Aser de Sadduceeër

Handelingen 3
De genezing van de verlamde man, uit de serie ‘The Bible’

Aser weet het nog goed. Het was een uur of half drie in de middag, een aantal dagen na het oogstfeest. De laatste dagen gonsde het van de mensen om hem heen, die allemaal naar Jeruzalem waren gekomen voor het feest, al begon het inmiddels al wat rustiger te worden. Hij was onderweg naar de tempel voor het middaggebed. Als iemand van zijn positie, een sadduceeër, hoorde je daar naartoe te gaan, en veel gingen ook alleen maar omdat het moest. Maar hij deed het graag. De tempel was voor hem de plek waar hij God kon ontmoetten, en waar hij zijn gedachten op een rijtje kon zetten. Jammer dat het er soms zo druk kon zijn, maar aan de andere kant vond hij dat ook weer mooi: dat zoveel Israëlieten samen op die plek God aanbidden.

Onderweg gingen zijn gedachten naar de dingen die hij afgelopen dagen had gehoord. Dingen waarvan hij niet zo goed wist wat hij ermee moest. Een goede vriend van hem was bij hem gekomen. Hij zei: weet je nog, met Pesach, dat die man gekruisigd is? Die man die zei dat hij de messias is? Ja, dat wist hij nog wel. Het was een chaos geweest in de stad. Wat is er met hem?, vroeg Aser. Nou, zei zijn vriend, ik heb gehoord dat zijn leerlingen vertellen dat hij is opgestaan uit de dood. “Och, laat ze lekker”, zei Aser tegen zijn vriend. Er is toch niemand die ze gelooft.

Maar de dagen daarna bleef het gerucht rondgaan dat de man uit de dood was opgestaan. En er bleken best veel mensen te zijn die het geloofden. Aser wist niet zo goed wat hij ervan moest denken. Zelfs zijn vriend bleek er best wel in geïnteresseerd te zijn. Die was bij een toespraak gaan kijken van zo’n man, Petrus.

Ondertussen kwam Aser aan bij de tempel. Hij ging door de grote buitenpoort naar binnen, naar het deel waar iedereen mocht komen, ook niet-Joden. Vandaar liep hij naar de tweede poort, waar alleen Joodse mensen naar binnen mochten gaan. De ‘mooie’ poort, noemden ze die. En mooi was hij zeker. Hij was helemaal van brons gemaakt, niet alleen de buitenste laag, maar ook van binnen, en hij was enorm indrukwekkend om te zien. Aser keek omhoog, naar de versieringen op de poort. Hij zag bijna de man niet die daar zat. Tot hij hem in zijn ooghoek opmerkte. Hij kende deze man, die zat er al jaren. Eigenlijk al zolang als Aser zich kon herinneren. Hij zat daar omdat hij verlamd was, hij kon zijn benen niet bewegen. Aser had medelijden met hem. Hij moest daar maar zitten, dag in, dag uit, en bedelen om geld. Zijn familie bracht hem daar naartoe. Hij zocht naar wat geld in zijn binnenzak. Alsjeblieft, zei hij tegen de man. Dank u wel, de Heer zegene u, zei de man.

Aser wilde verder lopen, en hoorde de man die achter hem liep ook met de verlamde man praten. Kijk me aan, zei diegene tegen de verlamde man. Ik heb geen geld. Maar ik heb wel iets anders dat ik je kan geven. In de naam van Jezus Christus van Nazaret: sta op en loop. Met een ruk draaide Aser zich om. Wat gebeurde hier? Hij zag die vreemde man de verlamde man een hand geven, en hem overeind helpen. Maar dat kon toch niet? De verlamde man leek het zelf ook niet te geloven. Hij bleef op die andere man steunen, ook al kon je zien dat dat niet nodig was. Hij kon weer lopen. Hoe kan dit?

De man die de verlamde man overeind had geholpen, begon te spreken. Waarom kijken jullie zo naar ons? Wij hebben dit echt niet zelf gedaan. Dit heeft God gedaan. De God van Abraham, Isaäk, en Jakob. De God van onze voorouders. De God van Jezus, die door jullie is gedood, maar die God uit de dood heeft doen opstaan. De man sprak nog een tijdje door, over hoe de komst van deze Jezus was voorspeld in het Oude Testament, hoe zijn komst de vervulling was van de belofte die aan Abraham gedaan was. Dat in zijn naam alle volken gezegend zouden worden. Ineens hoorde hij een bekende stem roepen: leugens, allemaal leugens! Hij zag een aantal andere sadduceeërs komen, met soldaten erbij. Ze namen deze mensen mee, de twee vreemde mannen, en de man die verlamd was geweest. Zonder te protesteren gingen ze met hen mee.

‘Hoe kan dit?’

Aser was er stil van. Maar van binnen voelde hij zich heel licht. Hij wist gewoon dat deze mannen de waarheid spraken. Hoe, dat wist hij niet. Hij had het met eigen ogen gezien, toch? Dat die verlamde man weer kon lopen? En in zijn hart dankte hij God ervoor. Gauw ging hij richting huis, om zijn vriend te zoeken, en te vertellen wat hij had gezien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *