De vruchten van de Geest

Tekst: Galaten 5:13-26

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Ik zou best wel een beter mens willen zijn.
Aardiger naar anderen.
En geduldiger, in het verkeer bijvoorbeeld:
vorige week toeterde ik nog flink,
toen een vrachtwagen net voor mij de rotonde op schoot.
Terwijl ik er zelf ook best hard aan kwam rijden.
Dat zijn momenten waarop ik denk: had dat echt gemoeten?
Ik zou soms ook wel geduldiger willen zijn met mensen die iets anders vinden dan ik.
Ik zou trouwer willen zijn,
mensen om mij heen meer in het oog willen houden.

En ik zou wel zachtmoediger willen zijn,
milder naar anderen en naar mezelf.
En mezelf beter beheersen.
Soms doe ik dingen die ik eigenlijk niet zou willen.
Een koekje eten terwijl ik er al een heb gehad,
of een hele zak chips leegeten.
Patiencen terwijl ik eigenlijk door zou moeten werken.
Defensief reageren als iemand mij feedback geeft.
Mijn zin doordrijven.
Zo fanatiek een spelletje spelen dat ik anderen uit het oog verlies.

Ik zou ook best een groter geloof willen hebben.
Een geloof dat echt bergen kan verzetten.
Dat andere mensen daarvan onder de indruk zijn.
En zeggen: zo zou ik ook willen geloven!

Mm.. Misschien herken je hier wel iets van.
Of heb je ook nog wel dingen waar jij in zou willen groeien.

Maar jezelf veranderen, dat is moeilijk.
Je kunt je wel voornemen om iets helemaal anders te gaan doen.
Maar om het ook daadwerkelijk te doen, om jezelf echt te veranderen,
dat is een van de moeilijkste dingen die er zijn.

Dat komt doordat je sommige dingen eigenlijk wel fijn vindt zoals ze zijn.
Die hoeven niet zo nodig anders, die wil je eigenlijk niet veranderen.
Een extra koekje pakken, wat kan dat nou voor kwaad?
Het is misschien niet zo gezond, maar het is geen ramp.

Maar ook al wil je het niet veranderen: iets kan je leven wel gaan beheersen.
Je kunt zelfs bijna, of helemaal, aan iets verslaafd zijn.
En dat kan je behoorlijk in de weg zitten.
Het kan je leven zelfs verwoesten.
Dat is heel moeilijk om uit te komen.
En je moet het eerst willen.
Want ook iets wat niet goed voor je is, kun je wel koesteren.

Andere dingen zou je wel aan jezelf willen veranderen,
maar het lukt maar niet.
Het is lastig, omdat ze een deel zijn van je karakter. Van wie je bent.
Dat geldt voor dingen als vriendelijker zijn. Of geduldiger. Of vrolijker.
Een minder kort lontje hebben.
Minder kritisch zijn naar jezelf en naar anderen.
Het is niet zo makkelijk om dat te veranderen als dat eenmaal in je karakter zit.
Zelfs als je dat wel zou willen.

Paulus heeft het over de vruchten van de Geest.
Hij noemt er negen.
Liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

En er zijn vast wel dingen waarvan je zegt:
nou, dat gaat eigenlijk aardig goed.
Maar er zitten ook ongetwijfeld dingen tussen waarvan je denkt:
oei, daar zou ik nog wel wat meer van willen hebben.
Daar zou ik nog wel in willen groeien.
Hoe zit dat eigenlijk met die vruchten van de Geest?
Waarom noemt Paulus ze?

Om dat goed te begrijpen is het goed om te kijken tegen wie Paulus dit zegt.
Deze tekst komt uit een brief aan de gemeente in Galatië, ergens in Turkije.
Paulus heeft daar een tijd gewoond, heeft de mensen er over Jezus verteld,
en heeft er een nieuwe gemeente gesticht.
Maar op die nieuwe gemeente kwam veel af.
Paulus ging weer weg, om weer op andere plekken nieuwe kerken te stichten.
En de mensen moesten nu zelf hun geloof vorm gaan geven.
Ze hadden de basics wel van Paulus gehoord,
maar er was geen kerkorde, geen geloofsbelijdenis, geen Nieuwe Testament.
Ze hadden alleen wat Paulus aan ze had verteld.

En al snel kwamen er nieuwe mensen van buitenaf.
Mensen die zeiden: wat Paulus vertelt is allemaal mooi,
maar het is niet de hele waarheid.
Hij heeft jullie verteld dat jullie gered worden door in Jezus te geloven.
En dat is waar.
Maar er komt nog veel meer bij kijken.
De mensen uit Galatië waren niet Joods, maar nu ze in Jezus geloofden,
moesten ze zich volgens die nieuwkomers wel aan alle Joodse wetten houden.
Ze mochten geen onreine dingen eten, zoals varkensvlees.
Mannen moesten zich laten besnijden.

De Galaten raakten in de war.
Waarom had Paulus daar niks van gezegd?
En ze stuurden hem een brief: hoe zit dat nou eigenlijk?
En dan stuurt Paulus deze brief terug.

Waar het grootste deel van de brief over gaat,
is dat de mensen, doordat ze in Jezus geloven,
die wet eigenlijk helemaal niet meer nodig hebben.
Niet omdat die wet niet goed was.
Maar omdat er nu iets beters, iets mooiers voor in de plaats is gekomen.

Paulus zegt:
het belangrijkste is dat je je houdt aan het gebod dat de hele wet samenvat:
geef net zoveel om anderen als om jezelf. Heb je naaste lief.

Maar verder ben je vrij, zegt hij.
Je hoeft je niet te laten leiden door die wetten.
Want dan ga je God uit angst dienen. En niet uit liefde.
Dat is helemaal niet nodig.
Je hoeft niet bang te zijn.
Want Jezus heeft zijn leven voor jou gegeven,
en daarmee heeft Hij alles betaald.
Alles recht gezet.
Je bent geroepen om vrij te zijn.

Mooi he, die woorden van Paulus?
Je bent geroepen om vrij te zijn.
Om niet uit angst te leven, maar uit de vrijheid die God jou geeft.

Waar het gedeelte over gaat dat wij vanmorgen hebben gelezen,
is hoe je die vrijheid kunt gebruiken.
Het is een leidraad voor hoe je kunt leven.
Niet uit angst, om iets verkeerd te doen. Maar uit Gods liefde.

Paulus koppelt geloven in Jezus aan die vruchten van de Geest.
De Heilige Geest is volgens Paulus niet iets wat is voorbehouden aan een klein groepje mensen,
die iets bijzonders hebben meegemaakt.
Of iets waar je eerst iets speciaals voor moet doen voor je die krijgt.
Als je gelooft, dan woont de Heilige Geest in je.
In de brief aan de Romeinen verwoordt hij dat zo:
Niemand kan zeggen: Jezus is Heer, behalve door de Heilige Geest.
Iedereen die gelooft dat Jezus de Heer is,
kan dat alleen doen door de Heilige Geest.

Dat is best wel een bemoediging.
Je hoeft niet aan jezelf te twijfelen of de Heilige Geest in je woont.
Of Hij door jou heen werkt. De Heilige Geest woont in iedereen die gelooft.
Dat is de reden dat Paulus zegt:
het kan niet zo zijn dat als je in Jezus gelooft,
dat er dan niets verandert in je leven.
Als je jezelf aan Hem overgeeft, dan heeft dat gevolgen.
Dan maakt de Heilige Geest deel uit van jouw leven.
Je kunt niet met je mond zeggen:
ik geloof in Jezus,
en vervolgens blijven leven voor jezelf,
en geen rekening houden met anderen, of met God.

Maar waarom merk je daar over het algemeen bij christenen maar zo weinig van?
En vinden juist ook mensen die geloven,
net zo goed als mensen die niet geloven,
het soms zo moeilijk om echt iets in hun leven te veranderen?
Dat is waar mensen buiten de kerk zo vaak op afknappen.
Want ook christenen kunnen flink ruzie maken.
Ze kunnen hebzuchtig zijn. Liefdeloos zijn. Roddelen.
Anderen overheersen.
Christenen zijn onder de streep vaak geen betere mensen dan mensen die niet geloven.

En dat lijkt in te gaan tegen wat Paulus zegt.
Als je gelooft, zou je dan niet een beter mens móeten zijn?
Zou het dan niet zo moeten zijn dat God jou van binnenuit verandert?

Geloven is jezelf overgeven aan God,
en tegen Hem zeggen:
Hier ben ik. Dit is mijn leven. Doe ermee wat U wilt.

Maar Gods doel met ons is niet alleen dat wij een beetje vriendelijker worden.
Of een beetje beheerster.
God wil ons leven niet alleen een cosmetische ingreep wil geven.
Het gaat veel dieper dan dat.
Zijn doel met ons is dat wij een totaal nieuw mens worden.
Dat jouw en mijn leven een spiegel mogen worden waarin mensen Hem kunnen zien.

Dat klinkt nogal groot. En dat ís ook groot!
Maar gelukkig begint het niet groot.
Een vrucht, dat is iets dat mag groeien.
Vruchten hebben tijd nodig om te groeien.
En aandacht.
Groeien is een proces.
Het gebeurt niet van de ene op de andere dag.
En het resultaat is niet altijd meteen zichtbaar.
Soms heb je niet eens door dat je groeit.

Als je een boom plant,
draagt die ook niet meteen vrucht.
De eerste jaren moet hij zelf nog groeien.
Hij moet gesnoeid worden. Mest krijgen.
De wortels moeten diep reiken,
zodat hij ook onder moeilijke omstandigheden stevig blijft staan.

En daar heeft een boom tijd voor nodig.
En dan, na jaren, groeien de eerste vruchten aan de boom.

De ene boom groeit sneller dan de andere.
En de ene boom draagt meer vruchten dan de andere.
Dat heeft niet alleen te maken met je eigen inspanningen.
Het kan ook te maken hebben met de grond waar de boom in staat.
Of met wat voor soort boom het is.
En zo is het ook met ons.
Je moet het doen met wie je bent.

Die vruchten van de Geest zijn ook niet alleen het resultaat van hard werken.
Je kunt je best ervoor doen dat ze mogen groeien.
Maar je moet ze vooral de ruimte geven.
Paulus heeft het niet voor niets over de vruchten van de Geest.
Het zijn niet jouw vruchten.
Het zijn vruchten die God in jouw leven wil laten bloeien.

Je wordt geen beter mens door te proberen om een beter mens te zijn.
Je wordt een níeuw mens door je aan Christus over te geven.
Als je Hem een plek geeft in jouw leven,
dan kan dat niet anders dan gevolgen hebben, zegt Paulus.
Als je dicht bij het vuur zit, word je zelf ook warm.
Als je dicht bij God leeft,
kan het niet anders dan dat je daar zelf ook door verandert.

En die verandering, die gaat geleidelijk.
Maar God stopt niet als je een beetje bent veranderd.
Hij stopt pas als je een heel nieuw mens bent.

God is als een vader.
Die is geweldig blij en trots als Hij zijn kind het eerste stapje ziet zetten.
Hij neemt het op zijn schouders, en vertelt het aan iedereen!

Maar dat eerste stapje is natuurlijk niet het doel.
Het doel is dat zijn kind uitgroeit tot een volwassen man of vrouw,
die sterk in zijn of haar schoenen staat.
Die fiere, mooie stappen zet.

De Engelse schrijver C.S. Lewis noemt een mooi beeld van hoe dat werkt.

Mensen komen vaak bij God met iets waarmee ze niet tevreden zijn over zichzelf.
Bijvoorbeeld omdat ze zich daarvoor schamen.
Of omdat het ze in de weg zit.
En ze vragen Hem om te helpen om dat te veranderen.

En in de loop van de tijd – het zijn vruchten, die moeten tijd hebben om te groeien – merken ze dat die dingen veranderen.
En dan zeggen ze tegen God: bedankt.
U hebt van mij een beter mens gemaakt.
Maar, zegt hij: dan ben je er nog niet!

Hij vertelt daar een mooi beeld bij,
een beeld dat mij heel erg aansprak.
Hij zegt: stel dat je leven is als een huis.
Een mooi, klein huisje, waar je met veel tevredenheid woont.
Maar er is een dakgoot lek.
En je denkt: daar moet ik iets aan laten doen!
Anders dan trekt het water straks in de muur,
en dan heb ik een groter probleem.

En stel dat God degene is die je er dan bij haalt om het te repareren.
In het begin doet God wat je Hem vraagt.
Hij repareert de dakgoot.
Maar dan ziet hij een kozijn dat vervangen moet worden,
en Hij gaat daarmee aan de gang.
En voor je het weet wordt het dak vervangen.
En wordt de gevel eruit gesloopt, omdat er een nieuwe in moet.
En komt er een grote zijbeuk bij je huis,
en er komt een verdieping op.
En er wordt een nieuwe tuin aangelegd.
Sommige van die veranderingen zijn best pijnlijk om te zien,
Omdat je niet weet hoe het eruit gaat zien.
Je zit met je handen in je haar, en je denkt:
dit wilde ik helemaal niet!
Ik was tevreden met mijn kleine huisje!
Dat was toch goed zo!?

Maar God is niet bezig om jouw huisje te verbouwen.
Hij bouwt een heel nieuw huis.
Hij is bezig om een paleis te bouwen, waar hij zelf in kan komen wonen.

En toch… Dit zijn mooie beelden.
Maar is dat wel altijd zo?
Wat zie je hier nou echt van?
Zijn christenen echt betere mensen dan mensen die niet geloven?

Aan de vruchten herkent men de boom, zegt Jezus een keer tegen zijn leerlingen.
Maar je moet geen appels met peren vergelijken.
Mensen zeggen vaak:
christenen zijn niet beter dan niet-christenen.
En meestal hebben ze daar ook gelijk in.

Maar we hebben het bij de vruchten van de Geest niet in het algemeen over niet-christenen en christenen,
alsof dat twee heel duidelijk onderscheiden groepen mensen zijn.
We hebben het over individuele personen,
in wie de Geest aan het werk is.
En de Geest trekt zich niets van de grenzen van mensen aan.

En ook twee mensen kun je niet met elkaar vergelijken.
Stel, er zijn twee fabrieken.
De één heeft hele oude, slechte machines.
En de ander spiksplinternieuwe, prachtige machines.

Stel dat die twee fabrieken ook elk een eigen manager hebben.
De slechte fabriek heeft een geweldige manager,
die geeft om de mensen op de werkvloer, en die hart heeft voor de zaak,
en die kan daardoor, ondanks die slechte machines,
veel meer kan bereiken dan je in eerste instantie zou denken.

En de goede fabriek heeft een manager die vooral denkt aan winst,
en weinig geeft om de mensen of de machines.
Een manager die lui is. Of corrupt.
Die meer bezig is met zichzelf dan met of de fabriek goed loopt.
Of die nooit hulp van buiten accepteert.

Zo’n fabriek brengt misschien wel wat op,
maar minder dan hij zou kunnen.
Misschien dat de manager van de slechte fabriek op den duur wel betere machines kan kopen.
Maar dat kost tijd. Dat moet groeien.
Tot die tijd betekent het niet dat hij een slechte manager is, omdat zijn fabriek minder opbrengt dan de goede fabriek met de slechte manager.

Zo zit er ook verschil tussen mensen.
De één heeft zijn of haar karakter gewoon wat meer mee dan de ander.
Heeft van zichzelf een vriendelijker karakter dan de ander. Of is geduldiger.
Of heeft een betere opvoeding gehad, en geleerd wat goed is en wat niet.

Terwijl de ander misschien van zichzelf een minder vriendelijk karakter heeft.
of niet van zijn of haar ouders heeft geleerd wat goed is en wat niet.
Of niet in een liefdevolle omgeving is opgegroeid.

Iemand die van zichzelf vriendelijk is, en geduldig, en beheerst,
kan dan al snel best tevreden zijn met zichzelf.
Ik doe niemand kwaad, ik doe mijn best om aardig te zijn.
Eigenlijk doe ik het best wel goed!

Terwijl die ander maar weinig heeft aan zichzelf waar hij of zij tevreden over is.
en denkt: ik zou graag anders willen zijn.
Maar het is zo moeilijk.
Ik weet niet hoe het moet.

Maar uiteindelijk heeft degene met het positieve karakter daar maar weinig voor hoeven doen.
En is het niet alleen de eigen schuld van degene die dat niet heeft dat hij zo is.
Uiteindelijk hebben ze allebei een goede manager nodig.

Als je christen bent, betekent dat niet dat je een beter mens bent.
Dat je machines meteen vervangen worden.
Je wordt niet van de ene op de andere dag een ander persoon.
Dat is iets dat je leven lang mag groeien.

En het betekent ook niet dat als je van jezelf al aardig en vriendelijk bent,
dat je dan al helemaal bent zoals God jou bedoeld heeft.

Wat God in ons wil doen, is veel dieper dan wij zelf kunnen bevatten.
Jezus gaf zijn Geest, zodat wij Hem kunnen weerspiegelen.
Niet zodat wij alleen wat aardiger, of vriendelijker worden.
Hij wil ons niet verbeteren, wat sleutelen aan onze machines.
Als we zijn Geest onze manager laten zijn,
wil Hij nieuwe mensen van ons maken.
Ons compleet veranderen.

Maar dat is niet iets dat wij zelf hoeven te doen.
Alles wat wij hoeven te doen,
Is God de ruimte geven om dat in ons leven te doen.
We mogen met open handen bij God komen.
Hij heeft ons gemaakt zoals we zijn.
En Hij weet hoe Hij ons bedoeld heeft om te zijn.

Naar die vruchten mag je wel zoeken. En je mag erom bidden.
Zoals een plant zich uitstrekt naar de zon,
Mag je je uitstrekken naar God.
Dat Hij de vruchten van Zijn Geest mag laten groeien in jouw leven.
Dan zal hij van het huisje van jouw leven,
Een paleis maken waar Hij in woont. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *