan het hart, want hij is zelf Joods.
En hij houdt van de Joodse mensen.
Hij gunt ze zo dat ze mogen zien wie Jezus is!
Het is alsof hij wil zeggen:
Kijk nou goed!
Zelfs mensen die niet Joods zijn, zien dat Jezus echt de zoon van God is!
Waarom geloven jullie dan niet in hem?

En dat is ook precies wat dit verhaal aan ons wil laten zien.
Het stelt ons diezelfde vraag:
Hoe reageren wij op het verhaal van kerst?
Van de geboorte van Jezus?
Is het gewoon een mooi verhaal, dat je warm maakt van binnen?
Of gaat het echt ergens om?
Is er met Kerst zoiets moois gebeurd,
Dat het je niet alleen vandaag een warm gevoel mag geven,
Maar alle dagen?
Is er zoiets moois gebeurd, dat het een zoektocht waard is,
Naar wie dit kind is,
En wat hij te zeggen heeft, als hij opgroeit?
Een zoektocht naar wat hij gedaan heeft?
En een zoektocht naar wie Hij ook nu nog in jouw leven wil zijn?

Mattheüs daagt ons met zijn verhaal over de wijzen uit!
Om zelf ook die zoektocht aan te gaan.
En wie weet, mogen wij, net als de wijzen,
Zelf dat kindje vinden,
Die de redder is van alle mensen.
En net zo blij worden om hem, als de wijzen,
Toen ze hem vonden na hun lange zoektocht.
Want de geboorte van Jezus heeft betekenis voor ons allemaal.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *