Blind vertrouwen, maar niet zonder reden!

Teksten: 1 Samuël 3:1-10; Markus 1:14-22

Geliefde gemeente van Jezus Christus, onze Heer,

De twee Bijbelteksten die we vandaag hebben gelezen,
gaan op het eerste oog over hele verschillende verhalen.
Om te beginnen: tussen deze twee verhalen zitten honderden jaren.
Het ene speelt zich af aan het begin van het Oude Testament,
En het andere aan het begin van het Nieuwe Testament.
In het eerste verhaal moest de eerste koning van Israël nog komen.
En in het tweede verhaal is het koninkrijk van Israël al helemaal vervallen.
Is er nog maar een klein deel van over.

Maar het zijn ook verhalen die iets met elkaar delen.
Deze verhalen hebben allebei te maken met het horen van Gods stem.
En het zijn allebei verhalen die iets te maken hebben met blind vertrouwen.
Met gehoorzaamheid aan die stem, die roep van God.

Blind vertrouwen, dat is iets dat heel erg ver van ons af staat.
Zeker in een samenleving waarin het belangrijk is om goed op te letten op wie je kúnt vertrouwen.

Zo kun je het nieuws niet altijd vertrouwen.
Soms is het nepnieuws,
En vaak is de grens tussen nepnieuws en echt nieuws niet duidelijk te zien.

Je kunt reclame niet vertrouwen.
Die zien we overal om ons heen, in de krant, op TV, op internet, op straat.
Mensen volgen ons gedrag,
zodat ze ons kunnen manipuleren om dingen te kopen.

Je kunt mensen niet altijd vertrouwen.
Soms wordt je vertrouwen in anderen beschadigd.
Door iemand die je helemaal niet kent,
of juist door iemand die je heel erg goed kent.

Vertrouwen is niet zo gemakkelijk als het klinkt.
Er is zelfs een risico aan verbonden.
Het is niet altijd veilig om een ander te vertrouwen.

En toch is het vertrouwen, zelfs blind vertrouwen,
waar deze Bijbelteksten over gaan.
Blind vertrouwen,
omdat de mensen over wie deze verhalen gaan,
een weg inslaan waarbij ze niet weten waar die naartoe leidt.
En blind vertrouwen,
omdat ze nog niet eens goed weten wíe degene is die ze roept.

Het eerste verhaal gaat over Samuël.
Samuël groeit op als de leerling van een priester, Eli.
Als jonge jongen woont en leeft hij in de tempel van God.
Heel dicht bij God dus, zou je zeggen.
Maar het is een tijd waarin mensen al heel lang weinig van God hebben gehoord.
Samuël kent wel de verhalen over God.
Over hoe Hij het volk Israël uit Egypte heeft bevrijd,
en hoe God de Israëlieten naar het beloofde land heeft geleid.
Daar is hij mee opgegroeid.
Maar soms lijkt het wel of God iets is uit de geschiedenis.
Niet iets van het nu.
Er staat: in die tijd klonken bijna nooit woorden van de Heer,
en hadden mensen bijna nooit visioenen.
Het leek wel of er radiostilte was.
Er waren zulke grote verhalen uit het verleden.
Waarom zagen de mensen nu dan maar zo weinig van God?

Samuël was nog te jong om zich met zulke vragen bezig te houden.
Maar toen hij ’s nachts lag te slapen,
dicht bij de ark, in het heiligste der heiligen in de tempel,
en hij de stem van God hoorde,
was dat helemaal nieuw voor Hem.
Niemand had hem verteld dat zoiets kon gebeuren.
Dat God tegen mensen kan spreken.
Daarom stond Samuël op,
en ging hij naar Eli, die een oude man was, en bijna blind.
Hij vroeg aan Eli: waarom hebt u mij geroepen?

Maar Eli, die zich waarschijnlijk een beetje knorrig voelde omdat de jongen hem uit zijn slaap haalde, zei:
ik heb je niet geroepen.
Ga terug naar je bed, en ga slapen!
Dit herhaalde zich een paar keer.
Maar de derde keer bedacht Eli zich:
Misschien is er meer aan de hand.
Ook Eli had de stem van God nog nooit gehoord.
Maar hij gaf Samuël een wijze raad mee:
als je opnieuw hoort dat je geroepen wordt, zeg dan:
Spreek, Heer. Uw dienaar luistert.

Eli was een wijze man.
Vol overgave had hij God gediend in de tempel, al zijn hele leven lang.
Zijn hele leven hoorde hij niets van God.
Maar hij bleef wel op God vertrouwen.
Zelfs al brak zijn werk hem bij de handen af.
Zelfs al waren er maar weinig mensen die naar de tempel gingen.
En zelfs al waren zijn zoons wel priesters geworden,
Maar misbruikten ze dat ambt, door mensen af te persen,
En te slapen met vrouwen die dienst deden in de tempel.
Voor zichzelf zag Eli maar weinig van Gods beloften waar worden.

Op een dag vond deze priester Hanna, de moeder van Samuël, huilend in de tempel.
Ze had gebeden om een kind,
omdat ze zich minderwaardig voelde tegenover de andere vrouw van haar man,
die wel kinderen had.
In die tijd was het normaal dat een man meerdere vrouwen had,
maar vaak ging dat niet goed, was er ruzie tussen de vrouwen onderling.
Vergeleken ze zich steeds met elkaar. En voor Hanna was dat teveel.
Daarom had ze aan God beloofd:
als U mij een kind geeft, zal ik hem aan God wijden.
De priester Eli was naar haar toegekomen, en had haar getroost.
Hij zei tegen haar: God zal je geven waar je om gebeden hebt.

En deze belofte had Eli wel in vervulling zien gaan.
Samuël was geboren. Zijn naam betekent: God hoort.
Zo noemde zijn moeder hem,
uit dankbaarheid voor dat God haar dit kind had gegeven.
En ze had hem naar de tempel gebracht,
zoals ze aan God had beloofd, om Hem daar te dienen.

Zijn leven lang had Eli God gediend. Zijn best gedaan voor God.
Ik vraag me af of Eli nooit gedacht heeft:
waarom roept God dit jonge kind nu wel, en mij niet?
Maar hij laat daar niets van merken.
Als Samuël de stem van God hoort,
zegt Eli dat hij tegen God moet zeggen:
spreek, Heer, uw dienaar luistert.
Ondanks al die jaren dat Eli zelf niets heeft gehoord,
spoort hij Samuël aan om te luisteren naar wat God te zeggen heeft.
Om op de God te vertrouwen, die tegen Samuël spreekt.

Ik had eens een gesprek met een erg gedreven en gelovige man die woont in Zwolle.
Hij werkte als godsdienstleraar,
en had daarbij met een paar vrienden een gebedsgroep,
waarmee hij bad voor de stad waar hij woont.
Ook werkte hij aan een boek, over de moderne devotie,
een christelijke beweging rond Zwolle tijdens de middeleeuwen,
een beweging die hij nieuw leven in wilde blazen.

Op een dag, vertelde hij me, maakte hij iets heel indringends mee.
Hij had zijn boek net klaar, en had daar heel hard voor gewerkt.
Die dag had hij drie spreekbeurten gehouden over dat boek, uit zijn hoofd.
Alles leek vanzelf te gaan,
Totdat hij een zware psychose kreeg.
Als je een psychose krijgt, dan zie je soms dingen die er niet zijn.
Zo ervoer hij dat God tegen hem sprak.
Dat God hem dingen liet zien, beelden uit de toekomst.

Zijn psychose was zo erg, dat hij moest worden opgenomen.
Gelukkig ging het al snel weer een stuk beter met hem.
En toen ik met hem aan het praten was,
inmiddels was het toen al jaren geleden,
vertelde hij me erg nuchter over wat hij had meegemaakt.
Hij besefte heel goed dat hij echt een psychose had gehad.
Maar ik kon merken dat het hem wel veel had gedaan.

En hij stelde zichzelf de vraag:
zou het niet kunnen dat God toch daar doorheen tot mij gesproken heeft?
Hij was voorzichtig,
hij wilde liever niet aan anderen te vertellen wat hij had gezien,
Omdat hij er niet te koop mee wil lopen.
Maar voor hem bepaalde het wel hoe hij nu in het leven stond.

Hij ervoer dit moment voor zichzelf als een roeping.
En hij geloofde dat God hem daar doorheen iets duidelijk wilde maken.
Het zette hem op een pad dat hij anders niet had genomen.

Als je een verhaal als dit hoort, is het makkelijk om er skeptisch tegenover te staan.
En dat is niet altijd verkeerd.
Je kunt niet zomaar alles geloven wat mensen tegen je zeggen.

En toch is het wel een verhaal om serieus te nemen.
Om niet meteen aan de kant te schuiven.
Net zoals Eli niet tegen Samuël zei:
Kom op jongen, ga slapen. Er is echt niemand die je roept.
Eli nam serieus wat Samuël tegen hem zei.
Ook al had hij het zelf nog niet meegemaakt:
Hij geloofde dat God tegen mensen kan spreken.
Dat God zich aan mensen laat zien.
En daarom spoorde hij Samuël aan om naar de stem van God te luisteren,
en erop te vertrouwen.
Het verhaal van de leerlingen van Jezus,
is dan toch een heel ander verhaal.
De leerlingen van Jezus krijgen geen visioen,
ze krijgen geen stem te horen.
Maar zij hebben een ontmoeting met een mens.

Jezus loopt langs het meer van Galilea,
en ziet Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes vissen.
En terwijl hij langsloopt, zegt Jezus tegen ze:
Kom, volg mij!
Dan zal ik van jullie vissers van mensen maken.

Maar ook al is het een mens, en niet alleen een stem die hen roept,
Er is toch wel heel wat vertrouwen nodig,
om zomaar alles achter te laten,
en achter die mens aan te gaan.

Want voor deze vissers die geroepen werden,
kostte het veel om achter Jezus aan te gaan.
Het betekende dat ze alles achter zich moesten laten:
hun familie,
hun middelen om brood op de plank te krijgen,
hun zekerheid,
om aan Jezus toegewijd te zijn.

Is dat niet een beetje teveel van het goede?
Het maakt ons wat ongemakkelijk om dit te horen.
Zo blind achter iemand aan gaan die je nog nauwelijks kent.

Terwijl het lijkt of de leerlingen er niet eens over na hoeven te denken.
Ze laten hun werk, hun netten, hun boten achter,
om met Jezus mee te gaan.
Daar kun je toch bijna niet bij?

En Zebedeüs, de vader van Johannes en Jakobus,
blijft in de boot achter, samen met de knechten.
Wat zou het voor hem hebben betekend,
dat zijn zoons op deze manier weggaan?
Toch staat er niet dat hij ze tegenhield. Hij laat ze gaan. Dat is ook vertrouwen!

En toch.. blind vertrouwen is niet vertrouwen zonder een reden.
Het is niet zomaar dat ze achter Jezus aan gaan.
Jezus vraagt veel van ze,
maar ze hebben al meteen door dat Hij het waard is om te volgen.

Ze gaan niet achter Jezus aan omdat het ze zo spannend lijkt.
Of omdat ze hopen een betere carrière te maken,
of meer status te krijgen.
Ze gaan achter Jezus aan omdat ze voelen dat het er echt toe doet.
Omdat ze onder de indruk zijn van Jezus.

Zoals de mensen in Kafarnaüm onder de indruk zijn als Jezus in de synagoge spreekt.
Ook zij leven in een tijd waarin maar weinig woorden van God gesproken worden,
waar mensen maar weinig visioenen krijgen.
Waar met God leven vooral betekent dat je je aan de wetten van God moet houden,
Een tijd waarin mensen elkaar veel de maat nemen,
of ze zich wel op de letter aan die wetten houden.

Maar als Jezus spreekt,
beseffen ze dat hij woorden van God spreekt.
Als er mensen naar Jezus toe komen om genezen te worden,
zien ze iets van het Koninkrijk van God.
Van een God die niet alleen een God is van het verleden,
of van heel ver weg,
maar dat God in Jezus ineens heel voelbaar,
heel tastbaar aanwezig is.
Dat Hij de mensen ziet.
Dat Hij om de mensen geeft.
Dat ze door God geliefd zijn.
En dat is ook wat er gebeurt met de leerlingen van Jezus.
Meteen als Jezus ze roept, beseffen ze:
deze man roept ze omdat Hij ze deel wil maken van Gods Koninkrijk.

Dat Jezus ze roept, is niet bedreigend.
Hij zegt: jullie zijn vissers.
Maar ik zal van jullie vissers van mensen maken.
Hij vraagt van ze om Hem te volgen,
maar tegelijk is dit iemand die zelf alles voor hen geeft.
Die zelf de weg gaat die Hij ook aan zijn leerlingen wijst.
Hij is gekomen om goed nieuws te brengen:
God is nabij. Dus richt je op Hem!

Blind vertrouwen is moeilijk. En dat blijft het.
Maar het is een beetje zoals de belastingdienst:
Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.
Het wordt makkelijker,
als degene die je blind vertrouwt je een reden geeft om op hem of haar te vertrouwen.

Voor ons is het moeilijk om blind op God te vertrouwen.
Omdat je soms zo weinig van God ziet.
Zo weinig van God merkt.
Het zou zo makkelijk zijn als God ook tegen ons zou spreken.

Maar in Jezus heeft God ons wel een reden gegeven om op Hem te vertrouwen.
In Jezus vraagt God van ons om achter hem aan te gaan.
Om zelf ons leven aan Hem toe te wijden.
Om Hem het belangrijkste te maken in ons leven.
Belangrijker nog dan familie.
Belangrijker nog dan je carrière.

Dat klinkt spannend, en dat is het ook.
Omdat je niet weet wat het je gaat brengen.
Waar die weg je naartoe leidt.
Welke hobbels je onderweg tegenkomt.
Omdat je soms op paden komt die dood lijken te lopen,
als er plotseling toch een doorgang verschijnt.

Blind vertrouwen blijft moeilijk.
Want het gaat tegen ons gevoel in.
Het wringt, omdat we liever eerst zekerheid hebben. Resultaat zien.
Omdat we zélf de controle in handen willen houden.

Maar Jezus is de reden die God ons geeft om blind op Hem te vertrouwen.
Ook al hebben we niet alle antwoorden.
En zien we niet waar de weg heen gaat.

Als Jezus ons roept,
Is dat omdat hij eerst zélf alles doet waar hij ons voor roept.
Als Hij Simon en Andreas, Jakobus en Johannes roept,
om hem te volgen, en hun vader achter te laten,
heeft Jezus zelf de troon van zijn Vader al verlaten.

In Jezus gaat God zelf voorop.
En in Jezus loopt God naast ons.
Laat je dus niet tegenhouden, om die weg achter hem aan te gaan.
En houd ook anderen niet tegen.
Spoor ze aan.
Help elkaar om God te zoeken.
Om met elkaar Gods weg te vinden.

Want geloven is blind vertrouwen.
Maar wel met een goede reden.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *