Breng ze mij..

Tekst: Mattheüs 14:13-21

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Iets meer dan een jaar geleden, in juni 2018,
heb ik hetzelfde verhaal met jullie gelezen als vanmorgen,
ook in een dienst waarin we het avondmaal met elkaar vierden.
Het verhaal dat vanouds de ‘wonderbare spijziging wordt genoemd’.
Toen lazen we de versie van dit verhaal van Markus,
en nu van Mattheüs.Al kan ik me goed voorstellen dat jullie het niet meer weten,
want ik was het zelf al bijna vergeten 😉
Het is wel een verhaal dat vaak is gelezen in de kerk.
Misschien hebben sommige mensen hier al wel twintig preken over gehoord.
Of meer! …..

Nou kun je zeggen: het is zo’n bekend Bijbelverhaal voor veel mensen.
Wat heeft dit verhaal ons nog te zeggen?
Maar toen ik dit Bijbelverhaal kort geleden weer las,
viel me één regel op waar ik vanmorgen met jullie in het bijzonder naar wil kijken.
Een regel die mij erg aan het denken zette, toen ik hem las.
En die het verhaal voor mij ineens een stuk dichterbij bracht.
En daarom wilde ik dit verhaal met jullie lezen.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen dat zij die grote menigte van vijfduizend mensen moeten voeden.
En natuurlijk denken zijn leerlingen: hoe dan?
Hoe moeten wij dat ooit doen?
En ze zeggen tegen Jezus:
we hebben hier niets.
Alleen vijf broden en twee vissen.
En dan zegt Jezus tegen zijn leerlingen: Breng ze mij.
En hij neemt de broden en de vissen die zijn leerlingen bij zich hebben,
spreekt een zegengebed uit en deelt de broden.
En vervolgens laat hij zijn leerlingen het brood aan al die mensen uitdelen,
En iedereen heeft genoeg.
En daar wil ik het vanmorgen met jullie over hebben.
Over die paar woorden die Jezus tegen zijn leerlingen zegt:
breng ze mij.

Waarmee zou je de situatie waar Jezus en zijn leerlingen in verzeild zijn geraakt nu nog kunnen vergelijken?
Voor ons staat dit verhaal ver van ons af.
Want wij leven in een tijd, en in een land,
waar altijd wel eten voorhanden is.
Zelfs de supermarkten zijn steeds langer en steeds vaker open.
Geen plek in Nederland is zo afgelegen,
of er is wel íets in de buurt waar je eten kunt kopen. Al is het midden in de nacht!
Zo letterlijk als de leerlingen van Jezus met lege handen staan, staan wij nooit meer.

Maar figuurlijk kunnen wij wel met lege handen staan.
Bijvoorbeeld als je ziet dat iemand het moeilijk heeft.
Door ziekte.
Of door verdriet dat iemand in zijn of haar leven heeft meegemaakt.
Dat gaat je aan het hart.
Je wilt er wel iets aan doen, je wilt die ander graag helpen.
Maar wat kun je nou daadwerkelijk voor die ander betekenen?
Wat kun je dóen om de pijn te verzachten?

Ik heb zelf soms wel dat gevoel, dat ik met lege handen sta.
Ook in mijn werk.
Als iemand mij vraagt: waarom moet het nou allemaal zo?
Waarom niet anders?
Als ik verdriet zie bij mensen,
waarvan je weet dat ze er voorlopig niet uit gaan komen.
Of je weet dat mensen heel erg ziek zijn…
Dan weet ik soms even niet wat ik moet zeggen.

In dit verhaal zijn vijfduizend mensen verzameld op een afgelegen plaats.
Mensen met hun eigen pijn, hun eigen verdriet.
Mensen die helemaal vastlopen,
en die iemand zoeken die ze kan helpen om richting te vinden in hun leven.
Mensen die zoeken naar iemand die hun ziekte kan genezen.
Jezus heeft zelf ook verdriet.
Hij heeft net te horen gekregen dat zijn goede vriend, Johannes de Doper,
door koning Herodes op een gruwelijke manier ter dood is gebracht.
Hij zoekt per boot naar een plek om alleen te zijn.
Een afgelegen plek.
Maar al die mensen met hun problemen en vragen volgen hem, ook nu.
Als hij uit de boot stapt, dan zijn ze er al.

En in plaats van te denken:
krijg ik dan geen moment rust?,
ziet Jezus die mensen,
en hij voelt medelijden met ze.
Hij staat ze te woord. Hij geneest hun zieken.
De hele dag.

Als dan de avond valt, beginnen zijn leerlingen zich zorgen te maken.
Zoveel mensen op zo’n afgelegen plek,
hoe komen die straks weer thuis?
En hoe komen ze aan eten?
Ze zeggen tegen Jezus: stuur ze weg!
Dan kunnen zij voor zichzelf zorgen,
en wij kunnen ook even bijkomen.

Ze weten dat zij al die problemen van al die mensen niet op kunnen lossen.
Hoe graag ze dat ook zouden willen.
Zij zijn ook maar mensen.
Ze kunnen de problemen van al die andere mensen niet op hun eigen schouders nemen.
Dat kunnen ze niet aan.

En als Jezus vervolgens tegen ze zegt: geven jullie ze maar te eten,
kijken ze hem vol ongeloof aan.
Waarvan dan?
Van die vijf broden en twee vissen?
We zouden het wel willen, maar we kúnnen het gewoon niet!
Dat is onmogelijk!
Je kunt de problemen van de hele wereld toch niet op je eigen schouders nemen…
Soms hoor ik wel eens iemand zeggen:
Ik kijk geen journaal meer.
Al dat leed. Dag aan dag.
Het houdt nooit op.
Ik word er verdrietig van.
Het raakt me zo.
En ik kan er niets tegen doen!

Vaak hoef je de televisie niet eens aan te zetten om met leed en met pijn te maken te krijgen.
Zoveel mensen, soms nog zo jong, die ziek worden.
Of die komen te overlijden.
Ik denk dat iedereen dat wel herkent,
dat het je erg kan raken als je al het verdriet om je heen ziet.
Het leven is zo kwetsbaar.
Iemand die op het ene moment gezond was,
kan op het volgende moment iets meemaken waardoor dat helemaal verandert.
Een gezin, waar alles goed leek, kan uit elkaar vallen.
Iemand kan te maken krijgen met psychische problemen.
Dat kan je leven zo ontwrichten.

Wat moet je daarmee?
Met al dat verdriet om je heen?
Hoe moet je daar een goede houding in aannemen?

Want het is echt waar.
Je kunt de problemen van de hele wereld niet op je eigen schouders nemen.
Dat is te zwaar.
Dat kunnen wij niet aan.
De leerlingen van Jezus kúnnen die hele menigte niet voeden van vijf broden en twee vissen.
Dat kan gewoon niet.
Als ze dat doen, houden ze zelf niets over,
en niemand van die vijfduizend mensen zal genoeg hebben.

Waarom vraagt Jezus dan toch van zijn leerlingen om dat te doen?

Ik stel me voor dat Jezus zijn leerlingen met hun neus op de feiten wil drukken.
Dat ze er eerlijk voor uitkomen.
We wéten niet wat we moeten doen.
We kunnen al die mensen niet voeden.
We hebben maar net genoeg om voor onszelf te zorgen.
Vijf broden en twee vissen.
Prima voor dertien volwassen mensen,
voor Jezus en zijn twaalf leerlingen.
Maar lang niet genoeg voor vijfduizend man!

En dan zegt Jezus die woorden:
breng ze mij.
Hij vraagt ze om dat kleine beetje wat ze hebben,
waar ze zelf net genoeg aan hebben, aan hem over te geven.
Aan hem toe te vertrouwen.
Dat is al best een stap, als je erover nadenkt!
Als ze dat niet zouden doen, dan ís er niets om van te delen.

Maar als ze dat wel doen, dán gebeurt het wonder:
Jezus neemt de broden, en deelt ze in stukken.
En van die schamele vijf broden en twee vissen die zijn leerlingen hem brachten,
maakt hij een maaltijd waar al die vijfduizend mensen van kunnen eten!

En hij deelt het eten niet zelf uit,
maar hij vraagt zijn leerlingen om het brood rond te delen.

Die zullen in het begin wel gedacht hebben:
Daar gaat ons avondeten.
Maar langzaamaan geven ze de hele menigte te eten.
En als ze aan het eind van de rij zijn,
zijn er van die vijf broden nog twaalf manden over!
Veel meer dan genoeg!

Je kunt zeggen dat dit een verhaal is dat ons leert om te delen met wie minder heeft.
En dat is ook deels waar het over gaat.
Maar het gaat nog over veel meer.
Het gaat ook over jouw vijf broden en twee vissen,
jouw net-niet-genoeg-maaltijd,
jouw halve antwoorden,
en onhandige pogingen om anderen te helpen.

Wij hóeven de problemen van deze wereld niet op te kunnen lossen.
En zelfs de problemen van de mensen om ons heen, de mensen die ons lief zijn.
Maar we mogen wel het kleine beetje doen wat we wel kunnen doen,
Onze kleine pogingen doen om de pijn te verzachten,
om naast mensen te staan in hun gebrokenheid.

In het vertrouwen, dat God daar iets moois uit kan laten ontstaan.
Zelfs al maken we daar fouten in.
Of is het bij lange na niet genoeg. Dat hoeft ook niet.

Jezus wil alleen dat zijn leerlingen er eerst voor uit durven te komen:
Wij kunnen de problemen van al die mensen niet oplossen.

En dan wil Hij dat ze erop vertrouwen dat Hij dat wel kan.
Om het aan Hem over te geven.
En Hij doet het op een manier die niemand van tevoren had verwacht.

Wij kunnen geen antwoord geven op al het kwaad dat er in deze wereld is.
Op al het lijden. Op alle pijn, en alle ziekte.
Dat is ook niet wat God van ons verwacht.
We kunnen ook onze eigen tekortkomingen, onze eigen pijn,
en onze eigen gebrokenheid niet oplossen.
Hoe graag we dat ook zouden willen!
Want dat zit zo diep in onze genen. In onze maatschappij.
Je moet toch in elk geval jezelf kunnen redden!
Je moet zorgen dat je in elk geval je eigen problemen de baas kunt zijn.
Maar dat kunnen we niet. En dat hóeven we ook niet.
We hóeven geen perfecte, foutloze mensen te zijn,
die alles altijd op een rijtje hebben.
We kunnen wel met onze problemen en tekortkomingen naar Jezus toe gaan.
En ze aan Hem toevertrouwen.

Want wij kunnen de problemen van deze wereld niet op onze schouders nemen!
Maar Hij heeft dat wel gedaan.
En Hij heeft ze overwonnen.

En ook al zien we daar nu nog niet altijd de gevolgen van:
Het is wel waar we aan vast mogen houden.
Hij is de hoop waaruit we mogen leven.
De hoop, die ons ertoe drijft om ook onze vijf broden en twee vissen,
ons kleine beetje, aan Hem toe te vertrouwen.

Want wij staan niet met lege handen.
We hebben een God die van ons houdt.
Die onze lasten op zijn schouders neemt.
En die zegt: vertrouw op Mij.
Je problemen, je vragen,
De dingen waar je geen raad mee weet,
Breng ze maar naar mij.

Want ik maak alle dingen nieuw.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *