Jezus Christus, Zoon van God, Redder

Teksten: Mattheüs 16:13-17; Filippenzen 2:5-11 (uit de Bijbel in gewone taal)

Misschien heb je wel eens een visje gezien,
achterop een auto, of op een Bijbel.
Waar denk je dat dat visje voor staat?
In de Bijbel staan verschillende verhalen over vissen.
Jona en de walvis.
Of Jezus die op een wonderlijke manier brood en vis deelde met mensen.
Maar dat visje, dat heeft een andere betekenis.
Dat is ontstaan toen de kerk er nog maar net was.
2.000 jaar geleden.
Het was een soort codetaal.
Het was in die tijd gevaarlijk om in Jezus te geloven.
En daarom hadden mensen dat visje bedacht.
Het Griekse woord voor vis, is Ichthus.
En Ichthus bestaat in het Grieks uit vijf letters, die elk voor een woord staan:
Iesous Christos, Theou Uios, Soter. Dat betekent:
Jezus Christus, Zoon van God, Redder.
Dat visje is een geloofsbelijdenis.
Ik geloof dat Jezus Christus de zoon van God is. Dat hij een redder is.

Wie is Jezus?
Dat is de vraag die vandaag centraal staat.
Iemand uit het filmpje daarstraks zei:
Hij is een mysterieuze man, waar ik veel vragen over heb.
Misschien herken je dat wel.
Want het is soms best verwarrend.
Wie is Jezus nou eigenlijk?
Wat zeggen al die namen over hem?
Redder? Zoon van God?
En had hij echt bruin haar, en een baard, en witte kleren?

Over hoe Jezus eruit zag weten we niet zoveel,
Behalve dat hij er niet zo uit zag.
Maar waarschijnlijk heb je wel eens verhalen over hem gehoord.

Jezus vertelde over God,
en over hoe je dicht bij God kunt leven.
Hij deed hele bijzondere dingen. Wonderen.
Hij genas mensen.
Hij liet blinden weer zien, en doven weer horen.
Hij bevrijdde mensen van dingen waar ze in vastzaten.
Hij vergaf mensen die niet op een goede manier geleefd hadden.
Hij accepteerde mensen die door anderen werden buitengesloten.

Jezus was een mens.
Hij is geboren in Bethlehem, opgegroeid in het plaatsje Nazareth.
Hij heeft geleefd,
is de laatste paar jaar van zijn leven rondgetrokken door Israël.
En uiteindelijk is hij ook gestorven.

Maar, zegt de Bijbel: Jezus is ook meer dan een mens.
Dat hebben we gelezen in een gesprek van Jezus met zijn leerlingen.

Jezus trok al een tijd heel intensief op met zijn leerlingen.
Ze leerden van de dingen die hij zei en deed.
En ze waren erg van hem onder de indruk.
Ze hadden alle twaalf, stuk voor stuk,
hun oude leven achtergelaten om Jezus te volgen.

Als je veel met iemand optrekt, dan leer je diegene echt goed kennen.
Je ziet hoe hij of zij slaapt, en opstaat, en eet en drinkt.
En zo leerden de leerlingen van Jezus hem ook heel goed kennen.

Op een dag vroeg Jezus aan zijn leerlingen:
Wie ben ik volgens de mensen?
Zijn leerlingen noemen eerst drie namen,
namen die je misschien niet zoveel zeggen.
Johannes de Doper, Elia, Jeremia.
Het waren mannen van God.
Profeten die vroeger geleefd hadden.
Hele grote mensen, die in hun leven iets hebben laten zien van God.
Het waren niet zomaar namen die ze noemden.
Het verhaal ging rond dat zíj de mensen zouden vertellen dat de redder zou komen, die Israël zou bevrijden.
Iemand waar de Joden al heel lang op hadden gewacht.
Zeker omdat ze al heel lang onderdrukt werden door de Romeinen.
Ze dachten: die redder, die zal God sturen om ons bevrijden!

Als Jezus in deze tijd aan Petrus zou vragen:
Wie ben ik volgens de mensen?
Dan zou Petrus misschien antwoorden:
Gandhi, of Martin Luther King, of Nelson Mandela.
Grote mensen.
Maar niet de grootste.
Niet de redder waar de mensen op hadden gewacht.

En dan vraagt Jezus aan zijn leerlingen:
Wie ben ik volgens jullie?
Petrus’ antwoord is:
U bent de Messias. De redder.
De zoon van de levende God.
De mensen geloofden in die tijd in veel verschillende goden.
Maar met de levende God bedoelt Petrus: de enige echte God.
Hij zegt tegen Jezus: U bent de zoon van de God die leeft.

Toen Jezus op aarde rondliep, zij hij niet:
Ik, Jezus, ben de messias, de zoon van God.
Jezus legde niet uit wie hij was.
Hij wilde dat de mensen dat begrepen door hoe hij deed,
Door wat hij vertelde, door hoe hij leefde.
Maar Petrus, die zo lang met hem had opgetrokken,
Die hem zo goed kende,
Die was ervan overtuigd dat Jezus de beloofde redder was.

Jezus reageert door tegen Petrus te zeggen:
dat kun je niet van mensen hebben.
Ik heb het niet verteld.
Dat moet je van God hebben. Dat heeft God in je hart gelegd.

Deze belijdenis, die Petrus heeft gedaan,
dat zal de basis worden van mijn kerk, zegt Jezus.
De kerk die wij nu ook nog met elkaar vormen.
Omdat wij met elkaar geloven dat Jezus de zoon van God was.
Dat Jezus niet zomaar een groot mens was, zoals Martin Luther King, of Gandhi.
Maar dat hij méér is.

—–
Preekje 2:
—–

Jezus is de zoon van God.
Dat was de geloofsbelijdenis die Petrus deed.
Dat klinkt best wel verwarrend.
Wat bedoeld Petrus daarmee?
En Jezus was toch een mens?
Hoe kan hij dan ook de zoon van God zijn?

Heb je het kerstverhaal wel eens gehoord?
Toen Jezus geboren zou worden, kwam er een engel naar Maria toe.
En die engel zei tegen Maria:
Maria, je zult zwanger worden, en een zoon baren,
en je moet hem Jezus noemen.
Hij zal een groot man worden,
En de zoon van de allerhoogste God worden genoemd.
De naam ‘Jezus’ betekent: God redt.

We zongen daarstraks:
Nog voordat je bestond, kende Hij je naam.
Hij zag je elk moment, en telde elke traan.
Omdat Hij van je hield, gaf Hij zijn eigen zoon.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.

God heeft een plan heeft met jouw leven,
En dat plan is verbonden met het plan dat hij heeft voor alle mensen.
Een plan met deze wereld.

De geboorte van Jezus was de vervulling van een belofte,
Die God al heel lang geleden aan de mensen had gedaan.
Jezus is de vervulling van een plan,
Dat God al sinds het begin van de schepping met ons, met de wereld had.

Omdat Hij van ons houdt,
kwam God in Jezus zelf naar ons toe.
Is God zelf een mens geworden.
Legde Hij alle grootsheid af, alles wat Hij had en wie Hij was,
Om dicht bij ons te komen.
Om met ons te leven, in Jezus te laten zien wie Hij was.

Jezus was een selfie van God.
Door Hem laat God aan ons zien: zoals Jezus is, zo ben ik ook.
Een God die geeft om mensen.
Een God die vergeeft.
Een God die redt.
En een God, die zijn leven voor ons geeft, omdat Hij van ons houdt.

Als je een goede vriend hebt,
maar je doet iets waardoor jullie hele grote ruzie krijgen,
Dan moet je het weer goed maken.
De vriendschap die jullie hadden, is verbroken.
Je praat niet meer met elkaar, ontwijkt elkaar.
En als het iets is dat jij gedaan hebt, moet jij als eerste naar die vriend gaan,
en zeggen: sorry voor wat ik gedaan heb.
Kun je mij vergeven?
Kunnen we weer vrienden zijn?

Net zo, staat in de Bijbel, is onze vriendschap met God verbroken,
Door alle slechte dingen die wij mensen doen.
Doordat we elkaar bedriegen, tegen elkaar liegen.
Elkaar pesten.
Elkaar links laten liggen.
Omdat we elkaar doden.
Omdat we andere dingen op de plek van God zetten.
Rijkdom. Of seks. Of populariteit.

En omdat we in heel veel dingen zelf het liefste net als God zouden willen zijn.
Onkwetsbaar.
Machtig.
Kunnen bepalen wat andere mensen mogen doen, en wat ze niet mogen doen.

Eigenlijk zouden wij degenen moeten zijn die het weer goed maken met God.
Die naar Hem toe gaan, sorry tegen Hem zeggen.
Die Hem om vergeving vragen.
Wij zouden ons leven moeten beteren,
En deze wereld weer tot een goede plek moeten maken.

Maar het probleem is: dat kunnen we niet.
Dat lukt ons niet alleen.
Wat we ook proberen.
We blijven mensen, mensen die, naast dat ze goede dingen doen,
Het ook steeds kunnen blijven verknallen.
Wij kunnen niet naar God opklimmen.

En daarom doet God in Jezus iets heel radicaals.
In Jezus kwam God naar ons toe.
Werd hij kwetsbaar.
Werd hij een dienaar van mensen.
Werd hij in alles als een mens,
Behalve in dat Hij wel leefde zoals God van ons verlangt.
Dat Hij geen zonde deed.
Dat hij niet liefdeloos was.
Dat hij niet aan zichzelf dacht, maar aan anderen.

En in Jezus gaf God zelf zijn leven voor ons.
Droeg hij zelf de straf voor de dingen die wij mensen elkaar aandoen.
Droeg hij zelf de pijn en het verdriet die wij mensen voelen.
In Jezus ging God naast ons staan.

Het is wat ik zelf steeds weer indrukwekkend vind aan het geloof dat wij hebben.
Dat we niet geloven in een God die alleen maar ver boven ons staat,
en ons zegt wat wij moeten doen.
Maar in een God die naar ons toe komt,
als wij niet naar hem toe kunnen gaan.
Een God die met ons meevoelt.
Die zichzelf kwetsbaar maakt.
Die een mens wordt, zoals wij.
Een God die onze straf in onze plaats draagt.
Een God die ons door alles heen, ondanks alles, onvoorwaardelijk lief heeft.
Een God die ieder van ons ziet als mooie mensen.
Mensen die het waard zijn om zijn leven voor te geven.
Die het waard zijn om voor te sterven.
Om onze pijn en ons verdriet te helpen dragen.

Jezus is de Messias, de zoon van God.
In Hem kwam God zelf naar ons toe.
Leefde Hij met ons.
En gaf Hij zijn leven voor ons.

En omdat Jezus dat deed, omdat Hij in alles leefde met God,
Omdat Hij God gehoorzaam was, zelfs tot in de dood,
Heeft God hem uit de dood op doen staan.
En heeft God hem de hoogste plaats gegeven, boven alles wat leeft.

Jezus is Heer. Jezus leeft.
En Hij laat ons niet los.
Hij is als een vriend.
Als iemand op wie we mogen vertrouwen.
Als je op Jezus vertrouwt, hoef je niet meer bang te zijn.
In Hem laat God aan ons zien wie Hij is.
En als je in Hem gelooft, wil Hij ook in jouw leven komen.
Jou helpen om, stukje bij beetje, stapje voor stapje,
op je eigen manier zelf ook steeds meer zo te worden als Jezus.
Om liefdevol te worden, zoals Hij.
Om in jouw leven iets van God te laten zien aan de mensen om jou heen.
Dat is wie Jezus is. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *