Reclame

Tekst: Daniël 3:8-18

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

(Blikje fanta drinken).
Aah! Lekker, zo’n blikje Fanta!

Of je nou 15 bent, 45, 65 of 85:
elke dag krijg je bewust of onbewust heel wat reclame voor je voeten geworpen.

Soms lees ik in de krant, en denk ik: wat een interessant artikel!
Dat wist ik allemaal nog niet!
Totdat ik bovenaan de pagina kijk. Dan staat daar in hele kleine letters: advertentie.
En dan weet ik: dit moet ik even met een korreltje zout nemen.
Al lees ik soms ook geboeid verder,
dan wint mijn nieuwsgierigheid.

Of ik ben TV aan het kijken.
Tussen programma’s door komt er natuurlijk allemaal reclame voorbij.
Maar ook als mensen in een film een blikje fanta drinken is dat reclame.

Of ik swipe op Facebook lekker door de berichten heen.
En regelmatig staat dan boven een bericht,
of een filmpje: ‘gesponsord’.
Dat is een heel mooie benaming voor een advertentie.
Er wordt dus voor betaald dat ik dat bericht te zien krijg,
Tussen de berichten van mijn vrienden in.

Ook op andere websites kom je genoeg reclame tegen, trouwens.
Foto’s, bewegende beelden die heel erg je aandacht trekken.
Daar hoef je echt niet ver voor te zoeken!

Zullen we eens zo’n reclamefilmpje kijken? Van een mooie telefoon:

Wat gebeurt er met je, als je zo’n reclamefilmpje ziet?

Je denkt dat er weinig gebeurt.
“Ik kies heel bewust wat ik koop en wat niet”.
Maar je wordt toch door die reclame beïnvloed.

Bijvoorbeeld deze reclame.
Die spreekt niet je verstand aan. Ook wel.
Ze noemen een paar eigenschappen van deze telefoon.
Dat je hem makkelijk kunt opladen met een andere telefoon.
Dat de accu lang meegaat, en dat hij snel oplaadt. Dat wordt gezegd.

Maar ónbewust worden er ook heel veel signalen verstuurd.
Als je die reclame ziet, dan denk je:
Wauw, wat een mooie telefoon!
Die is veel mooier dan mijn telefoon!

De tekst van de muziek erachter is:
vastberadenheid om al mijn ambities te kunnen vervullen.
Ik zie geen grenzen.
Ik overwin mijn competitie.

De telefoon, de muziek, de animaties, ademen succes. Kracht. Snelheid.
Als je deze telefoon hebt, dan hoor je erbij.
Dan kun je je doelen verwezenlijken.
En: zonder deze telefoon niet. Dan val je erbuiten.

Dat wordt dus allemaal in dat korte filmpje gezegd.
Terwijl het gewoon een telefoon is! Niet meer en niet minder.

Misschien moeten we hem nog eens kijken,
dan kun je eens zien of je daar iets van terug kunt zien.

Wij denken vaak dat wij mensen hele rationele wezens zijn.
Maar we zijn helemaal niet zo verstandelijk.
En ook niet altijd zo verstandig.
Wij handelen sneller vanuit onze verlangens, en angsten,
dan vanuit de overwegingen die we maken.
En daar is niets mis mee.
Zo zitten wij als mensen in elkaar.

Je kunt zeggen, als je die reclame ziet:
wat slecht, die reclame probeert mij te beïnvloeden om iets te kopen.
Maar de reclamemakers spelen er gewoon op in hoe wij mensen in elkaar zitten.
Ze spelen in op ons gevoel.
En kun je ze ongelijk geven? Ik niet! Alleen je bent je daar niet altijd van bewust!

Nou gaat het Bijbelgedeelte dat wij vanmorgen hebben gelezen ook een beetje over handelen vanuit je gevoel.
Vanuit je verlangens, en vanuit je angsten.

Het Bijbelverhaal gaat over koning Nebukadnessar.
Hij is één van de tien machtigste mannen die ooit hebben geleefd.
Koning van het grote Babylonische rijk,
dat strekte van Pakistan tot Griekenland tot Egypte.

Om zijn macht tentoon te stellen,
laat hij een gouden beeld maken van dertig meter hoog, en drie meter breed.

Wij denken dan misschien aan een beeld van hemzelf.
Maar bij dertig bij drie meter krijg je wel een heel langgerekt beeld.
Waarschijnlijk was het eerder een hele hoge zuil.
Niet van massief goud,
want daar heb je een hoeveelheid goud nodig die er op de hele wereld niet is,
maar bedekt met goud.
En daarop afbeeldingen van de grote daden die Nebukadnessar als koning heeft gedaan. Wat hij allemaal heeft bereikt.
Dat beeld ademt succes uit.
Het moet de mensen die het zagen met bewondering hebben vervuld.
Het is een toonbeeld van zijn macht.
Die mensen die in zijn paleis woonden, en die hem dienden,
dat waren allemaal koningen en prinsen,
uit de volken die hij had overwonnen.
Zij wisten uit eigen ervaring hoe groot de macht was van koning Nebukadnessar.
Hij had hun hoofdsteden in puin gelegd met zijn legers.
Hun tempels verwoest.
Hun schatkamers geplunderd.
Hun volken als slaven meegevoerd naar Babel.
Zelfs zij, koningen en prinsen,
waren niets, kleine mensen, tegenover zijn grootheid.

Door dat beeld te laten maken,
speelde koning Nebukadnessar in op de verlangens en de angsten van de mensen in zijn rijk.
Hij zette de mensen een beeld voor van rijkdom, succes en macht.
En hij wilde dat de mensen dat beeld zouden aanbidden.

Nou is aanbidden een belangrijk woord in de Bijbel.
Aanbidden is meer dan ergens voor bidden, of ergens voor buigen.
Het is dat je ergens naar kijkt met ontzag,
dat je ergens gewicht aan toe kent.
Dat je het heel belangrijk maakt.

Je kunt bijvoorbeeld geld aanbidden.
Als je er altijd maar mee bezig bent,
er altijd over opschept wat je allemaal niet hebt, en kunt kopen,
en op mensen neerkijkt die minder geld hebben,
Dan hang je daar je hele leven aan op.
In Bijbelse taal zou je zeggen: je aanbidt het.

Nebukadnessar laat het gouden beeld oprichten,
omdat hij absolute toewijding wil.
Hij wil dat de mensen zijn macht aanbidden.
Hij wil de allerbelangrijkste zijn voor de mensen in zijn rijk.

Hij dreigde dat wie niet voor het beeld zou buigen,
in een brandende oven geworpen zou worden.
Maar eigenlijk was dat nauwelijks nog nodig.
Want hij zet dat prachtige beeld er tegenover,
helemaal van goud, omgeven door prachtige muziek.
Waarom zóu je daar niet voor willen buigen?
Het is toch duidelijk dat zijn macht geen einde kent?
Iedereen weet dat toch?

In ons hoofd zien wij al de enorme beelden en afbeeldingen van de leiders van Noord-Korea.
Je kunt ook denken aan Putin, de president van Rusland,
die met ontbloot, gespierd bovenlijf op de foto staat.
Dat straalt levenskracht en daadkracht uit.

Of aan Erdogan, de president van Turkije,
die zijn volk, en de wereld aan de ene kant laat zien hoe machtig hij is,
met zijn grote leger, het op één na grootste in de NAVO,
niemand durft mij iets te doen!
En aan de andere kant praat hij de mensen in zijn rijk angst aan voor het alternatief:
de Koerden, die hij nooit met hun naam noemt. Hij noemt ze ‘terroristen’.

Of denk aan Trump, de president van Amerika,
die steeds zegt: de economie was nog nooit zo sterk als onder mij!
En die de mensen angst aanpraat voor de Chinezen,
en de Mexicaanse immigranten.

Allemaal gouden beelden, en brandende ovens.
En zulke beelden zijn sterk. Ze bepalen ons, meer dan wij denken.
Net als de reclames die wij elke dag zien.
Je hoort daar geen argumenten.
Maar wat je meekrijgt, is een gevoel.
Je krijgt gouden beelden voorgeschoteld:
van een gelukkig gezin, van succes in de liefde, van avontuur, status.
En ook angsten, vurige ovens:
dat je niet mee kunt doen, dat je er niet bij hoort. Dat je geen succes hebt.
Dat je al die mooie dingen die je op TV ziet moet missen.
Voor ons geloof geldt dat trouwens net zo goed:
Wij mensen geloven niet alleen op basis van rationele argumenten.
Wij geloven in dat wat ons hart raakt, wat onze liefde opwekt.

Augustinus zei:
‘Wij zijn geen denkende wezens; dat denken we maar.
Wij zijn liefhebbende wezens.’

Je kunt als christen met een atheïst in discussie gaan,
en allebei hele redelijke argumenten aanvoeren.
Maar toch zul je elkaar niet snel overtuigen.
Argumenten overtuigen bijna nooit iemand.
Ik kan niet bewijzen dát God er is.
Maar toch ben ik er voor mezelf van overtuigd dat Hij er is.

Je kunt iets meemaken, bijvoorbeeld lijden,
en daarin een bewijs zien dat er geen God is.
Terwijl een ander in dat lijden juist kracht uit zijn of haar geloof kan halen,
of op dat moment kan ervaren dat God heel dichtbij is.
Geloven doe je meer op basis van een gevoel, dan van argumenten.

Iemand die niet gelooft,
hecht misschien waarde aan het gevoel dat je zelf over je leven kunt beschikken.
Dat je volwassen bent,
en onder ogen durft te komen dat er geen God is,
dat je zelf verantwoordelijk bent voor jouw leven, voor jouw keuzes.
Maar dat is net zo goed een gevoel,
dat je aan kan spreken, maar ook niet.

Dat wij mensen alleen van onszelf afhankelijk zijn,
en niet van iets dat groter is dan ons,
en dat geloven achterhaald en ouderwets is, wat je vaak hoort,
is een ‘verhaal’ dat we aan elkaar vertellen.
Een verhaal dat in onze cultuur op de plek is gekomen van het verhaal van het christelijk geloof.

Als wij dat horen, dan is het moeilijk om er niet in mee te gaan.
Want heel veel mensen om ons heen staan wel zo in het leven.
We leven in een tijd waarin mensen alles kunnen bereiken,
en daar geen God voor nodig hebben.
Je hebt God niet nodig om gelukkig te zijn.
Om een goed, rijk leven te leiden, dat je vervulling geeft.
Om succesvol te zijn. Om blij te zijn.

Het is best makkelijk om daarvan onder de indruk te raken.
Om zelf ook te denken:
eigenlijk is het best ouderwets, dat ik nog in God geloof.
Wie doet dat nog, in deze tijd?
En als je gelukkig kunt zijn zonder te geloven,
waar heb ik mijn geloof dan nog voor nodig?

Kijk naar de kerk.
Die is weinig indrukwekkend.
Een ouder wordende groep mensen,
die allemaal lang niet perfect zijn.
Die vaak ook steken laten vallen. Fouten maken.
Christenen zijn niet beter dan andere mensen.

En toch is dat allemaal geen reden om te stoppen met geloven in God.
Als ik naar mezelf kijk:
ik geloof omdat ik geraakt word door het christelijk geloof.
Ik ben erdoor gegrepen.
Ik vind het het mooiste geloof dat er is:
dat wij mogen geloven in een God die zichzelf kwetsbaar heeft gemaakt.
Die zo van ons houdt,
dat Hij zelf onze pijn en onze schuld op zijn schouders wil nemen.

En dat die God van ons vraagt om Hem boven alles lief te hebben,
en onze naaste als onszelf.
Daar wil ik uit leven.
Uit iets dat groter is dan mijzelf.
Iets dat mijn leven, mijn keuzes, mijn verlangens en mijn angsten overstijgt.

Nou gebeurt er iets bijzonders in het verhaal van koning Nebukadnessar,
en het gouden beeld dat hij laat oprichten.

Iedereen doet wat koning Nebukadnessar zegt.
Iedereen buigt voor het beeld. Al die mensen, uit al die overwonnen volken.
Maar er zijn een paar mensen,
Sadrach, Mesach en Abednego, vrienden van Daniël,
die weigeren om voor het beeld te buigen.

Ze worden bij koning Nebukadnessar gebracht.
En die begrijpt er niets van.
Waarom willen jullie niet voor het beeld buigen? Wat bezíelt jullie?
Dóe het toch gewoon! Dan is er niets aan de hand!

Maar als jullie dat niet doen…
dan moet ik jullie in de oven gooien,
zegt hij dreigend.

Nou heb je dit verhaal misschien al eens gehoord.
En weet je hoe het afloopt.
Sadrach, Mesach en Abednego weigeren om voor het beeld te buigen,
en ze worden door de koning in de oven geworpen.
Maar ze verbranden niet!
Ze lopen rond door het vuur.
In het vuur loopt er ineens een vierde gedaante naast hen.
En vervolgens stappen ze ongedeerd uit de oven.

En de koning ziet dat de macht van hun God groter is dan zijn eigen macht.
Dat hij met zijn gouden beeld nooit zo machtig is als de God van die drie mannen.

Maar… wat als dat niet gebeurd zou zijn?
Wat als ze gewoon verbrand zouden zijn?
Dan nog, zeggen ze tegen de koning,
Dan nog zouden we niet voor dit beeld buigen.

Dat gouden beeld staat voor de macht van koning Nebukadnessar.
Hij laat daarmee zien: mijn rijk is het grootste rijk op aarde.
Mijn macht is de grootste op aarde.
Mijn goden zijn de sterkste op aarde,
want ik heb al jullie rijken, al jullie goden verslagen.

Maar Sadrach, Mesach en Abednego zijn niet onder de indruk van het beeld van koning Nebukadnessar.
Hij is de koning die hun land heeft veroverd,
hun tempel heeft verwoest,
en hen in gevangenschap heeft meegenomen uit Israël.
Maar ze willen niet voor het beeld buigen.
Het beeld is voor hen niet mooi genoeg,
en het vuur is niet eng genoeg.

Hun toewijding, hun verlangen,
is gericht op iemand die mooier is, die meer vervulling geeft,
dan macht, succes, welvaart en geluk.
Op iemand die groter is dan hun eigen leven.

Ze zijn niet bang om onmachtig te zijn,
om niet succesvol te zijn, of arm, of niet geliefd.
Ze zijn zelfs niet bang om te sterven.

Het beeld is prachtig,
maar zij kennen God, die de maker is van schoonheid.
Het vuur is heet,
maar zij kennen God die de dood kan overwinnen.

Zij staan daar, voor koning Nebukadnessar, die machtige man,
en ze willen hem best respecteren,
en ze willen zich ook inzetten voor Babel,
het goede zoeken voor het land waar ze wonen.
Maar ze buigen niet voor het beeld.
Ze staan daar als vrije mensen.

Ze zeggen tegen Nebukadnessar:
het kan best zijn dat God ons niet redt.
Maar wij aanbidden dit beeld niet.

Zij geloven niet in God om zijn wonderen, omdat hij ze uit de oven redt.
Ze geloven niet in God omdat hij ze succes belooft,
of dat ze geen problemen zullen krijgen.
Ze geloven in God, omdat ze van Hem houden.
Ze aanbidden God om wie Hij is.

En dat is precies wat geloven is.
Ook voor ons, in deze tijd.
Geloven is dat je niet onder de indruk hoeft te zijn van de gouden beelden en vurige ovens om je heen.
Van mensen om je heen, die zeggen:
geloven is ouderwets, dat doet niemand meer.
Of van gouden beelden van succes en geluk,
die aan je worden opgedrongen.

Het is dat je je waarde ergens anders vandaan haalt.
Bij God.
Die zichzelf voor jou heeft gegeven. Die jou liefheeft.
Die de grond onder jouw leven wil zijn.
Die mooier is dan alle gouden beelden, sterker dan alle vurige ovens bij elkaar.
De God van Sadrach, Mesach en Abednego.

Ook al waren ze gevangen, en dacht iedereen dat hun god verslagen was:
God bleef de enige voor wie zij wilden buigen.
De enige van wie zij onder de indruk waren.
De enige aan wie zij zich toe wilden wijden.
Niemand die zo vrij was als zij.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *