Wat vraagt God van mij?

Teksten: Mattheüs 19:16-26; Filippenzen 2:5-11

We leven in een bewogen tijd.
Een tijd waarin we niet zo goed raad weten met onszelf.
Want als je de televisie aanzet,
dan zie je beelden van duizenden vluchtelingen,
die gedreven door erg slechte omstandigheden,
en door hoop op een beter leven Europa binnenkomen.
Het maakt dat we ons machteloos voelen.
En ook regeringen weten er geen raad mee.
Moeten de grenzen open?
Moeten we meer vluchtelingen opvangen?
Of moeten de grenzen juist dicht, zoals in Hongarije?
Omdat we ze niet allemaal kúnnen opvangen?
Want als we al die mensen toelaten,
Dan gaat dat misschien wel drukken op onze verzorgingsstaat.
Wat is dan het juiste om te doen, als overheid?

En als je naar jezelf kijkt, dan vraag je je misschien af:
is er niets méér dat we kunnen doen?

Door de vele vluchtelingen in Europa komt dit probleem nu dichterbij.
Maar eigenlijk speelt het altijd op de achtergrond,
als we iets ergs zien gebeuren, ver weg of dichtbij.
Het gevoel van: zou ik niets kunnen of moeten doen?
En zo ja, wat dan?
Wat is het juiste om te doen?

Ook Jezus kreeg die vraag voorgeschoteld.
Hij en zijn leerlingen waren onderweg van Galilea naar Judea,
en ze werden gevolgd door een grote groep mensen.
Mensen die ziek waren, en die hoopten dat Jezus ze zou genezen.
Mensen die Jezus op de proef wilden stellen,
hem met woorden in de val wilden laten lopen.
En mensen die geboeid waren geraakt door Jezus.
Die dachten: die man, die heeft wel wat te zeggen.

Eén van die laatsten was een jonge man.
Je zag aan zijn kleren dat hij het niet slecht had.
Hij was opgegroeid in een redelijk rijk gezin,
hij had nooit iets tekort gehad.
Hij had Jezus horen praten, en hij dacht:
er is iets met die man.
Die roept niet zomaar wat, hij zegt rake dingen.
Hij weet zoveel te vertellen over God,
en over de Thora, de Joodse wet.
En de dingen die hij zegt zijn niet saai of droog,
maar gaan echt over dit leven.

De jongen had zelf ook een vraag voor Jezus.
Hij probeerde om zijn leven in te richten volgens de wet van God.
Hij deed daar echt zijn best voor.
Maar toch had hij het gevoel dat er iets miste.
En daarom ging hij naar Jezus toe, en hij vroeg hem:
meester, hoe kan ik het eeuwige leven krijgen?
Wat voor goeds moet ik daarvoor doen?

Zijn vraag lijkt wel een beetje op onze vraag.
Hoe kun je goed leven? Wat moet je daarvoor doen?

Ik denk dat hij Jezus’ reactie in eerste instantie een beetje teleurstellend vond.
Want Jezus gaf niet direct antwoord.
Hij zei: waarom vraag je mij naar het goede?
Er is er één die goed is: God.
En je weet wat hij van je verlangt.
Want dat staat geschreven in de geboden die hij je heeft gegeven.

Soms kan je afvragen wat goed is een dekmantel zijn om niets te doen. Eigenlijk zegt Jezus hier tegen de jongen:
je vraagt je af wat goed is,
maar eigenlijk, diep van binnen, weet je dat allang.
Je stelt die vraag alleen maar om dat van je af te schuiven.
Om er niets mee te hoeven doen.
Als je daarover na gaat denken, dat is dat best confronterend.
Eigenlijk is je afvragen wat goed is,
de makkelijkste weg om het probleem van je af te schuiven.
Jezus zegt tegen de jongen: je kent de geboden toch?
Dan weet je wat goed is.

Maar de jongen begrijpt Jezus nog niet helemaal.
De geboden? Dat zijn er zoveel.
Welke bedoelt u precies?, vraagt hij aan Jezus.
Kan hij niet wat specifieker zijn?

‘Deze,’ antwoordde Jezus:
‘pleeg geen moord, pleeg geen overspel,
steel niet, lieg niet tegen een ander,
toon eerbied voor je vader en moeder,
en ook: heb je naaste lief als jezelf.’

De jongen zegt: ik houd me aan die geboden.
Daar doe ik echt mijn best voor.
En toch… toch blijf ik het gevoel houden dat er iets mist.
Dat ik nog meer zou moeten doen.
Maar wat kán ik nog meer doen?

Vaak wordt er gezegd dat Jezus die geboden opnoemde om de jongen te confronteren,
dat hij zich eigenlijk niet aan de geboden hield.
Maar ik denk dat Jezus hem geloofde.
Dat de jongen dit oprecht zei.
Hij deed echt zijn best om met God te leven.
Maar hij bleef het idee hebben dat er iets ontbrak.

En dan kijkt Jezus hem vol liefde aan,
en zegt hij één van de moeilijkste dingen die hij ooit tegen iemand gezegd heeft:
één ding ontbreekt je nog.
Als je volmaakt wilt zijn,
verkoop dan alles wat je hebt,
en volg mij.

Hoe kan Jezus dit tegen de jongen zeggen?
Is het niet veel teveel gevraagd?
Het zou zijn hele leven op zijn kop zetten.
Het lijkt bijna een onmogelijke opdracht, of misschien ís het dat ook wel.
Jezus zegt het uit liefde.
Er hangt de jongen geen straf boven het hoofd als hij het niet doet.
Maar hij krijgt wel een eerlijk antwoord van Jezus op zijn vraag,
over wat wél het juiste is om te doen.
Als hij volmaakt wil zijn,
moet hij alles achter zich laten en Jezus volgen.
Hoe zit dat voor ons?
Weten wij altijd wat God van ons vraagt?
In het begin van de preek noemde ik de vluchtelingen die naar Europa en naar ons land trekken als voorbeeld.
Wat is een goede manier om daarmee om te gaan?
Moeten we ze allemaal opnemen?
Als je naar de radio en naar de TV luistert hoor je daar veel bezwaren tegen.
Waar en hoe moeten ze opgevangen worden?
Drukt het niet teveel op onze verzorgingsstaat?
Of op de werkgelegenheid?
En hoe zit het met een andere angst die je veel hoort op TV,
dat er zoveel moslims naar ons land komen?

Maar eerlijk gezegd, denk ik, dat als je het aan Jezus zou vragen,
hij zou zeggen: je weet wel wat goed is.
Wat het juiste is om te doen.
Wij noemen onszelf ook volgelingen van Jezus.
En Jezus volgen, dat is proberen om te zijn zoals Hij.

Ik wil namelijk eens op een hele andere manier met jullie naar deze tekst kijken.
Namelijk niet vanuit wat Jezus hier van die jongen vraagt, of van óns,
of vanuit wat wij zouden moeten doen.
Maar vanuit wie Hij is, en wat Hij voor ons heeft gedaan.

We hebben gelezen uit de brief van Paulus aan de Filippenzen.
Paulus roept de mensen uit de gemeente in Filippi op om zichzelf niet boven een ander te plaatsen, maar om nederig te zijn.
Om te zijn zoals Jezus was.
Want, zegt hij: in gestalte was Jezus aan God gelijk.
Hij is de zoon van God, en was net zoals God.
Maar Jezus deed daar afstand van.
Hij koos ervoor om mens te worden.
Om alles wat hij had, en wie hij was, af te leggen voor ons.
Hij hoefde dat niet te doen, maar toch deed hij het.
Hij werd geboren in een klein plaatsje in Israël,
als de zoon van een arme timmerman en zijn vrouw.
Hij leefde onder de mensen.
Hij troostte ze, bemoedigde ze.
Hij genas mensen, en leed met ze.
Hij vertelde ze over Gods liefde, en over zijn Koninkrijk.
En uiteindelijk gaf hij zelfs zijn leven voor hen. Voor ons.

Als je het goed bekijkt heeft Jezus zelf gedaan wat hij van de rijke jonge man vroeg.
Met alles wie hij is zegt Jezus tegen ons:
alles wat van mij is, is van jou.
Hij laat ons delen in zijn rijkdom.

Dat is om stil van te worden,
dat de God die alles gemaakt heeft, dat Hij dat voor ons overheeft…

Als je volmaakt wilt zijn,
verkoop dan alles wat je hebt,
en volg mij.
Wat Jezus hier van de jongen vraagt, is om te worden zoals Hij.
Om alles achter te laten en Hem te volgen.

Als je dit leest, of hoort, dan komt vanzelf de vraag bij je op:
wat vraagt Jezus dan van ons, van mij?
Moet ik, net zoals de rijke jongen,
alles weggeven wat ik heb?

Daar gaat het hier volgens mij in eerste instantie niet om.
Het weggeven van het bezit van de jongen is een weg, een manier,
maar het doel is het volgen van Jezus.
Als wij aan Jezus vragen wat het goede is,
dan zegt hij: volg mij. Wees als mij.
Deel van wat je hebt aan wie dat nodig heeft,
of dat nou met geld is, of met tijd,
of op een andere manier.
Hoe, dat is voor iedereen verschillend.
We zijn allemaal mensen die Jezus willen volgen,
maar we zijn niet allemaal hetzelfde.

Jezus volgen betekent niet in de eerste plaats dat je een heroïsche daad moet doen,
zoals alles weggeven wat je hebt, of naar een ver land gaan.
Het is juist volharding in het dagelijks leven.
Je daar aan Gods geboden houden.
Daar Jezus navolgen.
En dat hoef je niet te doen uit schuldgevoel,
Maar omdat je weet wat hij voor jou gedaan heeft.
Hoeveel hij om jou geeft, en om de mensen die je tegenkomt.
Ook om de vluchtelingen, die nu ons land binnenkomen.
Ook om je buren, die het financieel moeilijk hebben.
Om iemand die eenzaam is.
Om iemand die het nodig heeft om te horen dat er een God is die van hem of haar houdt.

En toch: dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Wij zijn nog lang niet zoals Jezus.
Misschien zijn wij meer zoals die rijke jongen.
Na Jezus’ antwoord gehoord te hebben, druipt hij bedroefd af.
De jongen wil graag met God leven. ->
Maar hij kan niet voldoen aan wat Jezus van hem vraagt.
Dat is teveel. Want Jezus vraagt alles van hem.
Dat hij niet alleen op bepaalde gebieden van zijn leven,
maar in alles hem achterna gaat. Met alles wie hij is.
En dat kan hij niet opbrengen.
En Jezus verzucht: wat is het moeilijk voor iemand die rijk is,
om in het Koninkrijk van God te komen…

Jezus’ leerlingen schrikken, en ze vragen ook Jezus:
wie kan er dan nog gered worden?

Gelukkig eindigt het verhaal daar niet.
Want Jezus zegt: wat voor mensen onmogelijk is, is mogelijk voor God.
God weet dat het voor ons onmogelijk is om te worden zoals Hij.
Als we aan hem vragen wat we moeten doen om volmaakt te zijn,
zegt hij: volg mij. Met vallen en opstaan.
Ook al ben je er nog lang niet.
Als je dat probeert, dan zal ik jou steeds meer veranderen,
je steeds meer aan mij gelijk maken.

En als we aan hem vragen wat we moeten doen om het eeuwige leven te krijgen, dan zegt hij:
daar hoef je niets meer voor te doen.
Dat heb ik al voor je gedaan.
Ik heb alles voor jou gegeven, omdat ik je liefhad.
Alles wat van mij is, is van jou.
Want jij bent mijn kind.

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *