Voetzalving van Jezus

Teksten: Deuteronomium 15:7-11; Johannes 12:1-11

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Als je een feestmaal organiseert, dan komt er veel bij kijken.
Je moet alles klaarzetten, en opruimen.
Zorgen dat er genoeg eten en drinken in huis is.
Lekker koken. Of mensen vragen om te koken.
Als je er zoveel werk van hebt,
dan is het fijn als het een beetje aan je verwachtingen voldoet.
Dat het gezellig is, dat je ziet dat mensen genieten.

Als je dan samen eet, dan voel je je verbonden met elkaar.

Op zo’n moment dan zou het vervelend zijn als er iets gebeurt dat de sfeer verpest.
Stel dat iemand iets heel ongepasts zegt, of doet.
Of stel dat een paar mensen heel erg boos worden op elkaar,
en iemand met slaande deur het vertrek verlaat.
Dan is de gezelligheid meteen ver te zoeken.

Hoe zou dat voor Marta gevoeld hebben?
Marta had een mooi feest voorbereid ter ere van Jezus.
Zij bediende de gasten.
En naast Jezus was Lazarus eregast.
Lazarus was Marta’s broer,
die door Jezus uit de dood was opgewekt.
Ze wilden met dit feestmaal hun dankbaarheid aan Jezus laten zien.

Alleen: niet iedereen kan er echt van genieten.
Voor sommigen was het een beladen feest.

Als Johannes over deze gebeurtenis schrijft,
Dan is het eerste wat hij noemt het moment waarop het feest gehouden wordt:
Zes dagen voor Pesach.
Met andere woorden:
Zes dagen voor het moment waarop Jezus gekruisigd zal worden.

Dat is waarom Jezus in Betanië is.
Hij is op weg naar Jeruzalem, en Betanië ligt daar vlakbij.

Hij is op weg naar zijn lijden, en naar zijn dood.

Hij heeft dat meerdere keren geprobeerd uit te leggen aan zijn leerlingen.
Maar zou het ook geland zijn?

Uit alles wat zijn leerlingen de dagen daaromheen doen, blijkt van niet.
Ze ruziën over wie het belangrijkst is.
Ze doen alsof er niets bijzonders is.
Ik denk dat zij ergens, na alle wonderen die ze Jezus hadden zien doen, dachten:
Het zal zo’n vaart niet lopen.
Of: hij redt zich wel. Het komt wel goed.

Of misschien dachten ze dat allemaal niet,
maar wisten ze niet zo goed wat ze wél moesten denken.

Terwijl Jezus weet dat hij zijn einde tegemoet gaat.
Dat hem binnen een week iets vreselijks te wachten staat.

Zelfs Marta en Lazarus, goede vrienden van Jezus, lijken niets door te hebben.

Of toch wel?
Zou iedereen het wel gehoord hebben, en begrepen,
maar het niet hebben wíllen horen?
Zouden ze mooi weer spelen?

De sfeer op het feest lijkt in elk geval goed.
Het moet een mooi feest geweest zijn, met genoeg eten, en lekkere wijn.

Misschien dat Judas, een van Jezus’ leerlingen,
op dat moment al knarsentandend aan de maaltijd zat.
Moet dat nou, zo uitbundig?
Waar is dat voor nodig? Er is zoveel leed om ons heen!
Er zijn zoveel mensen die te weinig hebben.
Overal op hun reis komen ze die mensen tegen.

Maar de rest van de leerlingen geniet van het lekkere eten, en de goede sfeer.
Ze hebben net een lange reis achter de rug.
En het is niet elke dag dat ze zo’n feestmaal meemaken!

En dan, als iedereen lekker aan het eten is, en met elkaar in gesprek is,
gaat de deur open,
en Maria, de zus van Lazarus en Marta komt binnen.
We lezen vaker over Maria en Marta in de evangeliën.
Je hebt het gevoel dat je ze een beetje kent.
Maria, die eerder aan de voeten van Jezus zat,
om te luisteren naar wat hij te zeggen had,
terwijl haar zus Marta voor de gasten zorgde.
En mopperde dat haar zus niet ook haar handen uit de mouwen stak.

Diezelfde Maria komt nu de kamer binnen met een kruik in haar handen.
De gasten kijken elkaar aan.
Wat zit er in die kruik?

Maar als Maria achter Jezus gaat zitten, die aan tafel aanligt,
en een deel over de voeten van Jezus uitgiet,
wordt de ruimte al snel gevuld met de geur van de nardusolie.
Jullie hebben er al even aan kunnen ruiken.
Dat is best een sterke geur.
Toen ik in mijn studeerkamer een druppel op een zakdoekje deed, en die liet liggen,
rook de volgende dag de hele kamer ernaar!
Jezus trekt zijn voeten niet terug.
Hij laat Maria haar gang gaan.

Ook als ze haar haar los doet,
en met haar haren de voeten van Jezus afdroogt.

Dat ze haar haar losdeed,
was iets dat heel ongepast was in die cultuur,
want het haar was het sieraad van een vrouw.
Dat was niet iets dat je zomaar aan iedereen liet zien.
Daarom moeten moslimvrouwen hun haren bedekken.

De gezellige sfeer van het feest wordt ineens heel serieus.
Alle gasten vragen zich af waarom Maria dit doet.
Ze waren geschokt!

Is het niet door de manier waaróp Maria dit doet,
dan is het wel door die kostbare olie.

Voor hen was wat Maria deed net zo vreemd als voor ons.

Ze vragen zich allemaal af: waarom doet ze dit?
Waar is dit goed voor?
Het voelt als een enorme verspilling!

Hoe kwam Maria erbij om deze dure olie over Jezus’ voeten uit te gieten,
en het met haar haren af te drogen?
Wat zou er in haar hoofd zijn omgegaan?

Er spreekt veel liefde uit wat Maria doet.
Je ziet daaraan dat ze veel gaf om Jezus.

Eerder al zat ze aan zijn voeten naar zijn woorden te luisteren.
Maar kort geleden was er iets gebeurd waardoor haar liefde voor Jezus alleen maar sterker was geworden.

Haar broer Lazarus, van wie ze veel hield, was overleden.
Maria en haar zus Marta waren in diepe rouw.
Ze hadden zo gehoopt dat Jezus op tijd bij ze zou komen, om Lazarus te genezen,
Maar hij was niet op tijd gekomen.

Maar toen hij daarna tóch bij ze kwam,
had Jezus gedaan wat niemand had kunnen denken:
hij had Lazarus uit de dood opgewekt.

Dat alles maakt dat Maria goed luistert naar wat Jezus zegt.
Misschien nog wel meer dan daarvoor.
Ze wordt nóg meer door zijn woorden geraakt.

Ook als hij aan zijn leerlingen uitlegt dat hij zal moeten lijden, en sterven.
Die willen dat niet horen.

Maar Maria hoort het wel.
Zij is op dat moment de enige, of in elk geval een van de weinigen,
bij wie het echt landt wat Jezus zal gaan doen.
En ze weet dat dat nodig is.
Dat ze zijn lijden niet weg kan nemen.

Maar dít wil ze hem geven. Als troost.
Laten weten dat zij wél beseft wat voor lijdensweg Jezus tegemoet gaat.
Ook al kan ze zijn lijden niet wegnemen,
ze wil hem haar dank en haar liefde laten zien.

De olie die ze gebruikt om de voeten van Jezus te zalven, is geen gewone olie.
Het is dure olie, helemaal afkomstig uit India.
In die tijd praktisch onbetaalbaar, zelfs voor een rijk iemand als Lazarus.

Het is niet zomaar dat Maria Jezus hiermee zalft.
Ze zalft hem omdat ze weet dat hij zal sterven.
En als de geur van die olie het huis vult, kan niemand daar meer omheen.
Iedereen weet wat de betekenis ervan is.
Het is olie die gebruikt wordt voor de begrafenis van een hooggeplaatst iemand.
Zoals een koning. Dat is waar deze olie voor staat.
En Maria laat hier mee zien dat zij gelooft dat Jezus zulke olie waard is.
Dat Hij een koning is.
Die olie is eigenlijk een geloofsbelijdenis: Jezus is de Messias.
Jezus is de zoon van God.

Dat was voor Maria geen vraag meer,
nu ze met eigen ogen had gezien dat haar broer door Jezus uit de dood was opgewekt.

En niet alleen zij geloofde dat.
Veel mensen die het gehoord hadden,
waren komen kijken om te zien of het echt waar was dat Lazarus weer leefde.
Dat nieuws had zich als een lopend vuurtje verspreid.
En toen ze zagen dat het echt waar was, gingen zij ook in Jezus geloven.
Zoveel mensen kwamen op Betanië af, om dat met eigen ogen te zien,
dat de hogepriesters erover nadachten om ook Lazarus uit de weg te ruimen.

Als Maria zo de voeten van Jezus zalft,
wordt het doodstil in het huis.
De goede sfeer die er hing, door het feestmaal, is helemaal weg.
Want Maria zegt, zonder woorden,
wat iedereen eigenlijk wel weet,
maar niet onder ogen durft te komen.

De leerlingen van Jezus kijken toe.
Ze zijn in verlegenheid gebracht door de grootsheid van het gebaar.
Zúlke dure olie! En een hele liter. Dat was een jaarinkomen.
300 denariën, 300 zilverstukken. Zeg maar gerust: 30.000 euro.
Waarschijnlijk voelden ze zich erg ongemakkelijk.

Judas is de eerste die geschokt reageert:
Wat een verspilling!
Dat had toch aan de armen uitgedeeld kunnen worden?
Daar had je zoveel mensen van kunnen helpen!
Johannes, de schrijver,
wijst er fijntjes op dat Judas eigenlijk om een hele andere reden opstandig werd:
hij was de beheerder van de kas, en stal eruit.
Maar heeft Judas niet ergens toch een punt?
Zo veel geld, zomaar over de balk gooien?
Ook al ben je nog zo blij met Jezus?
En Jezus laat dat gewoon gebeuren!
Hij lijkt wel zo’n Amerikaanse predikant die een collecte houdt voor een nieuw vliegtuig!

Maar Jezus laat het inderdaad gebeuren.
Hij zegt niet tegen Maria: wat doe je nou!
En als Judas er wél iets van zegt, neemt hij het op voor Maria.

Hij zegt: laat het toe, want zij heeft het bewaard voor de dag van mijn begrafenis.
De armen zijn altijd bij jullie, maar ik niet.
Hij wil met die woorden duidelijk maken dat Maria heeft begrepen wat er staat te gebeuren.
Dat haar verdriet, en zelfs dit grootse gebaar, niet misplaatst zijn.

Als Jezus zegt: de armen zullen altijd bij jullie zijn,
citeert hij een vers uit Deuteronomium.

Hij zegt dat niet omdat de armen er niet toe doen.
In dat vers staat juist:
de armen zijn altijd bij jullie, dus moeten jullie júist vrijgevig zijn!

Maar hier gebeurt iets dat daar bovenuit stijgt.
Dat nóg belangrijker is.
Jezus staat op het punt om voor het laatst Jeruzalem binnen te gaan.
Om zijn leven te geven.
En door deze olie merkt hij dat bij Maria geland is wie hij is, en waarom hij dat doet.
Dat hij zijn leven ook voor haar geeft.
Dat hij haar, en ook onze liefde waard is.

Dus zegt hij tegen Judas:
de armen zijn altijd bij jullie, maar ik ben niet altijd bij jullie.
Het is goed om voor de armen te zorgen. Dat is belangrijk.
Dat moet je niet laten.
Maar wat Maria doet is goed.
Waar woorden tekort schieten,
wil zij op deze manier haar liefde voor Jezus laten zien.
Haar dankbaarheid voor wat hij gaat doen.
(…)

Als wij lezen over deze gebeurtenis,
dan kan het zijn dat het verhaal voor jou een beetje op afstand blijft staan.

Het is een mooi verhaal. En mooi om te horen wat de diepere laag erachter is.
Zeker omdat het voor ons ook best wel een verhaal is,
waar je je moeilijk een voorstelling van kunt maken.

Maar je kunt het voor kennisgeving aannemen, en er verder niets mee doen.
Want wat heeft dit verhaal ons nou nog te zeggen?

Terwijl dit eigenlijk een gebeurtenis is die ons, als lezers,
als het ware een vraag stelt:
en waar sta jij?
Met wie uit dit verhaal voel jij je verbonden?

Ben jij als Maria?
Die haar liefde aan Jezus laat zien met alles wat zij heeft?
Die de woede van haar zus riskeert, die al het werk doet?

En de woede van de mannen die zich waarschijnlijk geen houding weten te geven tegenover een vrouw die in het openbaar haar haar losmaakt?

En die een nijdige opmerking krijgt van Judas,
die van alles de prijs kent,
maar geen idee heeft van de waarde?

Of voel je juist meer mee met hem?
Met de voorzichtige, betrouwbare Judas,
zoals hij toen nog voor de meesten van hen zal hebben geleken?
Die zorg draagt voor de kleine kas van een groep mensen zonder vast inkomen,
die ervoor wil zorgen dat ze rond kunnen komen,
en tegelijk ook nog wat voor de armen over wil houden?

Vergeet even dat Judas Jezus zou gaan verraden.
En dat hij uit de kas stal, volgens Johannes.
Dat wisten de mensen die er op dat moment bij waren ook niet.
Als je over Judas leest, zie je dan iets van hem in jezelf, als je in de spiegel kijkt?

Of sta je bij Marta in de keuken?
Ben je hard bezig om ervoor te zorgen dat het feest goed loopt,
en zie je het, voor je eigen ogen, in het honderd lopen?

Als dat zo is, wat denk je dan over wat Maria doet? En over wat Judas zegt?
En wat vind je van Jezus, en van wat hij zei?

Dit verhaal gaat niet alleen over toen.
Maar het houdt ons ook een spiegel voor.

Zelfs bij ons in de kerk heerst er vaak een sfeer van:
doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.
Dat past ook wel bij Nederlanders.
En misschien nog meer bij Groningers.

Maria doet dat totaal niet.
Zij is niet bang om haar genegenheid voor Jezus te laten zien,
en haar dankbaarheid voor wat hij op het punt staat te doen.

Dit verhaal zegt niet dat wij allemaal moeten worden als Maria.
Maar wel dat de Maria’s onder ons er wel mogen zijn.
Mensen voor wie we ons misschien een beetje schamen,
Omdat ze dingen durven te zeggen, of doen, die wij nooit zouden durven.

Sterker nog, zij kunnen ons soms een flinke spiegel voor houden.
Hoeveel is het volgen van Jezus ons waard?
Durven we daarvoor onze eer, onze reputatie op het spel te zetten?
Durven we daarvoor voor gek verklaard te worden?
Is dat iets dat meer mag kosten dan het oplevert?

Stellen we echt de vragen die we moeten stellen?
Sluiten we niet onze ogen voor wat er echt toe doet?

Ik vind dat persoonlijk best spannende vragen.
Ik was denk ik zelf een van de leerlingen geweest die verbluft waren door wat Maria deed.
Het had me met de neus op de feiten gedrukt:
ik probeerde het nog weg te stoppen,
onder de gezelligheid van de maaltijd,
maar er staat echt iets heftigs te gebeuren.
Jezus staat op het punt om zijn leven te geven, voor mij.
Omdat hij van mij houdt.
Van alle mensen aan de tafel.

En ik denk dat ik Maria had bewonderd.
Om haar moed, haar durf,
om Jezus op deze manier te laten zien hoe het haar raakt wat hij gaat doen.

Ik was óok wel onder de indruk geweest van Judas,
die hardop zei: had je dit wel moeten doen?

Maar vooral van Jezus,
die van ons allemaal houdt, zoals we hier aan de maaltijd zitten.
Zelfs al kunnen we niet eens een eenheid zijn,
op het moment dat hij ons het hardst nodig heeft…

Dus laat dit verhaal je aan het denken zetten.
Op wie lijk ik het meest in dit verhaal?
En klopt dat wel?

Want dat is denk ik niet alleen wat er met ons gebeurt, als wij dit verhaal lezen:
Dat is ook wat er ook gebeurde met de mensen die erbij waren. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *