Pinksteren – In mijn eigen taal

Tekst: Handelingen 2:1-14; 22-24; 36-42

Agapèmenè ekklesia tou Ièsou Christou,

An milo elennika, mè me katalabeis.

Daar verstonden jullie vast maar weinig van 😉
Ik zei, met wat hulp van Google Translate:

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Als ik Grieks praat, verstaan jullie me niet.
Tenminste, daar ga ik van uit.

Stel: je zou naar Griekenland op vakantie gaan.
Je staat in Athene op een plein vol met allemaal toeristen uit veel verschillende landen.
En ineens begint er iemand luid te praten.

Zoals jullie net niet zouden hebben verwacht dat ik Grieks zou praten,
Zo zou je op dat moment juist wél verwachten dat er Grieks gepraat wordt!
Of misschien Engels.

Maar wat als je diegene die de mensen toespreekt,
op dat moment ineens Nederlands zou horen praten?
Of zelfs Gronings?
Zou je dat verwachten?
Je zou er toch minstens raar van opkijken!
Of denken: die Nederlanders ook, die moeten zich overal laten horen.
En je zou je een beetje plaatsvervangend schamen.

Maar wat als je dan bij de mensen om je heen,
mensen uit allemaal verschillende landen,
aan hun gezicht de verbazing zou kunnen zien dat zij diegene ook kunnen verstaan?
In hun eigen taal?
En wat als je niet alleen kunt verstaan wat diegene zegt,
maar je wordt er ook nog eens diep door geraakt?
Dat is wat de Joodse mensen overkwam die tijdens het Pinksterfeest in Jeruzalem waren.
Dat feest, het dankfeest voor de oogst,
is waar ze speciaal voor gekomen zijn.
Het was tijdens de grote feesten altijd een hele drukte in Jeruzalem.
Overal kwamen de mensen vandaan.
Uit heel Israël, en zelfs van ver daarbuiten.

Ik ben altijd wel benieuwd hoe dat eruit moet hebben gezien voor de mensen die op dat feest waren.
Die leerlingen van Jezus die ineens naar buiten stormden,
en op verschillende plekken in de stad vol vuur en enthousiasme begonnen te vertellen.
Petrus voorop.

Stel je voor. Jij bent een van die mensen die op het feest zijn.
Je staat daar, en je begrijpt maar ten dele over wie het gaat.
Maar je merkt aan alles dat dit iets is dat ertoe doet.
Je voelt dat het over iets heel wezenlijks gaat.

Petrus vertelt de mensen over iemand die is gedood,
maar die ook weer is opgestaan uit de dood.
De mensen op het feest moeten er ongetwijfeld over gehoord hebben.
Dat deze man een godslasteraar was.
Maar dat er ook mensen waren die zeiden dat hij de Messias was!
De door God beloofde redder.
Het gerucht ging zelfs rond dat hij was opgestaan uit de dood.
Dat mensen hem hadden gezien!
Maar er waren ook mensen die zeiden:
Dat kan niet!
De mannen die zijn lichaam moesten bewaken zeggen zelf dat het allemaal een leugen is.

Al luisterend ontdek je dat het gaat over Jezus.
En je luistert geboeid naar wat die vreemde man, Petrus, vertelt.
Niet gemaakt. Niet overdreven.
Hij komt over als een nuchtere man. En hij zegt het rechtuit.
Hij vertelt dat Jezus door zijn dood en opstanding heeft laten zien dat Hij de Heer is.
In zijn dood heeft hij de krachten van het kwaad ontmaskerd.
Toen hij werd verraden, werd bespot, een schijnproces kreeg,
vals werd beschuldigd en zonder overtreding ter dood veroordeeld,
werd uitgescholden, geslagen, vernederd, gekruisigd.
En uiteindelijk werd gedood.

Maar, zegt deze man, Petrus, tegen de mensen in Jeruzalem,
het was Gods plan dat dat zou gebeuren.
Want God kende die krachten van het kwaad.
Jezus wist zelf wat er zou gebeuren als hij naar Jeruzalem zou gaan.
Maar hij gaf zijn leven om de zonde die die krachten veroorzaakte,
op zijn eigen schouders te laden.
En hij heeft die krachten overwonnen.
Want God heeft hem uit de dood opgewekt.

Je staat daar te luisteren naar dat bijzondere verhaal.
En je snapt nog steeds niet hoe het kan dat je deze man kunt verstaan.
In jouw eigen taal.
En toch voel je dat hij de waarheid spreekt.
Je hart gaat branden als je naar hem luistert.
Je wilt meer weten over diegene waar hij over vertelt, over Jezus.

Die Petrus zegt trouwens ook wel lastige dingen.
Hij zegt dat het de schuld is van de mensen in Jeruzalem dat deze man ter dood is gebracht.
Dat hebben ze zelf gedaan,
of ze hebben er zwijgend mee ingestemd.
En dat is best spannend, dat hij dat zegt.
Want daarmee keert hij zich ook tegen de leiders van het volk.
Dat doet niemand, want die hebben veel macht!
Hij zegt ronduit dat ze het bij het verkeerde eind hadden.
En hij roept ze op om hun leven een keer te geven.
Want als ze zo doorgaan, zal het niet goed met ze aflopen.
Ze zoeken zichzelf, en niet God.

Dat gebeurt allemaal die dag, op het Joodse Pinksterfeest.
De oorsprong van dat feest zegt ons eigenlijk maar heel weinig.
We weten dat het een oogstfeest was.
Tijdens dit feest werden de eerste graanschoven geofferd in de tempel,
als dank voor de nieuwe oogst,
en als gebed voor de rest van de oogst.

Maar wat minder bekend is, is dat er een reden was dat het Pinksterfeest 50 dagen na het Joodse Paasfeest werd gevierd.
Het duurde namelijk 50 dagen voor het Joodse volk na de uittocht uit Egypte bij de berg Sinaï kwam.
De berg waar God tegen Mozes had gesproken,
in de brandende braamstruik.
Dat was de berg waar het volk naartoe ging na de uittocht.
God gaf daar zijn wet aan het Joodse volk.
De tien geboden, en de andere wetten.
En op die plek zei hij tegen het volk:
jullie zijn mijn kostbare bezit.
Ik heb jullie uitgekozen, om door jullie alle volken te zegenen.

Dat juist met Pinksteren de heilige Geest wordt uitgestort, is heel veelzeggend.
Omdat er op die dag in Jeruzalem iets heel bijzonders gebeurt.
Daarvoor was de heilige Geest er ook. Maar niet voor iedereen.
Een handvol bijzondere mensen werd vervuld met de heilige Geest.
Koningen. Priesters. Profeten.
Maar nu zie je dat de heilige Geest over alle mensen wordt uitgestort!
En dat is ook juist waarom alle mensen Petrus en de andere leerlingen kunnen verstaan!

Want iedereen hoort de leerlingen van Jezus spreken in hun eigen taal.
Je kunt je afvragen:
Waarom gebeurt dat eigenlijk?
Waar is dat voor nodig?
Voor het verrassingseffect?
Of om de gemeente zo snel mogelijk te laten groeien?
Om zoveel mogelijk mensen de toespraak van Petrus te laten horen?

Daar heeft het allemaal niets mee te maken.
Vanaf Pinksteren vindt er een ommekeer plaats.
Niet meer alleen de mensen uit Israël,
maar mensen van over heel de wereld krijgen het goede nieuws over Jezus te horen,
ieder in hun eigen taal.
Want dat goede nieuws is bedoeld voor álle mensen!

En er zijn heel wat mensen aanwezig die dag, uit veel verschillende volken!
Als je alleen die lange lijst met onbekende namen van landen leest,
zoals dat staat in de Nieuwe Bijbelvertaling,
dan kan het maken dat je snel afhaakt.
Parten, Meden en Elamieten,
inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië,
mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië,
Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië,
en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben,
mensen uit Kreta en Arabië.

Maar als je kijkt naar het kaartje voorop de liturgie,
dan zie je waar al die volken woonden,
En waar al die landen lagen.
En dan zie je dat het er niet alleen om gaat dat er veel mensen waren,
Maar dat die mensen echt óveral vandaan kwamen!
In de Bijbel in gewone taal laten ze dat beter zien.
Er kwamen mensen uit Arabië in het Oosten, tot aan Rome in het Westen.
Van Egypte in het zuiden, tot Turkije in het Noorden.
Ze kwamen uit heel de toen bekende wereld.
En ál die mensen zouden wat ze die dag hoorden mee terug nemen naar hun eigen thuisland.
Dat is het eerste wat de heilige Geest doet.
Zorgen dat de leerlingen van Jezus uit hun schuilplaats naar buiten komen,
en het evangelie gaan vertellen,
tegen iedereen die het maar wil horen.
Tegen mensen uit alle landen.

Wat een verschil met hoe het was toen Jezus net was gestorven!
De leerlingen zaten toen in een afgesloten ruimte, de deur op slot,
want ze waren bang dat zij ook opgepakt zouden worden.
Maar nu maakt het ze niets meer uit.
Ze zijn niet bang meer.
Ze staan midden op straat, zonder schaamte,
vol enthousiasme te vertellen over wat Jezus heeft gedaan!
Dat Hij de echte Heer is. De Messias.
Dat hij is opgestaan uit de dood.
En dat Hij het volgen waard is.

Op die dag wordt de eerste christelijke kerk gesticht.
3.000 mensen horen de toespraak van Petrus,
of horen het van een van de andere leerlingen, en laten zich dopen.
Het is in één klap een beweging geworden die zich niet meer laat keren.
Die zich niet meer bang laat maken.

Maar zijn ook mensen die de leerlingen van Jezus horen spreken,
en die niets horen.
Of ze willen niets horen.
Ze horen alleen gebrabbel,
en zeggen hardop: ze zullen wel dronken zijn! Ze hebben teveel wijn op!

Je kunt je afvragen of er zoveel is veranderd in de loop van de tijd.
Ook nu gebeurt het nog vaak genoeg dat mensen het maar raar vinden dat er andere mensen zijn die – nog, zeggen ze er dan bij – geloven.
Alsof we onszelf voor de gek houden met een sprookje.

Het is moeilijk om daar niet gevoelig voor te zijn.
Het kan je het gevoel geven dat je dom bent als je gelooft.
En dat je het vooral niet teveel moet laten zien, of laten merken.
Ik weet niet of Petrus daar iets van gehoord heeft, dat dat werd gezegd.
Waarschijnlijk wel.
Maar hij trekt zich er maar weinig van aan.
Hij stopt niet met wat hij doet.

Misschien kunnen wij daar wel wat van leren.
Want moet je je daar wel iets van aantrekken?
Maken wij onszelf soms niet té druk om wat anderen van ons vinden, of denken?
Of vinden we het zo belangrijk om normaal gevonden te willen worden,
dat we uiteindelijk niets meer durven te zeggen?

Waar de Geest komt, daar gebeurt ook iets.
Daar worden mensen geraakt. En er is ook weerstand.
Maar daar kun je ook je angst kwijtraken om eerlijk voor je geloof uit te komen.
Om de hoop te durven delen die je in je hebt.

De boodschap van Petrus is niet alleen maar een lieve boodschap.
Hij zegt ronduit tegen de mensen die naar hem luisteren:
jullie rennen hard op een klif af, en je kunt zelf niet meer remmen.
Het gaat mis.

Kijk hoe jullie zelfs Gods zoon hebben laten kruisigen!
Terwijl Hij jullie de weg naar God liet zien.

Petrus zegt: laat je redden. Neem die uitgestoken hand aan.
Laat je dopen.
Word deel van die gemeenschap die gelooft in Jezus als de Messias,
de Christus, de Heer.
Keer je leven om. En vind het leven bij God!
Bij Hem krijg je vergeving.
En de Heilige Geest, die je helpt om Gods weg te zien, en ernaar te leven.

Met Pinksteren krijgen voor het eerst mensen uit alle landen die boodschap te horen.
Ieder in hun eigen taal.
Met Pinksteren ontstaat de eerste gemeenschap van mensen die zich laten dopen, en samen het brood breken.
Die samen hun geloof belijden, en hun leven met elkaar delen.

En sinds Pinksteren is die beweging niet meer gestopt.
Want Gods Geest láát zich niet stoppen.

Ook wij mogen ons daar steeds weer door laten bemoedigen.
Want die gemeente met Pinksteren ontstond niet door de mooie toespraak van Petrus.
Die gemeente ontstond toen hij en de andere leerlingen aan het bidden waren om de heilige Geest.
En omdat ze, toen die over ze werd uitgestort, niet meer stil kónden blijven.
Maar heel de wereld vol blijdschap wilden vertellen over Jezus.

Dat is wat de Heilige Geest met je doet.
Dus: weet waar je om vraagt! 😉 Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *