Israëlzondag

Tekst: Genesis 12:1-8

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Vandaag is het Israëlzondag.
Een zondag waarop we in het bijzonder stilstaan bij onze verbondenheid,
als christenen, met het Joodse volk.

Vorig jaar ben ik zelf voor het eerst in het land Israël geweest.
Dat was een bijzondere ervaring, vond ik.
Van tevoren vond ik het best spannend.
Want in het nieuws hoor je zo vaak over spanningen in Israël,
en in het verleden zelfs over aanslagen.
Gelukkig hebben wij daar tijdens de reis zelf weinig van ervaren.

Wat me bij is gebleven,
is het bezoeken van al die plaatsen die een belangrijke plek innemen in de Bijbel.
Voor mij als christen was het bijzonder om met eigen ogen het meer van Galilea te zien, en Kafarnaüm,
Jeruzalem, de hof van Gethsemane,
en de Via Dolorosa,
de weg die Jezus heeft gelopen met het kruis op zijn rug.

Maar wat ik ook heel erg bijzonder vond,
was om bij de Klaagmuur te staan, in Jeruzalem.
Op de dag dat wij daar waren, was het een feestelijke bedoening.
Overal waren jongens van een jaar of 12 die Bar Mitswa deden,
met hun familie om hen heen.
Ze lazen een stukje voor uit de Thora,
en daaromheen werd er vrolijk voor ze gezongen, en muziek gemaakt.

Wat me ook raakte, waren de mannen,
Want vrouwen mochten niet bij dat deel van de muur komen –
die in traditionele gewaden aan het bidden waren.
Wat ze zeiden, vertelde iemand mij, was een geloofsbelijdenis,
het ‘Sjema Israël’:
Hoor Israël, de HEER is onze God, de HEER is de enige.
Heb daarom de HEER, uw God, lief,
met hart en ziel en de inzet van al uw krachten.

Op een bepaalde manier werd ik daar heel erg blij van.
Ik had het gevoel:
ook al geloof ik dat Jezus de Messias is en zij niet,
toch belijden wij het geloof in dezelfde God.
Daardoor voelde ik een diepe verbondenheid.

Toch voel ik die verbondenheid niet altijd even sterk.
Want de problematiek rond het land Israël is een hele lastige.
Eén waar ik zelf niet de juiste antwoorden op heb.

Aan de ene kant heb je het Joodse volk,
met alle verschrikkingen die hen zijn aangedaan tijdens de holocaust.
De Joden hebben nu eindelijk een plaats in het land dat vanouds aan hen beloofd was.
Waar zij voor zichzelf op mogen komen.
En niet bang hoeven zijn om onderdrukt te worden.

En aan de andere kant zijn er naast hen ook andere mensen die in dat land wonen,
en die er ook een thuis willen hebben.
Die er willen kunnen werken.
Hun geloof willen kunnen beleven.

En de harde taal, en harde daden,
de provocaties waarmee zij elkaar keer op keer weer uitlokken.
De angst voor geweld.
Daar word ik droevig van.
Dat zij er niet met elkaar uit kunnen komen.
Ik ga daarbij niet zeggen wie er gelijk heeft, en wie niet.
Ik denk persoonlijk dat beide partijen op bepaalde punten gelijk hebben,
en op andere te ver gaan.
Maar er wordt zo weinig naar elkaar geluisterd.
Zo weinig aan elkaar gegund.
Steeds weer wordt er olie op het vuur gegooid.
En dat vind ik ontzettend droevig.

Mijn gebed is:
dat Israël een plaats van vrede mag zijn,
waar mensen van verschillende geloven naast elkaar kunnen leven.
Waarbij hun aanspraak op de plek en historie niet betekent,
dat die van de ander er niet mag zijn.

Ook al plaats ik op sommige momenten vraagtekens bij wat de staat Israël doet,
Toch neemt dat onze verbondenheid met het Joodse volk niet weg.
Die is zo wezenlijk, dat je hem niet zomaar aan de kant kunt schuiven.

In het verleden werd dat wel gedaan.
In de tweede wereldoorlog,
maar ook lang daarvoor al werden Joden in Europa met de nek aangekeken.
En dat heeft ermee te maken hoe er, vanuit het christelijk geloof,
tegen Joden werd aangekeken.
Het gedeelte dat we hebben gelezen,
gaat over een belofte die God doet aan Abram.
Dat God Hem en zijn nakomelingen, het volk Israël, zal zegenen.
En later herhaalt God die belofte aan het Joodse volk,
als zij wegtrekken uit Egypte:
Jullie zijn mijn kostbare bezit.
Jullie zullen mijn volk zijn, en ik zal jullie God zijn.

Maar, werd door christenen vaak gezegd:
de Joden geloven niet in de Messias.
En daarmee houdt die belofte van God op.
God heeft de kerk daarvoor in de plaats gezet.
En alles wat aan Israël is beloofd,
is nu alleen nog op de kerk en op christenen van toepassing.
Dat wordt vervangingstheologie genoemd.
De kerk vervangt het Joodse volk. Zo werd dat gezien.
Zij hebben de Messias gedood, en ze wilden niet in hem geloven.
En nu heeft God ze aan de kant gezet.

Alleen dat gaat voorbij aan een heel belangrijk gegeven.
Namelijk, dat de eerste christenen Joods waren.
En dat Jezus zelf Joods was.
God heeft de kerk niet op de plek gezet van het Joodse volk.
Die belofte van God aan Abram, en aan zijn nakomelingen, blijft staan.
God is geen God die van zijn beloftes terugkomt.

Vandaag wil ik met jullie kijken naar die belofte die God aan Abram heeft gedaan.
Wat houdt die nou eigenlijk in?
Voor het Joodse volk, en ook voor ons?

Dat Bijbelgedeelte heb ik met jullie gelezen.
Genesis 12, de roeping van Abram.
Die later Abraham wordt genoemd.

Ik heb dit gedeelte uit opzet niet laten lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling,
Want daarin wordt deze tekst anders vertaald dan in andere vertalingen.
In de Nieuwe Bijbelvertaling eindigt vers 3 met:
alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als u.
Maar in alle andere vertalingen staat:
in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

Van een wens van de volken,
naar een expliciete belofte die God aan Abram maakt.
Dat is een groot, en belangrijk verschil.
Want met dat vers komen we precies bij waar dit gedeelte volgens mij over gaat.
Daar kom ik straks nog op terug.

God zegt tegen Abram:
Ga weg uit je land, weg bij je familie, uit het huis van je vader,
en ga naar het land dat ik jou zal wijzen.

Het is niet niks, wat God van Abram vraagt.
Hij moet zijn familie achter zich laten.
En dat terwijl familie in die tijd erg belangrijk was.
Misschien nog belangrijker dan nu!
Je was van je familie afhankelijk,
als het gaat om bescherming en hulp.
God vraagt van Abram om dat op te geven, om op weg te gaan,
en om op Hem te vertrouwen.

Abram vertrekt uit Haran,
de plaats waar zijn vader met zijn gezin naartoe getrokken was,
en gaat een onzekere toekomst tegemoet.
Hij krijgt van God niet te horen wat het doel van de reis is.
Maar hij krijgt wel een belofte mee:
Uit jou zal een groot volk voortkomen.
Voor Abram is dat een belofte die moeilijk te geloven is.
Want even hiervoor, in Genesis 11,
wordt al gezegd dat zijn vrouw Saraï onvruchtbaar is,
en dat ze daarom geen kinderen hebben.
En daar komt nog eens bij dat Abram al 75 jaar oud is.
Maar toch luistert Abram naar die stem van God.

De belofte die God aan Abram geeft, heeft een bijzondere structuur,
waar je makkelijk overheen kunt lezen.
Het zijn zeven korte zinnen:

Ik zal je tot een groot volk maken,
Ik zal je zegenen,
en ik zal je naam groot maken;
en je zult tot een zegen zijn.
Ik zal zegenen wie jou zegenen,
en wie jou vervloekt, zal Ik vervloeken;
en in jou zullen alle geslachten, alle volken van de aardbodem gezegend worden.
Drie beloften, een opdracht in het midden, en dan weer drie beloften.

God belooft grote dingen aan Abram.
Een groot volk, zegen, en een grote naam.
In het midden staat waaróm God Abram zegent.
Jij zult tot een zegen zijn.
Of, in de NBV-vertaling: wees een zegen.

De belofte die God aan Abram geeft, is groter dan hem zelf.
Zelfs groter dan zijn nakomelingen.
God belooft Abram en zijn nakomelingen te zegenen,
Zodat zij anderen tot een zegen zullen zijn.
Dat komt ook terug in die laatste zin, als God zegt tegen Abram:
door jou zal ik alle volken die op aarde leven zegenen.

In de tijd van Abram had elk volk een eigen god, of eigen goden,
Die zich in principe alleen met dat volk bemoeide.

Maar de God die Abram roept, is niet zo’n god.
God laat al meteen zien dat Hij anders is.
Dat Hij niet is zoals de goden waar de andere volken in geloven.
Hij kiest één volk uit,
maar heeft alle volken op het oog. Alle mensen.

Dat is wezenlijk aan de God van de Bijbel.
Hij is niet alleen de God van mensen die veel met Hem bezig zijn,
En ook niet van een bepaald type gelovigen,
of van een bepaalde kerk.
De God van de Bijbel is de God van alle volken, en van alle mensen.
Of mensen iets in hem zien, of Hem erkennen, staat daar los van.

Als Abram op weg gaat, en zijn vertrouwde netwerk achter zich laat,
belooft God dat Hij met Abram mee zal gaan.
Hij spreekt goede dingen over Abram uit. Hij zegent hem.

Abram kreeg wel een belofte van God.
Maar hij kreeg geen garanties,
Hij kreeg zelfs niet van God te horen waar hij naartoe moest gaan.
Alleen dat hij op weg moest gaan naar het land dat God hem zou wijzen.

Als je heel eerlijk bent, voelt geloven voor ons ook niet vaak zo?
Je hebt geen zekerheid, je kunt niet zien of waar je in gelooft,
waar je op vertrouwt, ook echt zo is.
En als je in God gelooft, dan betekent dat niet dat je weg voor je is uitgestippeld.
Dat je weet hoe je leven eruit zal zien.
En krijg je geen garantie dat je nooit met moeilijkheden te maken krijgt.
Maar net als Abram mogen wij wel vertrouwen op de goede dingen die God over hem uitspreekt.
Dat Hij met Abram mee zal gaan.
Dat Hij zegenend dichtbij zal zijn.

Abram luistert naar Gods belofte,
maar tijdens zijn leven blijft hij steeds op doorreis.
Hij is steeds onderweg.
En toch blijft hij vertrouwen dat hij de weg gaat die God voor hem in gedachten heeft.

Abram gaat op weg, zelfs al weet hij nog niet of wat God tegen hem zegt,
ook echt zal, zelfs kán gebeuren.
Ondanks zijn hoge leeftijd, en de onvruchtbaarheid van zijn vrouw Saraï,
kiest hij ervoor om naar de stem van God te luisteren,
en te vertrouwen dat God zijn belofte waar zal maken.

Deze belofte, die God aan Abram doet, is er één die wij niet mogen vergeten.
Het is namelijk een belofte met een hele diepe lading.
God kiest Abram en zijn nakomelingen uit, om zichzelf aan ze te laten zien.
Om ze, met vallen en opstaan, te leren om met Hem te leven.
En om, door hen, aan alle volken te laten zien wie Hij is.
Het was Gods bedoeling dat als je naar het Joodse volk kijkt,
Dat je dan kan zien wie haar God was,
en hoe Hij bedoelde dat wij mensen leven.

Als je de Bijbel leest, dan zie je dat het volk Israël dat ook probeert.
Maar ze falen er steeds weer in.
Steeds weer vallen ze in dezelfde valkuil.
Ze vergeten God. Ze gaan tot andere goden bidden.
Ze falen, zoals wij daar allemaal in zouden falen.
Maar voor God is dat is geen reden om ze niet trouw te blijven.
Hij liet ze niet vallen.

En uiteindelijk is wat christenen geloven,
Dat er één nakomeling van Abram is geweest,
Die de roeping van Israël vervulde. Die alle mensen, alle volken, tot een zegen was.
In wie je op volmaakte wijze kon zien wie God is,
en wat voor leven God bedoeld heeft.
En dat was Jezus.
Door hem konden mensen uit alle volken delen in de zegen die God wilde geven.

Als christenen geloven wij in eerste plaats dat God Abram en zijn nakomelingen zegent:
het Joodse volk.
En wij geloven ook dat wij, door Jezus, mogen delen in die belofte.
Dat wij ook kinderen van Abram mogen zijn.
Dat wij net als het Joodse volk mogen delen in de zegen die Abram van God kreeg.

En wij delen, naast de zegen, ook in de opdracht die Abram van God kreeg:
Om tot zegen te zijn, voor de mensen om ons heen.
Om de goedheid van God, waar wij uit leven,
Ook daadwerkelijk zichtbaar en merkbaar te laten zijn in ons leven.
Zodat andere mensen kunnen zien, door hoe wij met elkaar omgaan,
Wie God is, en wat Hij voor ons betekent.
Al is dat voor ons vaak net zo moeilijk als het Joodse volk. Falen wij daar ook in.
Maar voor ons geldt ook die belofte:
God blijft altijd trouw.
Zelfs al maken wij er een potje van.
Vandaag mogen wij het avondmaal vieren.

En eigenlijk is het heel erg mooi, om dat juist vandaag te doen.
Op Israëlzondag.
Want als wij het avondmaal vieren,
Dan doen we dat om terug te denken aan hoe Jezus die belofte van God aan Abram waar heeft gemaakt.

Doordat Hij zijn leven gaf,
Mogen wij delen in de zegen die God aan Abram gaf.

Paulus schrijft daar heel mooi over in de brief aan de Efeziërs:
Jezus is onze vrede.
Hij heeft de twee één gemaakt.
Aan het kruis werd de scheidslijn opgeheven,
de muur die tussen Joden en niet-joden instond, werd afgebroken.
Jezus heeft vrede verkondigd aan hen, die dicht bij waren, aan het Joodse volk,
En aan hen, die veraf waren. Aan ons.
Aan de mensen uit alle andere volken.
Want door Hem hebben wij beiden, in één Geest, toegang tot de Vader.

Jezus heeft ons, of we nou Joods zijn of niet, met God verzoend.
En door Hem mogen ook wij delen in die belofte die God aan Abram heeft gegeven.
Dat Hij Hem, zijn nakomelingen, en ook ons, zal zegenen.
En we mogen ook delen in de opdracht: om anderen tot zegen te zijn.
Maar dat is niet in plaats van het Joodse volk.
Het is samen met het Joodse volk.
En ook met de Palestijnse christenen.
En met alle andere mensen, uit alle andere volken.

Door Jezus, geloven wij,
zijn de twee één geworden.
Niet in plaats van,
Maar samen met hen, mogen wij God aanbidden.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *