Durf je te verwonderen over God

Tekst: Handelingen 3:1-13 en 4:1-4

Aser weet het nog goed.
Het was een uur of half drie in de middag,
een aantal dagen na het oogstfeest.
De laatste dagen gonsde het van de mensen in Jeruzalem.
Ze waren allemaal naar de stad gekomen voor het feest,
al begon het inmiddels al wat rustiger te worden.
Aser was onderweg naar de tempel voor het middaggebed.
Als iemand van zijn positie, een sadduceeër,
hoorde je daar naartoe te gaan.
Veel mensen gingen alleen maar omdat het moest,
maar hij deed het graag.
De tempel was voor hem de plek waar hij God kon ontmoeten,
en waar hij zijn gedachten op een rijtje kon zetten.
Jammer dat het er soms zo druk kon zijn,
maar aan de andere kant vond hij dat ook weer mooi:
dat zoveel Israëlieten op deze plek samenkomen om God te aanbidden.

Onderweg gingen zijn gedachten naar de dingen die hij afgelopen dagen had gehoord.
Dingen waarvan hij niet zo goed wist wat hij ermee moest.
Een goede vriend van hem was bij hem gekomen.
Hij zei: weet je nog, met Pesach, dat die man gekruisigd is?
Ja, dat wist hij nog wel. Het was een chaos geweest in de stad.
Wat is er met hem?, vroeg Aser.
Nou, zei zijn vriend, ik heb gehoord, dat zijn leerlingen vertellen,
dat hij is opgestaan uit de dood.
“Och, laat ze lekker”, zei Aser tegen zijn vriend.
“Er is toch niemand die ze gelooft”.
Maar de dagen daarna bleef het gerucht rondgaan,
dat die man uit de dood was opgestaan.
En er bleken best véél mensen te zijn die het geloofden.
Aser wist niet zo goed wat hij ervan moest denken.
Zelfs zijn vriend bleek er best wel in geïnteresseerd te zijn.
Die was bij een toespraak gaan kijken van zo’n man, Petrus.

Ondertussen was hij aangekomen bij de tempel.
Hij ging door de grote buitenpoort naar binnen,
naar het deel waar iedereen mocht komen, ook niet-Joden.
Vandaar liep hij naar de tweede poort,
waar alleen Joodse mensen naar binnen mochten gaan.
De ‘mooie’ poort, noemden ze die.
En mooi was hij zeker.
Hij was helemaal van brons gemaakt,
niet alleen de buitenste laag,
maar ook van binnen,
en hij was enorm indrukwekkend om te zien.

Aser keek omhoog, naar de versieringen op de poort.
Hij zag bijna de man niet die daar zat.
Tot hij hem in zijn ooghoek opmerkte.
Hij kende deze man, die zat er al jaren.
Eigenlijk al zolang als Aser zich kon herinneren.
Hij zat daar omdat hij verlamd was, hij kon zijn benen niet bewegen.
Aser had medelijden met hem.
Hij moest daar maar zitten, dag in, dag uit, en bedelen om geld.
Zijn familie bracht hem daar naartoe.
Hij zocht naar wat geld in zijn binnenzak.
“Alsjeblieft”, zei hij tegen de man.
“Dank u wel, de Heer zegene u”, zei die tegen hem.

Aser liep wat verder.
Eén van de mannen die achter hem liepen begon ook met de verlamde man te praten.
“Kijk me aan”, zei hij tegen de verlamde man.
“Ik heb geen geld.
Maar ik heb wel iets anders dat ik je kan geven.
In de naam van Jezus Christus van Nazaret: sta op en loop.”
Met een ruk draaide Aser zich om. Wat gebeurde hier?
Hij zag die vreemde man de verlamde man een hand geven,
en hem overeind helpen.
Maar dat kon toch niet?
De verlamde man leek het zelf ook niet te geloven.
Hij bleef op die andere man steunen,
ook al kon je zien dat dat niet nodig was.
Hij kon weer lopen. Hoe kan dit?

De man die de verlamde man overeind had geholpen,
begon te spreken.
“Waarom kijken jullie zo naar ons?
Wij hebben dit echt niet zelf gedaan.
Dit heeft God gedaan.
De God van Abraham, Isaäk, en Jakob.
De God van onze voorouders.
De God van Jezus, die door jullie is gedood,
maar die God uit de dood heeft doen opstaan.”
De man sprak nog een tijdje door,
over hoe de komst van deze Jezus was voorspeld in de Schriften,
hoe zijn komst de vervulling was van de belofte,
die God aan Abraham gedaan had:
dat in zijn naam alle volken gezegend zouden worden.

Ineens hoorde hij een bekende stem roepen:
“leugens, allemaal leugens!”
Hij zag een aantal andere sadduceeërs komen,
mensen die hij kende, met soldaten erbij.
Die soldaten waren al in de buurt geweest,
er waren vaker relletjes in de tempel.
Ze namen deze mensen mee,
de twee vreemde mannen, en de man die verlamd was geweest.
Zonder te protesteren gingen die met hen mee.

Aser was er stil van.
Hij was een beetje verward,
maar op de een of andere manier voelde hij zich van binnen heel licht.
Hij wist gewoon dat deze mannen de waarheid spraken.
Hoe, dat wist hij niet.
Hij had het met eigen ogen gezien, toch?
Dat die verlamde man weer kon lopen?
En in zijn hart dankte hij God ervoor.
Gauw ging hij richting huis, om zijn vriend te zoeken,
en te vertellen wat hij had gezien.

Aser heeft natuurlijk niet echt bestaan.
Maar sadduceeërs wel.
En in dit Bijbelverhaal nemen ze een belangrijke rol in.
Wie waren die sadduceeërs?
Ik denk dat ze wel leken op hoe veel mensen in deze tijd in het leven staan.
Misschien wijzelf ook wel.

Sadduceeërs waren nuchtere mensen,
die het leven hier en nu belangrijk vonden.
Je moet het beste maken van het leven dat je hebt gekregen.
Ze hadden vaak hoge posities,
en werkten samen met de Romeinen.
Niet zoals de andere Israëlieten,
die de Romeinen bleven zien als hun bezetters,
en die bleven hopen op de bevrijding van Israël.

Ik denk dat veel sadduceeërs zichzelf zagen als realisten.
Sadduceeërs geloofden wel in God,
maar in hun geloof was er weinig ruimte voor wonderen.
En de meeste sadduceeërs geloofden niet in een leven na de dood.
Daarover waren ze steeds aan het ruziën met een andere groep,
de farizeeërs.
Laat staan dat ze geloofden dat iemand, bijvoorbeeld Jezus,
uit de dood kon worden opgewekt!

Ook in deze tijd hebben mensen daar vaak moeite mee.
Geloven in een God, okee, dat begrijpen veel mensen nog wel.
Daar kun je kracht en troost uit halen.
Maar een God die wonderen doet,
of iemand die opstaat uit de dood?
Daar kun je toch niet meer in geloven, als 21e-eeuwer?
Dat lijken in elk geval veel mensen te denken.

Scepsis tegenover dingen als wonderen iets dus niet alleen iets van deze tijd.
Ook in de tijd van de Bijbel kwam het al voor.
Ook de leerlingen van Jezus moesten daarmee om zien te gaan.

Maar als sadduceeërs niet in wonderen geloofden,
waarom heb ik jullie dan een verhaal verteld over een sadduceeër,
die wel geraakt wordt door wat hij ziet,
en door wat Petrus en Johannes vertellen?
Omdat Aser een beetje vergelijkbaar is met ons.
Hij weet het ook allemaal niet zeker.
Hij wordt heen en weer geschud tussen twee werelden.
Die van de sadduceeërs, die niet in wonderen geloofden,
En tussen wat hij daar zag gebeuren, in de tempel.
En wat Aser misschien wel anders maakt dan de andere sadduceeërs,
Is dat hij niet van tevoren zegt: dat kan niet.
Maar hij durfde zich te laten verwonderen,
door wat hij zag en hoorde.

Het Bijbelboek Handelingen is een wonderlijk boek.
Het staat vol met hele bijzondere dingen.
Over Pinksteren,
als de leerlingen van Jezus de Heilige Geest ontvangen,
en in verschillende talen de mensen in Jeruzalem vertellen
over wat God voor ze gedaan heeft,
en over dat Jezus, die gekruisigd is,
niet meer dood is, maar leeft!

In Handelingen staat ook dit verhaal,
over een man die al meer dan veertig jaar verlamd is geweest,
en die wordt genezen door Petrus en Johannes.
In Handelingen staat hoe de kerk in het begin bleef groeien, zelfs al was er zoveel tegenstand.
Er staat hoe Petrus door een engel uit de gevangenis wordt bevrijd.
En er staan nog veel meer wonderlijke verhalen in.

Misschien is het boek Handelingen soms wel té wonderlijk voor ons.
Het staat zo ver af van hoe wij het zelf beleven om kerk te zijn.
Wat moeten we dan met dit boek?
Moeten wij proberen ook zo te worden als Petrus en Johannes en de andere apostelen?
Zouden er in onze kerk ook zulke wonderen moeten plaatsvinden?

Misschien moet je, als je het boek Handelingen leest,
een beetje om de wonderen heen lezen.
Niet omdat ze niet gebeurd zijn,
maar Handelingen gaat niet alleen om die wonderen.
Het gaat in eerste instantie om iets anders.
Het gaat over de apostelen, de leerlingen van Jezus,
en met hen heel veel andere mensen om hen heen,
die door God verwonderd raken.
Zoals Aser in dit verhaal verwonderd raakte.
Het gaat niet alleen over hele bijzondere mensen,
die hele bijzondere dingen doen.
Maar het gaat juist ook over kleine mensen,
die zich verwonderen over wat ze horen over Jezus,
over zijn liefde voor hen,
die zo ver ging dat hij zijn leven voor ze gaf.
Over dat Hij is opgestaan uit de dood.
En over dat degenen die hem volgden,
merkten dat God bij ze was, en door hen heen werkte.
Juist door hèn!

Want wij kijken best wel op tegen iemand als Petrus,
die zo’n toespraak durft te houden in de tempel,
en die tegen de verlamde man durft te zeggen: sta op en loop.
Maar eigenlijk is Petrus niet zo anders als jij en ik.

Hij is ook een mens, iemand met een grote mond,
maar als het erop aankomt met een klein geloof.
Een geloof als een mosterdzaadje.
En God kiest juist iemand als Petrus uit om Zijn naam bekend te maken in Jeruzalem.
Een gewone visser, uit Galilea.

Dat is waar Handelingen over gaat.
Niet alleen over de bijzondere dingen die er gebeurden,
maar over gewone mensen, zoals jij en ik,
die merkten dat God bij ze was.
En over andere mensen die dat aan hèn merkten,
die zich door hen lieten verwonderen.
Ze zagen aan de apostelen, aan Petrus en Johannes en de anderen,
dat er iets met ze was.
Dat er iets anders aan hen was.
En ze dachten: dat willen wij ook!

Het boek Handelingen is geen blauwdruk voor hoe de kerk nu zou moeten zijn.
Wij moeten niet precies net zo doen als de apostelen,
en onze kerk is niet zoals de kerk in die tijd.
Wij zijn kerk in een andere cultuur, met andere uitdagingen.
Als je nu in het centrum van Zwolle zou gaan staan,
en toespraken zou gaan houden over God, zoals Petrus deed,
zouden mensen je vreemd aankijken.

Maar Handelingen stelt ons wel voor de vraag hoe wij God in deze tijd door ons heen zien werken.
Hoe Hij aanwezig is in ons eigen leven, en in onze kerk.
In de levens van de mensen om ons heen.

Ik denk dat als je daar aandachtig naar gaat kijken,
en naar elkaars verhalen gaat luisteren,
dat God veel meer doet dan wij vaak beseffen.
Dat onze kerk meer lijkt op de kerk in Handelingen dan wij vaak denken.

Bijvoorbeeld als iemand die niks heeft met God,
toch op de een of andere manier bij de kerk betrokken raakt.
Pas vertelde een predikant me dat een man en een vrouw bij hem belijdenis gingen doen.
Zij hadden geen kerkelijke achtergrond, en ze waren bij de kerk terechtgekomen door een vriend die zelf ook niet geloofde.
Of iemand die ik sprak bij een Alphacursus.
Zij vertelde me dat ze vroeger wel naar de kerk was gegaan,
Maar dat ze heel veel had meegemaakt in haar leven,
Waardoor ze was afgehaakt.
Toen ze ook in financiële nood kwam,
Bezocht ze de voedselbank van de kerk.
En daar werd ze zo geraakt door de warmte die ze daar ontving,
Dat ze haar geloof weer oppakte.

Door zulke verhalen zie je dat God ook nu nog in de levens van mensen aan het werk is.
En dat Hij dat vaak op een hele andere manier doet dan wij zouden verwachten.

Maar ook in ons eigen leven is God aanwezig.
Bijvoorbeeld doordat Hij je kracht geeft om door te gaan,
op een moeilijk moment in je leven.
Of je bemoedigt, door een tekst, of een lied,
of door mensen om je heen.
En ook door jou heen wil Hij aanwezig zijn in de levens van anderen.

God is niet afhankelijk van ons.
Hij heeft ons niet nodig.
Maar Hij wil wel door ons heen werken.
Wij mogen, persoonlijk en als kerk,
instrumenten zijn in zijn hand.

Je hoeft daar niet foutloos te zijn, of slim, of rijk,
en je hoeft ook niet een heel groot geloof te hebben.
Juist door kleine mensen heen, door ons heen,
wil God zichzelf in onze omgeving bekend maken.
Hij wil in ons leven en in onze kerk aanwezig zijn.
Zodat andere mensen zich gaan afvragen:
Er is iets met deze mensen. Wat zou dat zijn?
Ik wil daar meer over weten!

En daarbij mogen wij onszelf ook steeds weer blijven verwonderen over God.
Die dingen doet die wij niet zouden verwachten.
Die ons bemoedigt, of ons kracht geeft,
op manieren die we zelf niet zouden bedenken.
Hij belooft je: ik ben bij je, alle dagen,
tot aan de voltooiing van de wereld.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *