God houdt ons vast

Tekst: Jesaja 43:1-7

De situatie van de Israëlieten was uitzichtloos.
In dat land dat zo ver van hun thuis af lag.
Van Israël, de plek waar ze waren opgegroeid.
Waar ze hun wortels hadden.
Waar ze zich veilig voelden.

Dat thuis was er niet meer.
Jeruzalem was weggevaagd, alleen de ruïnes stonden er nog.
Zij waren weggedreven naar dat verre land, naar Babel,
Om een nieuw bestaan op te bouwen,
in een land met zoveel nieuwe gebruiken.
Met vreemde goden.

Ze waren ontworteld, al tientallen jaren.
Soms dachten de oude mensen, die daar voor hun huizen zaten,
Nog wel terug aan dat land.
Ze dachten aan hoe goed het daar was geweest.
Aan de tempel, en aan de feesten die ze daar vierden voor God.

En dan was er de jongere generatie, die niet eens meer beter wist dan dat ze hier woonden.
Een generatie die hier een bestaan had opgebouwd.
Hun geloof was veranderd.
Niet dat ze niet meer in God geloofden.
Ze hadden juist gemerkt dat God niet alleen in Israël was,
Maar dat Hij ook hier bij ze was.
Dat Hij met ze meeging.
En ze probeerden op deze nieuwe plaats hun geloof een plek te geven in hun leven.
Hun geloof was minder vanzelfsprekend dan daarvoor,
Maar het was wel een deel van hun identiteit.
Misschien waren ze zich er zelfs bewuster van geworden.

Dat is de achtergrond van de woorden van Jesaja die we hebben gelezen.
De profeet Jesaja richt zich tot de mensen die in Babel zijn.
Die daar wachten om weer terug te kunnen naar hun land.

Het gedeelte dat we hebben gelezen, Jesaja 43,
is erg mooi, en erg bemoedigend.
Maar hij begint heel anders.
In het hoofdstuk daarvoor, hoofdstuk 42,
houdt hij de Israëlieten die terugdenken aan hoe goed het was in Israël flink een spiegel voor.
Hij zegt: het was daar lang niet zo goed als jullie denken!

Jesaja vertelt dat God zegt: die situatie waar jullie in zitten,
die hebben jullie aan jezelf te danken.
Jullie zijn het volk dat ik heb uitgekozen. Het volk dat ik liefheb.
Door wie ik mezelf bekend wil maken, aan de mensen om je heen.
Maar jullie luisterden niet naar mij.
Er was onrecht in jullie land.
De rijken werden steeds rijker, en de armen steeds armer.
En steeds opnieuw zetten jullie andere goden op mijn plek.
Bouwden jullie standbeelden voor ze, en altaren.
En ook al heb ik jullie keer op keer gewaarschuwd:
jullie bleven daarmee doorgaan.

En dat heeft ze gebracht waar ze nu zijn, zegt Jesaja.
Daarom heeft God ze in gevangenschap weg laten voeren.
Die profeten uit het oude Israël waren niet bang om dingen scherp neer te zetten!
Als je alleen hoofdstuk 42 had gelezen,
zou je bijna verwachten dat God zou zeggen:
Blijf maar in die ballingschap.
Ik laat jullie aan je lot over.
Ik zoek wel een ander volk uit.

Maar in plaats daarvan komt er iets onverwachts:
Jesaja spreekt die woorden die we met elkaar hebben gelezen:

Israël, wees niet bang, want ik heb je vrijgekocht,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je.
Door rivieren? Je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
De vlammen zullen je niet verschroeien.

Want Ik, de Heer, ben je God.
De Heilige van Israël. Je Redder.

Wat God hier tegen Israël zegt is overweldigend.
De Israëlieten mogen dan in de ballingschap zijn,
ze zijn ver van huis, ze moeten een vreemde taal spreken,
ze worden overheerst door anderen,
en ze mogen dat dan aan zichzelf te danken hebben:
God heeft ze niet losgelaten. Hij is bij ze.
Zelfs door water en door vuur.
Zelfs al hebben ze het niet verdiend, Hij geeft zijn grenzeloze liefde.

En Hij doet een belofte, iets wat ze bijna niet meer durven te hopen.
Hij zegt: ik haal jullie uit deze ballingschap.
Je moet je voorstellen: hun thuisland lag in puin.
De tempel in Jeruzalem en de muren van de stad zijn verwoest, al 70 jaar geleden.
Daar is dus bijna niets meer van over.
Ze zijn alle kanten op verspreid.
En toch zegt God: ik zal jullie weer bij elkaar brengen.
Vanuit Egypte, vanuit Babylon.
Vanuit alle plaatsen waar jullie heen zijn gevlucht,
of in gevangenschap heen zijn gebracht.

En hij zegt: kijk goed, Israël.
Als jullie zien dat deze profetie vervuld wordt,
laat dat dan ook een les voor jullie zijn.
Er zijn zoveel andere goden, andere dingen waar jullie je vertrouwen op stellen.
Maar ik ben de enige echte God.
De enige die jullie echt redding kan brengen.
Ik ben werkelijk God, en ik blijf wie ik ben.

Vanmorgen klinken diezelfde woorden tijdens deze doopdienst.
Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent van mij.
Waarom zijn dat juist bij een doopdienst zulke mooie woorden?
Omdat ze iets vertellen over Gods trouw.
Over Gods liefde voor ons mensen.
Deze woorden hebben ontzettend veel betekenis,
juist in een tijd, waarin geloven niet meer vanzelfsprekend is.
Waarin gelovig opgroeien misschien wel een beetje vergelijkbaar is
met opgroeien tijdens de ballingschap.
Waarin zekerheden zijn weggevallen,
En je zelf je eigen identiteit vorm moet geven,
Soms tegen de stroom in.
Waarin geloven een bewuste keuze is geworden.
De doop vertelt ons over onze verbondenheid met Jezus Christus.
En door Hem met de God die hemel en aarde heeft gemaakt.
Het herinnert ons eraan dat we er niet alleen voor staan.
Het helpt ons herinneren dat God ons leven vasthoudt.
Dat Hij dichtbij is, ook op momenten dat we dat niet zo merken.

En daarom mag de doop een bemoediging voor ons zijn.
Want het vertelt ons dat wij net zo door God geliefd zijn als het volk Israël.
Zo geliefd, dat Hij zelfs zijn zoon Jezus voor ons gaf.
Jezus maakte dat deze woorden, die aan Israël gericht zijn,
nu ook voor ons allemaal gelden.
Die woorden: je bent kostbaar in mijn ogen. Je bent waardevol.
Want ik heb alles voor jou gegeven.

Die woorden mogen een houvast voor ons zijn.
Aan die woorden vasthouden is krachtiger dan steeds terugkijken naar wat we zijn kwijtgeraakt.
Net zoals in de ballingschap is het voor ons ook niet goed om alleen maar terug te kijken naar hoe het was.
Om het verleden te verheerlijken, alsof toen alles goed was.
In plaats daarvan mogen we ons geloof leven in de wereld zoals die nu is.
En weten dat God ons daarbij wil helpen.
Dat Hij zegt: ik laat jullie niet los.

God is nog steeds dezelfde als in de tijd van Jesaja.
Hij is een God die zich aan ons verbindt.
Ook als wij dat niet zouden laten merken,
hem daar niets voor terug zouden geven,
blijft Hij om ons geven.

En vanmorgen mogen we vieren dat ook Jarne een kind van deze God mag zijn.
God verbindt zich aan hem. Hij gaat met Jarne mee.
Ook door de rivieren, en door het vuur, zal God hem niet loslaten.

Dat je als ouders je kind laat dopen,
Betekent dat je als ouders accepteert, en aan de wereld laat zien,
dat je dit kind als een kind van God wilt ontvangen.
Je hoopt dat je kind als hij opgroeit zelf God leert kennen.
Zich gedragen mag weten door Gods liefde en nabijheid.
Ook als het vuur en het water komen.
Dat rivieren hem niet zullen overstromen,
want hij weet: ik ben Gods geliefde kind.
En dat hij gedoopt mag hem daaraan herinneren,
net zoals zijn doop vandaag ons mag herinneren dat wij kinderen zijn van God.
Dat we deel uit mogen maken van Zijn verbond,
Dat hij aanging met Abraham, en Israël, en in Jezus ook met ons.
Daarom is de doop een teken, voor onszelf, en naar de wereld toe:
wij geloven, wij vertrouwen op God.
Op de belofte dat Hij ons, en deze wereld, niet los zal laten.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *