Een kerk met zwakke mensen

Tekst: 1 Korintiërs 1:18-31

Hoe lang geloven jullie nog in dat sprookje?
Dat is de vraag die in deze tijd vaak op ons afkomt.
Niet doordat mensen het expliciet zo zeggen,
Maar het kan wel blijken wel uit hun houding.
Onbegrip. Veroordeling.
Of een houding van: laat ze maar, ze weten niet beter.
Ze komen er vanzelf wel achter.
Niet bij iedereen, natuurlijk.
Maar onbewust zijn er wel veel mensen die zo denken.

Geloven in God, dat lijkt niet meer van deze tijd.
Sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw is het niet alleen achteruit gegaan met de kerk,
Maar ook met het geloof in God.
Steeds minder mensen zijn daar mee bezig.
En soms is dat best spannend.
Kun je daar onzeker van worden.
Heeft onze kerk, en de kerk in het algemeen, nog wel een toekomst?
Wat gaat er gebeuren als er nu een generatie opgroeit die helemaal niet meer met het christelijk geloof is opgevoed?
Wordt de kloof tussen ons en de mensen buiten de kerk niet steeds groter?
Hoe geven we ons geloof door aan onze kinderen, en kleinkinderen?

Het zíjn spannende vragen, waar je niet meteen een antwoord op kunt vinden.
Sterker nog: ik weet niet of die er wel is.
Het zou kunnen, dat de kerk steeds kleiner blijft worden.
En dat, hoe hard wij ook werken, wij daar niets tegen kunnen doen.

Het is lastig om dat onder ogen te komen.
En tegelijk soms ook wel even goed.
Om te zeggen: we weten het niet, hoe het verder moet.

Want dat is waar de Bijbeltekst van vandaag ook over gaat.
Over een gemeente die met het handen in het haar zit:
de gemeente in de Griekse havenstad Korinthe,
een kleine 2000 jaar geleden.
Gek genoeg waren de uitdagingen in die tijd niet heel anders.
Want waar nu de kerk steeds kleiner wordt,
Wás de kerk in die tijd gewoon nog niet zo groot.
Misschien dat er zo’n 50-100 mensen waren in Korinthe die geloofden,
Die christen geworden waren.

En binnen die gemeente was continu verdeeldheid.
Sommigen waren van huis uit Joods,
Anderen waren Grieken, die geen Joodse achtergrond hadden,
En die veel minder wisten over de wet en het Oude Testament.
Samen moesten zij een gemeente vormen.
En dat ging niet altijd gemakkelijk.

En dan was er ook nog de samenleving om ze heen,
Een samenleving die deze christenen erg wantrouwde.
En die christenen? Die waren daar best wel gevoelig voor.
Ze hadden steeds het gevoel dat ze zich moesten verantwoorden.

De Joden in Korinthe vroegen aan hun geloofsgenoten, die christen geworden waren:
Wat is jullie geloof waard? Laat maar eens zien!
Jezus deed toch wonderen? Waarom jullie niet, als jullie zijn volgelingen zijn?
En de Grieken, die zeiden:
een God die zichzelf laat kruisigen.
Dat kán toch niet?
Een God hoort juist machtig te zijn.
Zoals Zeus, die vanuit de hemel met bliksemschichten schiet.

En de christenen? Die voelden zich erg opgelaten.
Hoe moesten ze zichzelf verdedigen?
Was wat ze geloofden wel waar?
Moesten ze hun verhaal niet wat aanpassen?

En daarnaast waren ze al niet al te slimme, machtige, rijke mensen, schrijft Paulus.
De eerste christelijke gemeente bevatte misschien wel een paar mensen met een goede afkomst,
Maar er waren vooral ook heel veel slaven,
vrouwen, die in die tijd niet zoveel te zeggen hadden,
weduwen.
Mensen die zich aangesproken voelden door de boodschap van een liefdevolle God.
Mensen die geraakt waren door de zorg die christenen voor elkaar hadden.

Dat is in onze tijd misschien normaler geworden,
zorgen voor mensen om je heen,
Maar dat was toen nog niet zo.
En door mensen buiten de kerk werd er neergekeken op deze gemeentes.
Een Romeinse geleerde uit die tijd schreef
Dat het christelijk geloof is voor domme mensen.
Niet dat dat beeld helemaal klopte.
Er waren genoeg mensen die een goede opleiding hadden gehad.
Maar dat was wel het beeld dat de buitenwereld van de kerk had.
Anders geloofde je toch niet in een God aan een kruis?

En juist deze mensen wil Paulus een hart onder de riem steken met zijn brief.
Eigenlijk is de basis van wat hij vertelt:
Jullie hoeven je niet te schamen voor je geloof.
Zelfs als het soms zwak overkomt op anderen.
Zelfs als jullie je afvragen: wat kunnen wij nou voor een verschil maken?

Want, zegt Paulus: de Joden verlangen naar wonderen,
De Grieken naar wijsheid en mooie woorden.
Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus.
Wij vertellen over een God,
die zich niet aan de wereld laat kennen door zijn kracht,
Maar door zijn zwakheid.
Paulus gebruikt daarvoor een hele mooie zin,
Een zin die blijft hangen:
Het dwaze van God is wijzer dan mensen,
En het zwakke van God is sterker dan mensen.

Het verhaal van het kruis van Jezus kan onbeduidend lijken,
Zelfs onbegrijpelijk: waarom moet een God zijn leven geven?
Waarom kon Hij niet op een andere manier ingrijpen?

Maar aan het kruis laat God juist zien wie Hij is.
Een God die niet bang is om te delen in het lijden van ons mensen.
Die onze angst met ons deelt.
Onze moeiten.
Een God die bereid is zijn leven voor ons te geven.
Om álles op te geven.
Een God die niet alleen machtig is,
Maar die ook is als een liefdevolle Vader.
Een God die bereid is om onze zonde,
de dingen die wij Hem en elkaar aandoen,
Zelf op zijn schouders te nemen.

In de zwakheid, de onbegrijpelijkheid van het kruis,
Wordt juist Gods kracht zichtbaar.

God is een God die door zwakheid laat zien wie Hij is.
En dat geldt ook voor de kerk.
Ook de kerk is in eerste instantie niet bedoeld als een groep mensen die alles goed voor elkaar hebben,
Een groep mensen bij wie nooit iets fout gaat,
Of die nooit ruzie hebben.
Het is een groep mensen die God juist heeft uitgekozen om,
door hun zwakheid heen,
de wereld om hen heen te laten zien wie Hij is.

Ook dat klinkt tegenstrijdig.
Hoe helpt het nou als wij een zwakke indruk maken op de wereld om ons heen?
Het helpt, omdat God ons niet heeft geroepen omdat wij zo wijs zijn,
en verstandig, en alles kunnen,
Maar omdat wij zelf mogen leven uit zijn genade.
Uit zijn liefde en trouw.
Omdat wij met lege handen naar Hem toe mogen komen.
Hij kiest zwakke mensen uit om zijn kracht door ons heen zichtbaar te laten worden.

Want het dwaze van God is wijzer dan mensen,
En het zwakke van God is sterker dan mensen.

Tegelijk houdt deze tekst ook ons een spiegel voor.
Waar richten wij ons op?
En op wie richten wij ons?
Richten wij ons op de goedkeuring van mensen om ons heen?
Of durven wij ook zwak te zijn?
Iets anders te geloven dan de wereld om ons heen?

En wie doet ertoe voor God?
Wij denken vaak:
De mensen met een grote portemonnee,
En met een duidelijke stem.
Die goed voor zichzelf op kunnen komen.

Terwijl God juist uitkiest wie zwak is uit om de wijze te beschamen.

Wist je dat de Protestantse Kerk in Nederland vooral bestaat uit de bovenlaag en de middenlaag van de bevolking?
Het is belangrijk om onszelf de vraag te stellen:
Voelen ook mensen die het minder hebben
Die minder voor zichzelf op kunnen komen,
Zich thuis bij ons?
Juist de mensen op wie wij, misschien toch stiekem, soms neerkijken?
Mensen die wij, om te spreken met Ruttes woorden van afgelopen week,
Soms niet ‘normaal’ vinden?

Want uiteindelijk hebben wij voor God niets waarop we ons kunnen beroemen.
Niets waarmee we kunnen laten zien dat we beter zijn, wijzer zijn,
Of meer kunnen dan een ander.

Onze kracht mag liggen in zwakheid.
In dat we met lege handen bij God durven komen.
Want Paulus schrijft:
Door hem zijn wij één met Jezus Christus,
die dankzij God onze wijsheid is geworden.
Door Jezus Christus worden wij rechtvaardig en heilig,
en door hem worden wij verlost.
Dat is waar we bij het avondmaal bij stil mogen staan.

Onze kracht mag liggen in dat we soms durven zeggen:
we weten niet hoe het moet.
Niet met onszelf, niet met de toekomst van de kerk.
Maar dat we tegelijkertijd hoopvol, en bemoedigd mogen zijn:
Want waar wij zwak durven zijn,
Daar kan juist Gods kracht zichtbaar worden.
Zoals zijn kracht zichtbaar werd aan het kruis.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *