Dankdag – Toch zal ik juichen voor de Heer

Teksten: Habakuk 3:17-19; 1 Thessalonicenzen 5:14-18

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

You raise me up, so I can stand on mountains
You raise me up to walk on stormy seas
I am strong when I am on your shoulders
You raise me up to more than I can be

U tilt mij op, zodat ik over bergen kan lopen
U tilt mij op, zodat ik stormende zeeën kan bewandelen
Ik ben sterk, als u mij op uw schouders tilt
U tilt mij op, tot meer dan ik kan zijn

Ik weet niet of je het lied kent, You Raise me up,
maar ik vind het zelf een prachtig lied.
Het gaat over iemand die zich teneergeslagen voelt,
Iemand die problemen op zich af voelt komen,
Maar die vol vertrouwen zingt:
U tilt mij op, boven mijn problemen uit.

Aan dat lied moet ik denken als ik dat gedeelte lees uit Habakuk.
Het lijkt er bijna wel op gebaseerd.
Habakuk, je kunt die naam bijna niet uitspreken,
is een klein, onbekend boekje in de Bijbel, met maar drie hoofdstukken.
Het is een van de twaalf kleine profeten, in het Oude Testament.
Niet klein omdat ze klein van stuk waren, maar omdat het maar korte boeken zijn.
Habakuk gaat over een profeet die het onrecht in zijn land aankaart bij God.

Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen, en luistert u niet,
moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen
en brengt u geen redding?

Waarom toont u mij dit onheil
en ziet u zelf de ellende aan?
Ik zie alleen maar verwoesting en geweld, opkomende twist
en groeiende tweedracht.
De wet wordt ondermijnd,
het recht krijgt niet langer zijn loop,
de wettelozen verdringen de rechtvaardigen,
het recht wordt verdraaid.

Het is een beklemmend gevoel, dat Habakuk beschrijft.
Een gevoel dat voor ons niet helemaal onbekend is.
Dat je je machteloos, klein, hopeloos kunt voelen,
als je kijkt naar wat er allemaal gebeurt in de wereld om ons heen.
Met alle natuurgeweld, dat elk jaar meer lijkt te worden.
Met een politiek klimaat dat erg verhardt.
Waarin de verschillen steeds groter lijken te worden,
en mensen steeds minder geneigd zijn om naar elkaar te luisteren.
Vooral hun eigen belangen,
hun eigen agenda erdoor willen drukken,
ten koste van anderen.
Een wereld waarin de verschillen tussen arm en rijk,
ondanks de groeiende welvaart,
niet minder worden, maar alleen maar meer.

En dan gaat het over hele grote dingen.
Maar ook je eigen situatie kan zorgen voor onrust, voor onzekerheid.
Voor een beklemmend gevoel.
Als je ontslagen wordt van je werk, of geen nieuw werk kunt vinden.
Als je te maken krijgt met ziekte, zelf, of in je omgeving.
Als je problemen hebt in je huwelijk, in je gezin, of in je familie.
Als de oogst weer tegenvalt, doordat er na vorig jaar, een heel nat jaar,
nu een ontzettend droog jaar achteraan is gekomen.

Habakuk ziet alle ellende om zich heen,
en roept het uit bij God: waarom luistert u niet?
Waarom ziet u die ellende aan? Doet u er niets tegen?

Dat is geen roep van iemand die van een afstandje naar een moeilijke situatie kijkt,
Maar van iemand die het onrecht, de pijn die hij ziet, aan het hart gaat.

En dan zijn er ook nog de donkere wolken die zich samenpakken boven het koninkrijk Juda.
Het kleine volkje is een speelbal in de handen van grote machten.
Is een generatie terug Egypte hun land binnengevallen en is de koning afgezet,
Nu vertelt God tegen Habakuk dat de Babyloniërs hun land zullen innemen,
En dat er een verschrikkelijke tijd voor hen zal aanbreken.
Habakuk ziet hoe moeilijk, hoe hopeloos de situatie is.
Door het onrecht dat hij om zich heen ziet,
en door het gevaar dat zijn volk boven het hoofd hangt.
Hij ziet hoe de donkere wolken zich samenpakken.
De toekomst lijkt donker, en onzeker.

En die teneur, die doortrekt zijn hele boek.

Tenminste, bíjna zijn hele boek.
Tot aan de laatste drie verzen van het laatste hoofdstuk.
Habakuk wil de situatie niet beter voordoen dan die is.
Hij weet dat het moeilijk is,
en ook dat het nóg moeilijker zal worden.
En Hij roept het uit naar God:
doe er toch iets aan! Help ons toch! U laat ons toch niet sterven?

Maar in de laatste verzen verandert Habakuk ineens van toon:
Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –

toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.

When I am down, and oh my soul so weary,
When troubles come, and my hard burdened be,
Als ik teneergeslagen ben, en mijn ziel zo moedeloos voelt,
Als ik omgeven word door problemen, en mijn hart zwaar voelt in mij,

Dan blijf ik U prijzen.
Blijf ik jubelen voor de God die mij redt.

Hoe valt dat met elkaar te rijmen?
Hoe kun je dat in zo’n situatie zeggen?
Daar kun je je toch bijna geen voorstelling bij máken?
Hoe kan Paulus zeggen: dank God in alle omstandigheden?
Wat als je niets hebt om dankbaar voor te zijn?
Of als dat in het niet valt bij je pijn, bij je verdriet?
Hoe kun je dan nog danken?
Hoe kun je dan God nog prijzen?
Danken kan toch geen verplichting zijn?

Je kunt bidden. Je kunt het uitroepen naar God.
Maar kun je God danken, in zo’n situatie?

De woorden van Habakuk doen denken aan de woorden van Job.
Job, die alles had, maar die alles is kwijtgeraakt.
Zijn huis, zijn bezit, zijn kinderen, zijn vrouw, zijn vrienden.
Alles is hij kwijt.
Iedereen heeft hem in de steek gelaten.

Job gebruikt taal die er niet om liegt:
Mijn vrouw walgt van mijn adem,
mijn eigen broers deinzen terug omdat ik stink.

Ik word verafschuwd door mijn naaste vrienden,
ieder die ik liefheb keert zich tegen me.
Mijn botten steken door mijn magere vel,
alleen het vege lijf heb ik behouden.
Heb medelijden, vrienden, heb medelijden met mij,
want de hand van God heeft mij getroffen.
Job klaagt God aan.

Maar net als Habakuk verandert Job, vlak daarna, ineens compleet van toon:
Ik weet: mijn redder leeft,
en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.
Hoezeer mijn huid ook is geschonden,
toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.
Ik zal hem aanschouwen,
ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander,
heel mijn binnenste smacht van verlangen.
Ik weet, mijn redder leeft.

Dat is de belijdenis van Job,
in de moeilijke omstandigheden waar hij in zit.
Zoals Habakuk zegt: ik zal jubelen voor de God die mij redt.
En Paulus, die tegen de gemeente in Thessalonica,
een gemeente die met zware vervolging te maken heeft,
zegt dat ze God moeten danken onder alle omstandigheden.

Hoe tegenstrijdig dat ook klinkt:
God prijzen, God danken,
ondanks de omstandigheden waarin je je bevindt,
Kan helpen om je daar bovenuit te tillen.
Het laat die omstandigheden niet weggaan.
En het betekent niet dat je het niet ook mag uitroepen naar God,
met je pijn, en je verdriet.
Dat is niet aan elkaar tegengesteld.

Maar denk aan het verhaal in Handelingen,
van Paulus en Silas die in de gevangenis zitten,
En wachten tot ze hun straf ondergaan,
Maar die ondertussen lofliederen zingen voor God!

Of denk aan Dietrich Bonhoeffer,
een Duitse predikant die zich in de tweede wereldoorlog tegen Hitler verzet had.
Hij liep naar de plek waar hij ter dood gebracht zou worden.
Maar ondertussen zong hij een lied.
En zijn laatste woorden waren:
(…) dit is het einde, maar voor mij het begin van het leven (…)

Habakuk, Job, Paulus, en met hen zoveel anderen,
Prijzen God niet omdat ze verwachten dat Hij hun problemen weg zal halen.
Ze doen dat ook niet uit een soort reflex, als iets dat erbij hoort.
Ze doen het heel bewust,
juist in die moeilijke omstandigheden waar ze in zitten.

Ze danken en prijzen God, als een geloofsbelijdenis.
Eén van de diepste belijdenissen die er is.
Van het geloof dat God geen God is die hun situatie aanziet,
en zich er niets van aantrekt.
Vanuit het geloof dat God een God is van redding.
Een God die ze boven de situatie uittilt waar ze inzitten.
Die ze hoop geeft om voor te leven.
Die de toekomst, ook al is die nog zo onzeker, in zijn hand heeft.

Het is indrukwekkend wat ze doen.
Je kunt het niet van iemand vragen om dat te doen.
Maar je ziet wel de kracht die het kan geven.

In een moeilijke situatie kun je bidden. Je kunt tegen God zeggen: help mij!
Ik zie het niet meer zitten!
Maar wat Habakuk, Job en Paulus laten zien,
is dat je ook, daarnaast, tegen God kunt zeggen:
Ik dank U, ik prijs U.
Want U bent een God van redding.

Hun geloof is wat ze door die moeilijke omstandigheden heen draagt.
U laat mij over bergen gaan!

Danken is ten diepste, op het allerdiepste moment, vertrouwen op God.
Het is oog hebben voor dat God goed is, zelfs al is de wereld dat niet.
Dat Hij een God is die redding biedt.

Dat geloof geeft Habakuk de kracht om zijn rug te rechten,
En te zeggen: wat er ook komt: ik blijf God danken.
Ik blijf zingen van zijn redding.

Dat woord, redding, daar wil ik ook nog even bij stilstaan.
Zowel Job als Habakuk noemt dat woord.
God is een God die redt.

De naam ‘Jezus’ betekent ook: God redt.
Het is dezelfde stam, die Habakuk hier ook gebruikt in het Hebreeuws.
Hij noemt God: mijn redder. Jesi.
Daarin hoor je de naam van Jezus terug. Yeshua. God redt.

Die redding van God, dat is iets waar je je aan vast mag houden.
Ongeacht je omstandigheden.
Zelfs al brengt de wijnstok geen vrucht meer voort.
Zelfs al blijven de akkers leeg, groeit er geen voedsel meer.
Niet één keer, maar jaar na jaar na jaar.
Zelfs al vind je geen werk, terwijl je dat zo graag zou willen.
Zelfs al zit je hartstikke vast in een burn out of een depressie.
Zelfs al ben je ziek, en weet je dat je nooit meer beter zult worden.

Op al die momenten mag je ten diepste weten,
Dat niets ons van de liefde van God, de liefde van Jezus, kan scheiden.
Het is een liefde die ons optilt, tot meer dan wij zijn.
Die ons kracht mag geven om de moeilijkste omstandigheden onder ogen te komen.
(…)

Het is de liefde van een God, die deelt in onze diepste pijn.
Die naast ons staat in ons grootste verdriet.
Die een arm om ons heen slaat, onze tranen droogt, en zegt: ik laat je niet los.

God is onze dank waard.
Zelfs in het diepste dal van ons leven, is zijn liefde, zijn redding,
wat ons er bovenuit mag trekken.
Ons op onze voeten mag zetten.

You raise me up to more than I can be.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *