Roeping

Tekst: Exodus 3:1-15

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Wie ben ik?
Dat U mij hiervoor vraagt?
Wat kan ik zo goed, dat U van mij verlangt dat ik naar de Farao ga?
Hoe zou ik dat ooit kunnen?
Hoe zou ik dat ooit moeten doen?

Al die vragen zitten in die ene vraag die Mozes aan God stelt,
als hij door God wordt geroepen.
In die vraag: wie ben ik.

Waarschijnlijk ken je de verhalen over Mozes wel,
Maar voor wie niet zoveel over hem weet,
zal ik eens kort vertellen wie hij is.

Toen Mozes door God werd geroepen,
had hij al een bewogen leven achter de rug.
Hij werd geboren in Egypte,
Als kind van twee Israëlitische mensen.

De Israëlieten, de nakomelingen van Abraham, Isaäk en Jakob,
Leefden al vier eeuwen in Egypte.
In het begin ging dat zonder problemen,
Maar naarmate hun aantal steeds bleef groeien,
Voelden de Egyptenaren zich meer en meer bedreigd.
Tot er een farao kwam die de Israëlieten als slaven behandelde,
Om te zorgen dat ze niet de overhand zouden krijgen.
Die wreed was,
zelfs zo wreed dat hij de zonen van de Israëlieten bij de geboorte liet doden,

Alle pasgeboren jongens werden in die tijd op bevel van de Farao in de Nijl gegooid.
Maar Mozes niet. Hij ontkwam.
Hij groeide zelfs op als aangenomen zoon van de dochter van de Farao,
terwijl zijn volk onderdrukt werd.

Mozes wist wel waar hij vandaan kwam, wat zijn achtergrond was.
En toen hij volwassen werd,
Zag hij een Egyptenaar een van zijn volksgenoten mishandelen.
Hij sloeg die Egyptenaar dood,
Waardoor hij moest vluchten, en uiteindelijk in Midjan terecht kwam.
Daar ging hij wonen, als vreemdeling.
Hij trouwde, kreeg kinderen, en werd schaapherder.

Met de schapen trok hij soms een eind weg,
zodat ze voldoende konden grazen.
En dit keer leidde zijn reis hem naar de Horeb.
Een berg die in de Bijbel ook wel de berg van God wordt genoemd.

Toen Mozes langs die berg liep,
zag hij een struik die in brand stond.
Maar wat wonderlijk was:
ook al stond deze struik in brand,
hij werd niet door het vuur verteerd.

Je kunt je wel voorstellen dat Mozes nieuwsgierig werd.
Dat hij dichterbij wilde komen om het beter te bekijken.
Maar toen hij bij de struik kwam,
hoorde hij een stem die zijn naam riep:
“Mozes, Mozes”.

Er zijn door de geschiedenis heen, en ook nu nog,
mensen die ervaren dat God tegen ze spreekt.
Maar je verwacht niet zomaar dat het gebeurt.

Mozes had dat net zo min verwacht als wij dat zouden doen.
Maar hij antwoordde: “Ik luister”.

“Kom niet dichterbij, zegt de stem tegen hem.
Trek je schoenen uit.
Want de grond waarop je staat is heilige grond.
Ik ben de God van je voorvaderen,
de God van Abraham, Isaäk en Jakob.”

Het was God zélf die vanuit de struik tegen Mozes sprak.

God vertelt dat hij de ellende heeft gezien waarin zijn volk leeft.
Daarom zegt God tegen Mozes:
Ik heb gezien en gehoord hoe mijn volk lijdt.
Ik wil de Israëlieten bevrijden uit de macht van de Egyptenaren.
En ze leiden naar een nieuw land.
Ik stuur jou, Mozes, naar de farao, naar de koning van Egypte:
jij moet mijn volk uit Egypte wegleiden.

God kiest Mozes uit om dit te doen.
Een opdracht van God weiger je niet zomaar, zou je zeggen.

Maar dan is dus het eerste dat Mozes tegen God zegt:
wie ben ík?
Mozes heeft geen idee waarom God hem zou vragen.
Hij had eindelijk zijn leven weer op de rails.
Het was in rustiger vaarwater terecht gekomen.
En nu roept God hem om zijn verleden weer onder ogen te komen.
Om zijn wortels onder ogen te komen.
En dat met een grote opdracht:
bevrijd mijn volk.
Leid het weg uit Egypte.

Wie ben ik?
Die vraag wordt vaker gesteld in de Bijbel,
als mensen door God worden geroepen.

Voor ons kan het een herkenbare vraag zijn.
Je stelt die vraag als je ergens onzeker over bent.
Kan ik het wel?
Moet ik dat wel doen?
Het lijkt me wel mooi, maar ben ik daar wel goed genoeg voor?
Wie ben ik, om op die baan te solliciteren?
Wie ben ik, om diegene aan te spreken op zijn gedrag?
Wie ben ik, dat mensen naar mij zouden luisteren?
Wie ben ik, dat ik diegene eens mee uit zou vragen?

Je ziet al allemaal apen en beren op de weg.
En soms denk je zelfs: dat is gewoon onmogelijk.
Dat is voor mij niet weggelegd.
Laat een ander dat maar doen.
Ik vind het prima zo.

Iemand die wel een beetje op Mozes leek, was Nelson Mandela.
Hij stond op tegen de discriminatie in Zuid-Afrika.
Tegen de apartheid, die ervoor zorgde dat blanke mensen het voor het zeggen konden houden in Zuid-Afrika.
Ze waren bang dat ze als minderheid hun machtspositie kwijt zouden raken in het land.
Omdat Nelson Mandela tegen de regering opstond,
Werd hij gevangen gezet.
Bijna 30 bleef hij gevangen,
Tot het moment waarop er een eind kwam aan de apartheid.
Het kostte hem een groot deel van zijn leven.
Maar uiteindelijk kreeg hij wat hij verlangde: dat zijn volk in vrijheid kon leven.

Wat als Nelson Mandela had gedacht:
Laat iemand anders het maar doen?
Was de situatie dan wel veranderd?
Was er dan een eind gekomen aan het onrecht?
Ook als je gelooft, kan de vraag ‘wie ben ik’ herkenbaar zijn.
Wie ben ik, om onrecht aan de kaak te stellen?
Wie ben ik, om met collega’s over mijn geloof te praten?

Of misschien nog wel een stapje dieper:
Wie ben ik, dat God mij ziet staan?
Dat ik mag vertrouwen dat Hij door mij heen wil werken?

Mozes stelt die vraag ook aan God.
Wie ben ik, dat U door mij heen wilt werken?
Dat U mij ziet staan? Een moordenaar? Een vluchteling?
Wie ben ik om deze grote opdracht aan te nemen?
Kan ik dat wel?

Mozes wordt door God uit zijn veilige omgeving weggeroepen.
Hij wordt door God teruggestuurd naar Egypte.
Om terug te gaan de problemen in.
Om de Farao aan te spreken.

Diep van binnen is dat wat Mozes zelf ook belangrijk vindt.
Hij heeft een groot rechtvaardigheidsgevoel.
Hij hoopt ook dat zijn volk bevrijd wordt uit Egypte.
En hij voelt zich nog steeds een vreemdeling in dit nieuwe land.
Maar waarom moet hij dat doen?
Waarom niet iemand anders?
Zou die dat niet veel beter kunnen?

En dan komt Gods antwoord op Mozes’ vraag.
God zegt niet:
ik geloof in jou, ik weet dat jij het wel kunt.
Je hebt meer in huis dan je denkt!
Vertrouw nou eens wat meer op jezelf!

God zegt: Ik zal bij je zijn.
Ik zal ervoor zorgen dat jij het volk uit Egypte zult leiden.
Als jij maar op mij durft te vertrouwen,
En naar de farao toe gaat.
God vraagt niet aan Mozes om meer zelfvertrouwen te hebben.
Hij geeft Mozes geen peptalk. Hij weet dat het moeilijk zal worden.
Dat Hij veel van Mozes vraagt.
God vraagt aan Mozes om op Hem te vertrouwen.
Hij zegt: Ik zal bij je zijn.
Dat is genoeg. Meer heb je niet nodig.

Wat dit Bijbelverhaal zo mooi maakt,
Is dat het verhaal niet alleen vertelt hoe Mozes wordt geroepen.
Maar dat het ook een verhaal is waarin God zich aan Mozes laat kennen.
Waarin God aan Mozes laat zien wie Hij is.

Dat Hij een God is die door mensen heen wil werken.
Geen onbekende God,
maar de God van Abraham, Isaäk en Jakob.
De God van zijn voorouders, de God van zijn volk.
Hij is geen onbekende kracht, maar een persoonlijke God.

Hij is een God die het aan het hart gaat als mensen lijden.
Een God die ons hoort als we om hulp roepen.
Een God die zijn volk wil bevrijden.
Die mensen niet maar aan hun lot over wil laten.
Maar die om mensen geeft.

En Hij is een God die er is.
Het is zelfs de naam waarmee God zichzelf omschrijft als Mozes hem daarnaar vraagt:
Ik ben die ik ben.
Ik ben die er zal zijn.

God is een God die er zal zijn.
Ook als wij ons onzeker voelen. Als het moeilijk is.
Een God die belooft dat Hij bij ons is,
Als wij op Hem vertrouwen.

Dit verhaal is niet alleen een ver-van-je-bed-show,
Ook al kun je je misschien maar moeilijk een voorstelling maken
Van hoe Mozes door God werd geroepen.

Roeping klinkt voor ons als een heel groot woord.
Maar geroepen zijn is niet iets dat is voorbehouden aan sommige mensen.
Aan mensen als Mozes, aan een profeet,
Of aan een zendeling, of aan een dominee, of aan een ouderling.
Als christen ben jij geroepen.
Ook al denk je: wie ben ik?
Wie ben ik, dat God door mij heen wil werken?

Je bent geroepen door Jezus.
Toen Jezus leefde, zei hij tegen de mensen die hij tegenkwam: volg mij.
Leer van mij. Doe zoals ik doe.
Leer door mij God kennen.
God te betrekken op je leven.

Hij zei dat niet alleen tegen rijke, of machtige, of slimme mensen.
Maar tegen iedereen.
Tegen vissers en Schriftgeleerden,
Tollenaars en soldaten.
Judeeërs en Samaritanen.

En er waren mensen die Jezus volgden.
Duizenden die letterlijk achter hem aan trokken.
Die leerling van hem werden.
Ook tegen Jezus zeiden sommige mensen:
Wie ben ik, dat u mij uitkiest om u te volgen?
Maar toch koos Jezus hen uit,
Nodigde hij ze uit om achter hem aan te gaan.
Soms ging hij zelfs naar mensen toe die door anderen werden buitengesloten.
Tegen wie anderen zeiden:
Wie ben jij?
Tegen hen zei Jezus ook: volg mij.

En na zijn dood, en opstanding,
Herhaalde Jezus die uitnodiging nog eens aan zijn leerlingen.
Gaf Jezus aan zijn leerlingen een vergelijkbare opdracht als God aan Mozes geeft.
Ga op weg, uit je veilige omgeving,
maak bekend wie Ik ben.
En wees niet bang als het moeilijk wordt.
Want ik ben bij jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.

Je bent door God geroepen,
Om Hem in je leven te volgen.
Om erop te vertrouwen dat Hij in jouw leven aanwezig wil zijn.
Dat Hij door jou heen wil werken.
Dat Hij jou kostbaar vindt.

Roeping gaat niet alleen over grote dingen,
Maar ook juist over kleine dingen.
Het gaat over nederig de weg gaan van je God.
Over trouw zijn in het dagelijks leven,
over recht doen.
Over Jezus volgen.
Doen zoals Hij.
Hem betrekken in je keuzes,
in de beslissingen die je maakt.
Misschien dat je dan, net als Mozes,
soms uit je veilige omgeving wordt geroepen.
Dat je andere beslissingen maakt dan je normaal zou doen.

Maar je mag altijd de woorden herinneren die God tegen Mozes zei:
Ik zal bij je zijn.

Want dit verhaal zegt iets over ons,
Maar in de eerste plaats zegt het iets over God.
Hij is een God die er zal zijn.
Een God die betrokken is op je leven.
Die je hoort, als je het moeilijk hebt.
En die je wil helpen om je leven met Hem te gaan.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *