Bevestiging ambtsdragers: dienen in liefde

Tekst: Efeziërs 4:1-16

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Afgelopen zondag was ik bij het afscheid van Albert en Dineke Ferwerda,
die predikant waren in Delfzijl.
En in de dienst las Dineke Ferwerda een gedeelte uit een brief van Paulus.
Ze zei daarbij: Paulus is één van mijn favorieten uit de Bijbel.
Niet iedereen kan altijd met hem door één deur.
En soms schrijft hij wel erg stellig.
Maar hij heeft wel een doorleefd geloof, en hij schrijft daaruit.

Daarvan is ook iets te proeven in het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen.
Een gedeelte waar zoveel in staat, dat je het zo aan de kant zou kunnen schuiven.
Wat een grote woorden allemaal!
Maar achter bijna elk woord dat Paulus hier schrijft zit een wereld van betekenis.
Het is als een schat, die je wat moet afstoffen, en goed moet bekijken.

Paulus schrijft de brief vanuit de gevangenis.
Hij was een Romeins burger, wat betekende dat hij ook in de gevangenis bepaalde privileges had.
Hij was niet vrij om te gaan en te staan waar hij wilde,
Maar werd wel goed verzorgd, en had zelfs de mogelijkheid om brieven te schrijven.

En aan deze brief is te merken dat Paulus de tijd heeft gehad om erover na te denken.
In die brief proef je iets van de achtergrond van Paulus.
Hij heeft, voor hij christen werd, jarenlang les gehad van een belangrijke Joodse rabbi, Gamaliël.
En daar heeft hij geleerd om heel goed en heel precies te verwoorden waar hij in gelooft.
Dat zorgt ervoor dat achter elk woord een hele wereld van betekenis zit.

Maar het is ook een indringende brief:
Paulus zit niet voor niets gevangen.
Hij zit gevangen omdat hij over Jezus getuigde.
Sommige mensen voelden zich bedreigd door de woorden van Paulus.
Of vonden wat hij zei provocerend, opruiend of spottend.
In die tijd, in die samenleving, kon je daar nog voor opgepakt worden.
Net als nu nog in bepaalde landen.
In China, Noord-Korea, Eritrea, of Iran,
was Paulus misschien wel hetzelfde overkomen.

Maar hij roept de mensen op om zich daardoor niet te laten ontmoedigen.
Om bij hun roeping te blijven.

Vanmorgen hebben we het ook daar ook over gehad: over roeping.
Ik vroeg aan Jannie, Piet en Grietje:
Geloof je dat je in je verkiezing door deze gemeente
door God tot deze dienst bent geroepen?
Roeping vinden wij al snel een zwaar woord.
Alsof God rechtstreeks tot je gesproken moet hebben.
Dat je letterlijk ‘geroepen’ bent,
zoals bijvoorbeeld Samuël door God werd geroepen.
Hij hoorde letterlijk de stem van God.

Maar roeping kan ook zijn dat je van binnen overtuigd bent
dat dit de plek is waar God je wil hebben.
De taak waar God jou voor wil gebruiken.
En roeping kan zijn dat anderen een beroep op jou doen.
Door anderen roept God je om een taak op je te nemen.

Maar niet alleen een rol in de kerkenraad vervullen is een roeping.
Toen ik studeerde, was er een jongen die catechisatie gaf in zijn gemeente.
Hij deed dat met veel plezier, en gaf zich er met hart en ziel aan.
Maar op een gegeven moment kreeg hij de vraag of hij ouderling wilde worden.
De mensen zeiden tegen hem: dat is een ambt. Een roeping. Catechisatie geven niet.
Dat is gewoon een taak, dat kan iemand anders ook doen.
En hij zat daar best wel mee!

Gelukkig besefte hij: dit is de plek waar God mij wil hebben.
God roept mij om mijn tijd en aandacht te geven aan die jongeren.
Om aan hen te laten zien dat God van ze houdt.
Hij bleef dus gewoon doorgaan met de catechisatie.
Dat zag hij als zijn roeping.

Paulus zegt dat ook in dit gedeelte.
Hij zegt: sommige mensen zijn geroepen tot een bijzondere taak in de gemeente.
Hij noemt een paar voorbeelden:
Evangelist. Profeet. Herder. Leraar. Apostel.
Maar hij zegt erbij:
Aan íeder van ons is genade geschonken naar de maat waarmee Christus geeft.

Paulus wil daarmee zeggen dat het genade is dat je een ander met jouw gaven mag dienen.
Dat is een zin om even te laten landen.
Het is genade, een geschenk van God aan jou,
dat je een ander met jouw gaven mag dienen.
En die genade schenkt hij niet aan een paar mensen.
Die genade schenkt hij aan ieder van ons.
Wij zijn allemaal, samen, met elkaar geroepen.
Wij zijn als gemeente samen, met elkaar, aan elkaar gegeven.
Om een gemeente te vormen heb je elkaar nodig.

Ik speel in een muziekgroep, het wereldorkest in Delfzijl.
Zo’n orkest bestaat uit allemaal verschillende instrumenten.
Iedereen heeft zijn eigen rol in het orkest.
En als je samen een muziekstuk speelt,
dan kun je niet altijd elk instrument onderscheiden.
Maar er hoeven er maar een paar te missen, of je hebt een hele andere klank.

Je vormt een eenheid met elkaar.
Maar die eenheid klinkt anders als iemand niet meedoet.

Zo vormen we in de kerk ook een eenheid.
Paulus zegt: span u in om door de samenbindende kracht van de vrede,
De eenheid te bewaren die de Geest u geeft.
Wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig,
en verdraag elkaar uit liefde.

Waarom is die eenheid zo belangrijk?
Waarom is het zo belangrijk om elkaar te verdragen,
Zelfs als je soms ontzettend van elkaar verschilt?

Zoals in elke groep mensen, bijvoorbeeld in een bedrijf, of in een orkest,
Heb je in de kerk te maken met mensen met wie je goed kunt opschieten,
Maar ook met mensen voor wie je een allergie kunt hebben.
Met een allergie bedoel ik dan niet dat je van diegene moet niezen,
Of dat je buikpijn van iemand krijgt.
Maar dat diegene je ontzettend op je zenuwen werkt.

En dat hoeft maar in hele kleine dingen te zitten.
Stel: jij bent heel precies.
Je vindt het fijn als dingen zorgvuldig gebeuren.
En daar doe je ook je best voor.
Maar een ander die walst daar heel makkelijk overheen.
Niet omdat diegene dat wil.
Maar omdat diegene gewoonweg niet ziét wat jij zo belangrijk vindt.
Of er geen oog voor hebt voor hoe jij je voor iets inzet.
Dat kan soms het bloed onder je nagels vandaan halen.
Je kunt er zelfs wakker van liggen.

En die ander? Die heeft precies hetzelfde, maar dan omgekeerd.
Die denkt: waar doe jij zo moeilijk over?
Hij of zij heeft een groter plaatje in gedachten.
En die details: nou, wie houdt zich daar nou mee bezig?
Degene die die details belangrijk vindt,
ziet hij of zij als iemand die alleen maar kritisch is.
Het lijkt wel alsof ze op een andere golflengte zitten!

En dan heb je in de kerk te maken met nog een complicerende factor:
Het gaat over iets dat heel veel mensen erg aan het hart gaat.
Over hele wezenlijke dingen.
En als je dan van mening, of van visie verschilt, dan wordt dat al snel heel groot.
Je hebt een bepaald beeld van hoe de toekomst van de kerk eruit moet zien.
Of van waar het in de kerk echt om zou moeten gaan.
Maar een ander heeft daar een heel ander beeld van.
Heeft hele andere verwachtingen.
Een hele andere hoop.

En tóch moet je het met elkaar uit zien te houden.
Elkaar verdragen, zoals Paulus dat zo mooi zegt.

Hij zegt dat, omdat in de gemeente waar hij aan schrijft mensen ook tegenover elkaar stonden.
Er waren twee groepen mensen:
Een deel van de gemeente was Joods, en een gedeelte was Grieks.
En die twee groepen hadden hele andere normen en waarden.
Hele andere regels. Een hele andere cultuur.
Een heel ander wereldbeeld.
En nu vormden ze samen een gemeente,
Moesten ze met elkaar uitvinden hoe ze dat konden doen.

Maar, zegt Paulus in zijn brief aan de mensen in Efeze,
jullie zijn geen gemeente omdat jullie het zo fijn hebben met elkaar.
Omdat jullie zoveel op elkaar lijken.
Jullie bestonden eerst uit twee groepen mensen.
Het was alsof er een muur tussen jullie in stond.
Maar er is iets bijzonders gebeurd:
in Christus is die muur van verschillen tussen jullie afgebroken.

Jullie mogen dan verschillende gebruiken hebben:
In Hem zijn jullie één.
Jullie hebben één Vader. Jullie maken deel uit van één gezin.
Net als de mensen uit één gezin bij elkaar horen, horen jullie ook bij elkaar.
Het is niet jullie taak om die eenheid te creëren.
Het is jullie taak om die eenheid te bewaren.

En toch blijkt dat heel moeilijk.
Want in bijna iedere brief die Paulus aan kerken schrijft,
Gaat het om mensen die het niet met elkaar kunnen vinden. Die elkaar de tent uit vechten.
En Paulus probeert ze steeds weer op het hart te drukken:
Ga nou niet op zoek naar die verschillen!
Probeer niet je eigen zin door te drijven!

Probeer naar elkaar te luisteren. Elkaar ruimte te geven.
Elkaar te zien als broers en zussen.
Dat probeer ik zelf ook, zegt hij.
Voor de Jood probeer ik een jood te zijn, Joods te denken,
En voor de Griek probeer ik een Griek te zijn.

Die eenheid is belangrijk voor Paulus.
En dat komt doordat de basis van de kerk is, dat we in één God geloven, hoe we ook verschillen.
Het is niet voor niets dat Paulus in de verzen die wij hebben gelezen,
zeven keer het woord ‘één’ noemt.
Span jullie in om de eenheid te bewaren die de Geest jullie geeft:
Eén lichaam en één geest, zoals jullie één hoop hebben,
Eén Heer, één geloof, één doop,
Eén God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.

In dat laatste klinkt iets door van de drie-eenheid.
God is één God, maar Hij is boven allen, door allen en in allen.
Hij is God de Vader, onze Maker,
Hij is de Zoon, de Heer, die is gestorven en is opgestaan,
En Hij is de Heilige Geest, die in ons leeft.

Die drie, die zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar.
Ze zijn samen één. God is een God van verbinding.
En omdat wij in Hem geloven, mogen wij ook verbonden zijn met elkaar.
Omdat wij allemaal verbonden zijn met de drie-enige God.

Zoals God één is, mogen wij als gemeente van Christus ook één zijn.
We mogen één lichaam zijn, en één geest.
En die eenheid is iets om te bewaren. Om te koesteren.

Dietrich Bonhoeffer, een Duitse predikant die zich tegen het nazi-regime verzette,
schreef daar heel mooi over, in het boek ‘Gemeinsames Leben’.
Gemeenschappelijk leven.
Hij schreef dat in een tijd waarin gemeente zijn erg kwetsbaar was.
Waarin alles op scherp stond.

Bonhoeffer zegt:
Vaak beseffen we niet genoeg dat het genade is,
om als broeders en zusters samen te kunnen komen.
We behoren elkaar toe, als broers en zussen, door Jezus Christus.
Hij is het die ons samenbindt.
Die ons maakt tot een eenheid.
Zijn genade vormt de basis van wie wij, als gemeente, met elkaar zijn.

En daarom kan het er niet om gaan dat we ons eigen ideaal aan de gemeenschap op willen leggen.
Het gaat erom dat we de liefde zien die God ons heeft gegeven,
en dat we daar dankbaar voor zijn.
Want ook wie we totaal niet mogen, ook wie het bloed onder onze nagels vandaan haalt,
Blijft mijn broeder of mijn zuster.
Blijft iemand die door God geliefd is.

Daarom moeten we niet over onze broers en zussen klagen bij God, of bij elkaar.
Het is beter om je bescheiden op te stellen naar elkaar,
Om voor elkaar te bidden, en zelfs te danken.

En dat is in feite wat Paulus ook zegt:
Als gemeente zijn wij geroepen om elkaar lief te hebben.
Om elkaar te dienen.

Nou wist Paulus toen hij dat schreef dat dienen in de Romeinse samenleving een negatieve klank had.
Dat was iets voor slaven.
En net zo heeft nederigheid in onze samenleving ook een negatieve klank.
Het is juist belangrijk dat je assertief bent, dat je voor jezelf opkomt.
Maar in de Joodse en de christelijke traditie is dienen een hoog goed.
Het betekent de ander hoger achten dan jezelf,
Je eigen wil opgeven, en die van de ander nastreven.

Het in liefde dienen van de ander, dat is een roeping voor ons allemaal,
Maar nog een beetje extra voor wie in de gemeente een speciale taak hebben.
Zoals een predikant, een ouderling of een diaken.

Je zou kunnen zeggen:
een ambt betekent dat je een treetje hoger op de ladder staat.
Je vormt met elkaar als kerkenraad de kern van de gemeente.
De kerkenraad vormt het lichaam, maakt de belangrijke beslissingen,
en de rest hangt er maar bij.

Maar niets is minder waar.
Christelijk leiderschap is per definitie dienend leiderschap.
Omdat het in de kerk niet gaat om ons eigen ideaal,
Om het plaatje van de kerk dat wij zelf voor ogen hebben.
Maar het gaat erom dat we achter Jezus Christus aan gaan.
Hij waste de voeten van zijn leerlingen, en zei:
Jullie noemen mij Heer en meester.
Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb,
moet je ook elkaars voeten wassen.
Ik heb een voorbeeld gegeven;
wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.

Niet de kerkenraad vormt een lichaam, maar de gemeente vormt een lichaam.
En Christus is het hoofd van dat lichaam.
Samen mogen we als gemeente toe groeien naar Hem.

Als je bent geroepen voor een bepaalde taak in dat lichaam, voor een ambt,
Dan heb je dat ambt niet gekregen om over anderen te heersen.
In de gemeente is ieders rol waardevol.
De taak van iemand die een ambt vervult, is om de gelovigen toe te rusten.
Zodat zij als christen in de gemeente en in de wereld kunnen leven en werken,
En daar hun taak kunnen vervullen, als lichaam van Christus.

Door die mensen met een speciale taak, door de ambtsdragers,
mogen wij opgebouwd worden als lichaam van Christus,
Zodat wij, allemaal met elkaar, een eenheid mogen vormen.
Een orkest, waarin geen enkele klank mist.
Een lichaam dat door onderlinge liefde samenhang krijgt,
En dat geworteld is in het besef dat het de liefde van Christus is die de basis vormt van wie wij zijn.

Als die liefde er niet is, vallen we helemaal uit elkaar.
Als we elkaar gaan bekritiseren, elkaar afvallen, over elkaar gaan klagen,
Elkaar veroordelen, onszelf boven de ander plaatsen,
Ons eigen ideaalbeeld van de kerk aan de ander gaan opleggen,
Dan gaat het mis.

Ik sprak afgelopen week met Jeltsje Elzinga, de kerkelijk werkster in ’t Zandt,
en zei vertelde me dat ze in hun gemeente heel bewust doen aan waarderende gemeenteopbouw.
Dat betekent dat je niet steeds tegen elkaar herhaalt wat er mis is,
Maar elkaar complimenten geeft. Waardering naar elkaar uitspreekt.
En ik denk dat dat ook een belangrijke taak is als ambtsdrager.
Om niet af te breken, maar elkaar op te bouwen.
Om het lichaam van Christus op te bouwen.

De taak van een kerkenraad is om dat lichaam toe te rusten in waarheid en in liefde.
Om het in dienende liefde voor te gaan.
Zodat wij samen als gemeente de volle wasdom bereiken.
Volwassen worden in ons geloof.

Paulus is daar heel stellig in:
Als je je niet vasthoudt aan de liefde,
En aan Christus, als basis voor je geloof, en als basis voor hoe je naar anderen kijkt,
Dan word je als gemeente een groep mensen die stuurloos ronddobberen,
En met elke wind meewaaien.
Ook met winden die niet goed zijn.

Daar stelt hij tegenover dat we elkaar moeten liefhebben.
Liefhebben is niet alles met de mantel der liefde bedekken.
In het Nieuwe Testament worden waarheid en liefde vaak met elkaar verbonden.
Maar waarheid zonder liefde is ook niet goed.
Ze moeten hand in hand gaan.

Als in onze kerk de genade en liefde van God centraal staat,
En als dat de basis is voor hoe we naar elkaar kijken,
Dan mogen we samen toe groeien naar Hem die het hoofd is: Jezus Christus.
Dan mag de volkomenheid van zijn liefde bij ons zichtbaar en tastbaar worden.
Dan mogen wij zijn lichaam op aarde zijn.
Zijn handen en voeten zijn.
En zelf verrast worden door wat hij in ons, en door ons heen doet.
Dan mogen we groeien in geloof. Volwassen worden.
Dan mogen we elkaar in blijdschap en in liefde dienen.
Elkaars lasten dragen.
Dan mogen wij, door Gods liefde, een eenheid vormen.

Die Paulus, die is zo gek nog niet.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *