Iedereen is welkom

Vandaag wil ik mijn preek beginnen door jullie een verhaal te vertellen van Max Lucado.

Er waren eens kleine, houten mensjes. Elk houten mensje was gesneden door de houtsnijder Eli. Vanuit zijn werkplaats op de heuvel kon je hun hele dorp overzien.

Elk mensje was anders. Sommigen hadden grote neuzen, andere grote ogen. Sommigen waren lang en anderen juist weer korter. Sommigen van hen droegen hoeden, sommigen jassen. Maar ze waren allemaal gemaakt door dezelfde houtsnijder en ze woonden allemaal in hetzelfde dorp.

En elke dag, de hele dag door deden ze hetzelfde: ze gaven elkaar stickers. Op de straten en de pleinen…..overal kon je zien dat ze sterren en stippen op elkaar aan het plakken waren.

De mooie, kleine, houten mensjes, die met mooie gladde verf, kregen altijd sterren. Maar als het hout ruw was, of de verf afgebladderd, dan kregen ze stippen.

De talentvolle kleine, houten mensjes kregen ook sterren. Sommigen konden grote stokken heel ver boven hun hoofd tillen of over grote blokken springen. Anderen kenden moeilijke woorden of konden heel mooi zingen. Die kregen allemaal sterren.

Maar anderen, die niet zoveel konden kregen stippen.

Punchinello was een van de anderen. Hij probeerde net zo hoog te springen als anderen, maar hij viel altijd. Wanneer hij wilde uitleggen waarom hij gevallen was, dan zei hij iets geks, want hij kwam niet zo goed uit zijn woorden. Dus gaven ze hem nog meer stippen.

Na een poosje had hij zoveel stippen dat hij niet meer naar buiten durfde. Hij was bang om iets doms te doen, zoals zijn hoed vergeten, of in een waterplas trappen. En dan zouden ze hem nog meer stippen geven. Op het laatst had hij zoveel stippen dat men hem er soms, zelfs zonder reden nog een bij op plakten.

“Hij verdient heel veel stippen.” De kleine houten mensjes waren het allemaal met elkaar eens. “Ja, veel stippen, want hij is geen goed klein, houten mensje.”

Na een poosje begon Punchinello het zelf te geloven. “Ik ben geen goed klein, houten mensje”, zei hij. Soms, als hij toch naar buiten ging, hing hij wat rond bij andere kleine, houten mensjes die ook veel stippen hadden. Hij voelde zich bij hun beter op zijn gemak.

Op een dag ontmoette hij een klein, houten mensje zoals hij die nog nooit had gezien. Ze had geen stippen, maar ook geen sterren. Ze was gewoon een klein, houten mensje. Haar naam was Julia. En het was niet zo dat ze haar geen stickers probeerden te geven…..maar ze wilden gewoon niet blijven plakken. Sommigen bewonderden Julia omdat ze geen stippen had en wilden haar juist daarom een ster geven. Maar die viel er gewoon weer af. Sommigen keken op haar neer omdat ze geen sterren had, dus wilden ze haar een stip geven. Maar ook die bleven niet zitten.

“Zo zou ik willen zijn!”, dacht Punchinello. “Ik wil geen stickers meer.” Dus vroeg hij het stickerloze kleine, houten mensje hoe ze dat toch deed.

“Dat is makkelijk”, antwoordde ze. “Ik ga elke dag naar Eli.”

“Eli?”

“Ja, Eli, de houtsnijder. Ik zit vaak samen met hem in zijn werkplaats.

“Waarom?”

“Waarom ga je dat zelf niet uitzoeken? Toe, ga de heuvel op. Hij is er.”

En Julia, het kleine, houten mensje zonder stickers draaide zich om en verdween.

“Maar hij wil me vast niet zien!” schreeuwde Punchinello haar na.
Maar Julia hoorde niets meer. Dus ging Punchinello weer naar huis.
Hij zat voor het raam en keek naar de kleine, houten mensjes die druk bezig waren om stippen en sterren op elkaar te plakken.

“En toch is het niet goed,” murmelde hij in zichzelf. En hij besloot om tóch naar Eli te gaan.

Hij liep het smalle pad op de heuvel op en stapte de grote werkplaats binnen.

Zijn houten ogen werden groot toen hij het formaat van alles zag. De kruk was net zo groot als hij. En als hij helemaal op het puntje van zijn tenen ging staan, dan kon hij nog net over de werkbank kijken. Er was een hamer die zo lang was als zijn arm. Punchinello kon zichzelf horen slikken. “Ik blijf hier geen minuut langer.” Hij draaide zich snel om. Klaar om te vluchten.

Toen hoorde hij zijn naam.

“Punchinello?” De stem was diep en krachtig.

Punchinello stopte.

“Punchinello! Wat fijn om je te zien! Kom eens hier en laat me je eens bekijken.”

Punchinello draaide zich langzaam om en keek recht in het bebaarde gezicht van de grote houtsnijder.

“U kent mijn naam?” zei het kleine, houten mensje.

“Natuurlijk. Ik heb je zelf gemaakt.”

Eli bukte zich, tilde hem op en zette hem op de werkbank.

“Mmm…”, zei de maker terwijl hij de grijze stippen inspecteerde. “Het lijkt erop dat ze je wat lelijke merktekens hebben gegeven.”

“Het was niet mijn bedoeling, Eli. Ik heb echt heel erg mijn best gedaan!”

“Och, lieve kind. Je hoeft tegen mij geen verantwoording af te leggen, hoor. Het kan mij niet schelen wat de andere kleine, houten mensjes van je denken.”

“Nee?!”

“Nee, en het zou jou ook niet moeten schelen. Wie zijn dat, die stippen en sterren geven? Dat zijn kleine, houten mensjes, net als jij. Wat zij denken doet er niet toe, Punchinello. Het enige wat telt is wat ik vind. En ik vind je mooi en speciaal.”

Nu moest Punchinello lachen. “Ik? Speciaal? Waarom? Ik kan niet hard lopen, ik kan niet springen, mijn verf bladdert af. Hoe kunt u mij nou speciaal vinden?”

Eli keek Punchinello aan, terwijl hij zijn handen op de smalle houten schoudertjes legde. “Omdat je van mij bent. Daarom vind ik jou speciaal.”

Nog nooit had iemand op deze manier naar Punchinello gekeken, laat staan zijn maker. Hij wist niet wat te zeggen.

“Ik heb er elke dag op gehoopt dat je zou komen”, legde Eli uit.

“Ik kwam doordat ik iemand ontmoet had zonder stickers.”

“Dat weet ik. Ze heeft me over jou verteld.”

“Waarom blijven de stickers niet op haar zitten?”

“Omdat zij besloten heeft dat het belangrijker is wat ik vind, dan wat anderen van haar vinden. De stickers plakken alleen als jij ze dat toestaat.”

“Huh?”

“De stickers plakken alleen maar als jij ze belangrijk genoeg vindt. Hoe meer je op mijn liefde vertrouwt, hoe minder je om de stickers gaat geven.”

“Ik ben bang dat ik het niet helemaal begrijp.”

“Dat zul je wel, maar dat heeft even tijd nodig. Jij hebt heel veel stickers. Voor nu wil ik graag dat je elke dag even langskomt zodat ik je er aan kan herinneren hoeveel ik om je geef.”

Eli tilde Punchinello van de werkbank en zetten hem terug op de grond.

“En denk eraan”, zei Eli terwijl Punchinello naar de deur liep, “jij bent speciaal omdat ik je gemaakt heb. En ik maak nooit fouten.”

Punchinello stopte niet, maar hij voelde in zijn hart dat Eli het echt meende.
En een stip viel af…….

Ik vind dit zelf altijd een heel mooi verhaal.
Weet je waarom?
Omdat het iets vertelt over hoe God is.
God is namelijk zoals de maker in dit verhaal. Eli.

En wij zijn zoals de mensen die sterren en stippen op elkaar plakken.
Als we iemand leuk vinden, of mooi, of iemand kan iets heel erg goed,
Dan geven we hem of haar een ster.
Maar als we iemand niet zo aardig vinden,
Dan krijgt die al gauw een stip.
Omdat iemand bijvoorbeeld net iets anders is,
Iets anders doet of zegt.

In de tijd van Jezus was dat net zo.
En weet je wat?
Iedereen was verbaasd over Jezus.
Sommige mensen wilden hem een ster geven,
Omdat ze onder de indruk waren van hem.
Anderen vonden hem maar niks,
En wilden hem een stip geven.

Maar Jezus?
Die vond het helemaal niet belangrijk wat de mensen van hem vonden.
De sterren en stippen bleven niet plakken.
Want hij wist dat wat de mensen van hem vonden niet belangrijk was.
Maar de liefde van God, zijn Vader, was voor hem het belangrijkst.
En hij wilde de mensen daarover te vertellen.

En dan, op een dag, willen de mensen kinderen bij Jezus brengen.
Ze hopen dat Jezus ze zegent.
Maar er staan allemaal belangrijke mensen om Jezus heen.
Mensen met veel sterren.
En die zeggen: die kinderen, die zijn niet belangrijk.
Wij hebben veel belangrijkere dingen met Jezus te bespreken!
Eigenlijk geven ze de kinderen een stip.

Maar wat doet Jezus?
Hij zegt: laat die kinderen bij mij komen!
Want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen!

Waarom zegt Jezus dat?
Omdat iedereen voor hem belangrijk is.
Net zoals voor de maker in het verhaal, Eli.
Die is niet alleen de maker van de houten mensjes met sterren,
Maar van alle houten mensjes. Ook die met een stip.
Iedereen is belangrijk voor hem.
Iedereen is welkom bij hem.

Jezus zegt: Gods nieuwe wereld is voor wie is als deze kinderen.
Hij zegt dat, omdat je, als je jong bent,
Nog niet zo bezig bent met stippen plakken.
En dat hoeft ook niet van God.

Hij vindt het veel belangrijker dat je weet dat Hij je kent,
Dat Hij van je houdt,
Hij vindt dat belangrijker dan wat andere mensen van je vinden.
Hij is ook jouw maker.
En de maker van alle mensen.
Hij geeft om ieder mens.

En net zoals Punchinello in het verhaal,
mag je altijd bij hem komen.
Mag je tegen hem praten.
Om er steeds weer aan herinnerd te worden,
Dat wat andere mensen van je vinden, niet belangrijk is.
Of ze je nou mooi, of goed vinden,
Of niet mooi, en niet aardig.

Het belangrijkste is dat God jouw maker is.
Dat Hij van je houdt.
Dan hebben die sterren en stippen niets meer te zeggen over wie jij bent.
Want jij bent welkom bij God.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *