Wegleggen en wachten – zondag der voleinding

Teksten: Psalm 126 en 1 Kor. 15:35-44

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Ik heb iets meegebracht.
Waarschijnlijk kun je het bijna niet zien vanuit de kerk:
Het is een zaadje.

Zaaien is erg bijzonder werk om te doen.
Je haalt wat grond weg.
Je stopt het zaadje erin.
En je doet er weer wat grond overheen.

Het lijkt wel of het zaadje weg is.
Maar als je genoeg geduld hebt,
Dan komt er na een tijd iets uit.

Nu is dit een zaadje voor een bloem.
Maar je hebt hele verschillende zaden.
Je kunt ook een boom planten.
Of voedsel. Graan, bijvoorbeeld.
Een boer zaait graankorrels,
in het vertrouwen dat er op een dag nieuw graan uit zal komen.
Zo’n klein zaadje wordt een nieuwe graanschoof.

In de tijd van de Bijbel was zaaien soms heel moeilijk.
Stel dat de oogst al jaren achter elkaar mislukt was.
Er is nog maar een beetje graan over.
Je stopt dat laatste beetje in de grond,
Maar durft bijna niet te hopen dat er nog wat uit komt.
Je zaait in tranen. Wat als er nou niets gebeurt?
Op dat moment sta je met lege handen.
Zo kan het ook voelen bij een overlijden.
Het is niet moeilijk te begrijpen waarom Paulus zaaien en begraven met elkaar verbindt.
Je doet precies hetzelfde.
Bij begraven wordt er aarde weggehaald en opzij gelegd.
Daarna wordt er een kist neergelaten,
die vervolgens bedekt wordt met aarde.

Zo maak je bij zaaien een geultje in de grond.
Je stopt het zaad erin, om het daarna toe te dekken.
Het zaad is weg.
Iemand is begraven.

Er is niets zo moeilijk aan de dood als afscheid moeten nemen.
Een dierbare vaarwel moeten zeggen.
Degene van wie je hield,
Iemand om wie je veel gaf,
Is er niet meer.

Soms is er nog zoveel dat je zou willen zeggen tegen hem of haar.
Of iets dat je zou willen vragen.
Soms zou je hem of haar nog eens aan willen raken.
Bij je willen hebben.
Maar het kan niet meer.

Dat met de dood onze geliefden weg zijn,
Dat doet pijn.
Alles is anders,
Terwijl het leven gewoon door lijkt te gaan.

Het nieuws interesseert je niet meer.
Alles wat er in de wereld gebeurt, gaat aan je voorbij.
Want die wereld is anders nu zij, of hij, er niet meer is.
Dat is het onmetelijke van de dood.
Hij of zij is er niet meer.
Net als het zaad in de grond verdwijnen onze geliefden in de aarde.

Het leven is anders, want het wordt zo stil.
Hij of zij, die er altijd was als je thuis kwam,
is er niet meer.
De man of vrouw voor wie je zorgde, van wie je hield, is er niet meer.
Je vader of moeder, bij wie je geregeld langs ging,
is er niet meer.
En jij staat voor de opdracht het leven opnieuw uit te vinden.
Het langzaam, stukje bij beetje, weer op te pakken.
Hopend dat je een nieuwe balans zult vinden. (…)

Zaaien lijkt een stom werkje.
Want wat je in de grond stopt, kan je niet eten.
Dat is waar die mooie Psalm, Psalm 126, over gaat.
Want zaaien is verliezen. Zaaien is iets kwijt raken. Iets van jezelf.

Er is een sterke overeenkomst tussen zaaien en begraven.
En Paulus gebruikt die overeenkomst,
om niet alleen iets te zeggen over het begraven,
of cremeren, wat nu soms ook gebeurt,
Maar ook om iets te zeggen over wat daarna komt.
Over het leven na dit leven.

Het is net zoals wanneer je een zaadje in de grond stopt.
Daar blijft het niet bij.
Dat kleine, onooglijke zaadje transformeert in een prachtige bloem.
In een graanschoof.
In een boom.

Niet alleen onze ziel leeft verder,
We zullen ook een nieuw lichaam krijgen, zegt Paulus.
Hij gebruikt het beeld van het zaaien,
om duidelijk te maken dat wij, mensen,
doorleven als we gestorven zijn.
Maar ook om duidelijk te maken dat we er zo weinig van af weten.
Hier hebben we een aards lichaam.
Later, ooit, een geestelijk, een hemels lichaam.
Veel meer dan dat is er niet over te zeggen.

Er zit wel troost in deze gedachte van Paulus.
Je zaait iets en je bent het daarna kwijt. Het is weg.
Maar wat gezaaid is, ontkiemt, wordt anders en mooier.
Er ontstaat een fantastisch mooie plant.

Nu hebben we een lichaam dat sterfelijk en zwak is,
en weinig voorstelt.
Als dat ergens duidelijk is, dan is dat wel bij het graf.
Wij mensen zijn vergankelijk.
We komen en we gaan.
En dat gaan kan zo snel, zo plotseling, zo onverwacht, zo jong zijn.
Het is de realiteit dat het ons allemaal kan overkomen.
Dat we niet meer wakker worden,
dat we niet eens dag kunnen zeggen.
Zo vergankelijk is het leven.
Je staat erbij en kijkt ernaar.
Maar de Bijbel stelt daar ook iets tegenover:
Dat ons lichaam op zal staan.
Dat we een ander lichaam zullen hebben,
een lichaam dat onsterfelijk, krachtig en schitterend is.
Een lichaam waar we ons geen voorstelling bij kunnen maken.

Alles wat hier dood en verderf zaait, zal dan uitgesproken zijn.
Alles zal anders zijn.
En wij proberen dat te geloven:
dat er een tijd komt dat de dood niet meer zal heersen.
Dat het over is met begraven.
Dat God alles nieuw zal maken.
Wat hier gezaaid wordt als een klein, onooglijk zaadje, zal veranderen.
Onze geliefden zullen opstaan en leven.
Wij zullen opstaan en leven.

Wat je begraaft, is zwak, en onaanzienlijk, zegt Paulus.
Vooral als mensen een lang ziekbed hebben gehad.
Soms zelfs zo lang dat je hoopte dat het snel over zou zijn,
dat het niet te lang meer zou duren.
Want het was niet meer dezelfde persoon die daar lag.
Zijn of haar kracht was helemaal weggegaan,
er was niets meer van over.
Slechts nog een schim van wie het was.

Ook dan geldt: wat je zaait, verandert.
De korrel sterft en wordt een prachtige plant.
Een plant die veel meer, veel mooier is
dan dat kleine, onbeduidende korreltje.
Onze geliefden leven verder,
en worden mooier en sterker.
Het zwakke, onaanzienlijke is eraf.
Paulus schrijft dit niet zomaar.
Hij schudt het niet uit zijn mouw.
Voor hem is het doorslaggevende bewijs van dit verhaal
dat Jezus is opgestaan.
Hij zegt: Zoals Jezus is opgestaan en anders was,
zo zullen wij opstaan en anders zijn.

Hij gebruikt die gedachte tegenover elke aanvechting,
dat het maar verhaaltjes en sprookjes zijn.
Dat is de troostende gedachte: Jezus is al opgestaan.
Zijn lichaam was een graankorrel,
en is drie dagen opgeborgen in de aarde.
Hij was niet meer op deze wereld.
Toen stond hij op.
Zijn opstanding mag een bemoediging voor ons zijn, een belofte:
Zoals Hij is opgestaan, mogen ook wij, en onze geliefden,
Op een dag opstaan uit de dood.
Wie in tranen zaaien,
Zullen oogsten met gejuich.

En wij blijven begraven.
Begraven is net als zaaien:
Het is wegleggen, en wachten op de oogst.

Amen.

Gebaseerd op een overdenking in: Pieter Both – Dag zeggen, dolen in rouw

2 gedachten over “Wegleggen en wachten – zondag der voleinding

  1. De zondag voleinding vonden we je woorden al zo mooi en bijzonder, na de begrafenis van onze moeder, oma en overgrootmoeder heeft het ineens een nog veel grotere waarde.
    Dank je wel voor je beeldende uitleg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *