Jongerendienst: wat merk je van God?

Tekst: 1 Koningen 19:3-13

Stel je eens een gewone schooldag voor.
Je ligt lekker te slapen.
En dan gaat je wekker – veel te vroeg natuurlijk.
Je komt uit je bed, kleedt je aan.
Pakt je tas in, als je dat nog niet gedaan had.
Je zit met een glazig gezicht aan het ontbijt,
En maakt meteen je lunch klaar.
Dan op de fiets, of naar de bus.
Op weg naar school.
Daar ontmoet je je vrienden,
En als het goed is leer je er van alles.
Je kletst gezellig met elkaar in de pauze.
En aan het einde van de dag ga je naar huis.
Aan je huiswerk.
Misschien nog lekker wat ontspannen.
Heb je gezellig met vrienden afgesproken,
Of je gaat lekker gamen, of TV kijken.
’s Avonds misschien nog even sporten, of een andere hobby.

En nou zou ik je willen vragen:
Als je terugkijkt, merk je dan op zo’n dag iets van God?
Eigenlijk niet zoveel.
Behalve als je er zelf ruimte voor maakt.
Er zelf mee bezig bent.

Misschien dat jullie thuis wel samen bidden, of uit de Bijbel lezen.
Of misschien bid je wel eens voor jezelf.

Ik denk dat dat geloven soms ook wel zo moeilijk maakt.
Dat het zo ver af lijkt te staan van je gewone, dagelijkse leven.
Je leven met je vrienden, en je familie.
Van de dingen op school, of op je werk.
Wat kún je eigenlijk van God merken?
Wat betekent Hij in jouw leven?

Je zou denken dat het makkelijker is als je echt iets van Hem zou kunnen zien.
Als hij terug zou praten.
Als je eens iets bijzonders mee zou maken.
Een wonder, bijvoorbeeld.

Zoiets als Elia.
Elia leefde in Israël. Hij was een profeet.
Dat is iemand die de mensen vertelt over God.
Maar de mensen in Israël, die waren helemaal niet bezig met God.
Want, zeiden ze, wat zie je nou van hem?
We mogen niet eens een standbeeld van hem maken!

En dus gingen ze bidden tot een andere god, Baäl.
De god van hun koningin, Izebel.
Dat was een god met standbeelden, een indrukwekkende god.
Daar kon je tenminste iets van zien, iets van voelen!
Eigenlijk was het toen niet zo anders dan nu.

De mensen wilden alleen in God geloven als ze iets van Hem merkten.
Als ze iets van Hem zouden zien.

Maar de profeet Elia wist: die Baäl is niet echt.
En dus deed hij best wel iets dappers:
hij daagde de mensen uit voor een wedstrijd.
Ze zouden op een hoge berg twee grote stieren offeren,
Ze helemaal klaarmaken, een brandstapel maken.
Maar er was een voorwaarde:
ze mochten het vuur niet zelf aansteken,
Maar ze moesten vragen aan hun god of die dat zelf wilde doen.
De priesters van Baäl moesten lachen.
Natuurlijk won hun god dat!

Ze zetten alles klaar.
Elia keek eerst toe hoe de priesters van Baäl hun god vroegen om zelf het vuur aan te steken.
Ze begonnen te bidden.
En toen dat niet werkte,
Haalden ze allemaal gekke dingen uit om te proberen om Baäl over te halen om het vuur aan te steken.
Totdat ze erachter kwamen: het gaat gewoon niet gebeuren.

Toen was het Elia’s beurt.
Hij bad tot God.
En in één klap verbrandde zijn offer, tot er niets meer van over was.

Nou, dat moet enorm indrukwekkend geweest zijn!
Hier was het bewijs: God is er echt!
En iedereen kon het zien!
Een overwinning voor Elia, en voor de God waar hij in geloofde!

Stel je eens voor, dat je op zo’n manier kon zien,
zo duidelijk, dat God er echt is!
Dat zou geloven veel makkelijker maken! Toch?

Nou, voor Elia niet.
Want zodra dit wonder gebeurd was,
moest hij keihard op de vlucht slaan.
De koningin, Izebel, was laaiend op hem.

Elia vluchtte de woestijn in,
en uiteindelijk ging hij uitgeput onder een struik liggen.
Hij kon geen stap meer zetten.

En hij dacht: als zelfs dit niet helpt, wat dan wel?
Hij zat er helemaal doorheen.
Hij zei zelfs tegen God:
als het zo moet, dan hoeft het voor mij niet meer.
Zo’n wonder is mooi.
Maar wat heb ik daaraan als het niets verandert?
Misschien dacht hij:
God, kunt u niet meer van uzelf laten zien,
meer dan alleen op zo’n moment?
Kunt u niets veranderen?

Weet je waar een woestijn voor staat in de Bijbel?
Voor dat je weinig van God ervaart.
Weinig van Hem merkt.
Voor dat je het gevoel hebt dat je er helemaal alleen voor staat.

Dat is precies het gevoel dat Elia heeft.
Hij zit in de woestijn.
Letterlijk én figuurlijk.
Hij zit daar te wachten tot hij zal sterven, van uitputting en uitdroging.
Ondanks dat grote wonder dat hij net heeft meegemaakt,
Verwacht hij eigenlijk niks meer van God.

En dan, als Elia daar een tijdje ligt,
Komt er een engel.
Hij raakt Elia aan, en zegt:
Kom, eet wat, en drink wat.

Elia doet wat hij zegt, en gaat dan weer liggen.
Het is blijkbaar nog niet genoeg.
Na een tijdje komt de engel weer.
Kom op, eet een beetje, en drink nog een beetje.

Weer doet Elia wat hij zegt.
Het maakt nog niet alles goed,
Maar het geeft hem nieuwe kracht.
Om uit die woestijn te komen.
Om naar de berg van God te lopen.
De Horeb. Dat was de berg waar God ook tot Mozes had gesproken, lang geleden.
Waar Mozes de tien geboden van God had gekregen.

Het is veertig dagen en veertig nachten lopen.
Een bizarre afstand. Maar Elia heeft nieuwe kracht gekregen door het eten en het drinken.
En als hij bij de berg aankomt, dan valt hij meteen in slaap, in een grot.

En dan komt het bijzonderste deel van het verhaal tot nu toe:
God stelt Elia een vraag:
Elia, waarom ben je hier?

Dat lijkt een beetje een vreemde vraag.
Zou God niet weten waarom Elia hier is?
Wat er gebeurd is?
Dat hij op de vlucht moest slaan voor Izebel?
Dat hij het niet meer ziet zitten?

Natuurlijk wel.
Maar God wil door zijn vraag Elia een spiegel voorhouden.
Is het wel echt nodig dat je hier bent?
Waarom twijfelde je aan mij?
Je hebt toch gezien wat ik kan doen?
Waarom vertrouw je niet dat ik bij je ben,
Op ieder moment,
Zelfs op de momenten dat je daar misschien niet zoveel van merkt?

Maar God is niet boos.
Hij luistert naar Elia’s verhaal.
Elia vertelt waarom hij hier is.
Dat hij op de vlucht moest slaan, omdat Izebel hem wil doden.
Dat hij het niet meer weet.

Soms kan het heel fijn zijn, als je ergens mee zit,
om je problemen aan iemand te kunnen vertellen.
Aan iemand die het niet verder vertelt.
Iemand die je begrijpt.
Het is eigenlijk een beetje zoals bidden.
Dan kun je ook tegen God zeggen wat je bezighoudt.
En Hij veroordeelt je niet. Hij luistert naar je.
Je mag alles tegen Hem zeggen.

En net als wanneer je bidt, geeft God Elia hier niet meteen antwoord.
Hij zegt niet tegen Elia wat hij moet doen.
Elia mag gewoon even bij God zijn.
Bij Hem tot rust komen, nieuwe kracht vinden.

En op een gegeven moment zegt God tegen Elia:
Kom naar buiten, ga op de berg staan om mij te ontmoeten.

Nou moet je weten dat het, zelfs in de Bijbel,
heel bijzonder is om God te ontmoeten.
Dat komt doordat de mensen geloofden dat God zó groot is,
Zo ontzagwekkend, zo heilig,
Dat wij mensen dat gewoon niet aan kunnen.

En Elia mag God nu ontmoeten.
Eerst raast er een storm voorbij, een hele harde wind.
Die zo krachtig is, dat zelfs rotsen breken.
Maar God is niet in de storm.
Dan komt er een aardbeving.
De hele berg schudt op zijn grondvesten.
Maar God is niet in de aardbeving.
Dan komt er een vuur.
Maar God is ook niet in het vuur.
En dan, als al het geraas voorbij is, klinkt er alleen het zachte suizen van de stilte.
Elia gaat naar buiten, en hij hoort een stem, die zegt:
Waarom ben je hier, Elia?

Het verhaal van Elia is een indrukwekkend verhaal.
Een verhaal dat zoveel zegt over wie God is.
Soms zouden we willen dat God in de storm, en in het vuur, en in de aardbeving zou zijn.
Dat we meer van Hem zouden merken.

Maar vaak is God niet op de voorgrond aanwezig in ons leven.
Niet op een hele spectaculaire manier.
Hij is er juist in de stilte.
Dat je niet altijd iets van Hem merkt,
Betekent niet dat Hij er niet is.
Soms heb je het alleen even nodig dat je je ervan bewust wordt,
Dát Hij er is.

Hij is bij je als je naar school gaat, of naar je werk.
Hij is bij je als je bij je vrienden bent, of bij je familie.
Hij is bij je als je problemen hebt.
Hij hoort je, als je tegen Hem praat.

Soms is God er in hele kleine dingen.
Ik weet nog dat ik een keer moest preken over Noach.
En ik vond dat heel erg spannend,
want ik mocht nog niet zo lang voorgaan in kerkdiensten,
en ik was heel erg zenuwachtig.

En toen ik in de auto zat, onderweg naar de kerk,
Zag ik ineens een regenboog.
En misschien weet je dat wel:
in het verhaal van Noach komt ook een regenboog voor.
Het was als een knipoog van God: Ik ben bij je.
Net zoals God in dit verhaal zorgt voor Elia,
Zo zorgt Hij ook voor mij, en voor jou.

Zelfs al heeft Elia zijn twijfels, ziet hij het niet meer zitten,
Toch blijft God voor Hem zorgen, en naar Hem luisteren.
En Hij geeft Elia weer nieuwe kracht.
Na dit verhaal durft Elia weer op weg te gaan,
Durft hij koningin Izebel eens flink de waarheid te zeggen.

In God geloven is niet alleen maar dingen van Hem merken,
Al mag je daar natuurlijk best wel naar verlangen.
In God geloven is ook vertrouwen, ook al kun je dat niet zien,
Dat Hij voor je zorgt, dat Hij ontzettend veel om je geeft.
Dat Hij bij je is.

Want niet alleen in wonderen, en kracht,
In spectaculaire dingen,
Maar juist ook als we zelf in de woestijn zitten,
Als we weinig van Hem merken.
In de stilte.
Daar is God bij ons.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *