Kun jij de beker drinken?

Tekst: Mattheüs 20:17-28

Er zijn momenten in je leven waarop je op een kruispunt staat.
En je een keuze moet maken: welke richting ga ik op met mijn leven?
Of: ga ik door, of sla ik af, nu het nog kan?
Als je gaat studeren bijvoorbeeld.
De keuze die je dan maakt bepaalt toch voor een groot deel hoe je verdere leven eruit ziet.
Als je gaat trouwen, dat verandert helemaal alles.
Als je kinderen krijgt.
Vaak kun je nog niet helemaal –of helemaal niet – overzien wat die keuze je gaat brengen.
Nu lijkt het nog mooi, maar wat als het straks tegenvalt?
Kan ik het wel?
Toch ga je het aan.
Je gaat ervoor, ook al weet je dat er tegenslagen gaan komen.

In het gedeelte dat we hebben gelezen staat Jezus zelf op een kruispunt.
Hij en zijn leerlingen zijn op weg naar Jeruzalem.
Maar anders dan wij als we op zo’n kruispunt staan,
weet Jezus precies wat hem te wachten staat.
Tegenover zijn leerlingen laat hij er geen enkele twijfel over bestaan.
En wij weten het inmiddels ook.
We hebben er de afgelopen weken de verhalen over gehoord.
Jezus is onderweg naar Jeruzalem om te sterven.
Hij vertelt aan zijn leerlingen dat hij in Jeruzalem uitgeleverd zal worden, aan de Schriftgeleerden en aan de farizeeën.
En dat die hem ter dood zullen veroordelen.
Dat hij gekruisigd zal worden.
En dat hij na drie dagen weer op zal staan uit de dood.
Wat moet dat een verschrikkelijk idee zijn voor de leerlingen,
dat Jezus naar Jeruzalem gaat om gedood te worden!
Waarom doet hij dat?
Waarom maakt Jezus niet gewoon rechtsomkeert?
Petrus probeerde hem al over te halen.
Zeg niet zulke nare dingen, Jezus!
Maar Jezus wees hem terecht.
Hij kiest ervoor om door te gaan.

Want Jezus is op weg naar Jeruzalem met een reden.
Jezus zegt: dit is waar ik voor ben gekomen.
Ik ben gekomen om mijn leven te geven als losgeld voor velen.
Wat bedoelt hij daarmee?
Als wij aan losgeld denken, denken we aan een ontvoering.
Maar in de tijd van het Nieuwe Testament had het een andere betekenis.
Het ging om het vrijkopen van een slaaf of gevangene.
De ‘losser’ moest geld betalen,
om te voldoen aan de waarde van de slaaf,
of om de schuld af te lossen van de gevangene,
en zo zijn of haar vrijheid te verkrijgen.
Jezus zegt: dat is wat ik moet doen in Jeruzalem.
Door mijn leven te geven betaal ik het losgeld dat jij onmogelijk kunt betalen, en zo verkrijg jij je vrijheid.
Jezus betaalt met zijn leven aan het kruis.
Hij kiest ervoor om zijn leven te geven.
Hij gaat niet omdat hij niet anders kan, maar hij doet het vrijwillig.

Soms zeggen mensen: waarom is dat nodig, dat Jezus zijn leven voor ons geeft?
Kan God niet gewoon aan iedereen vergeving schenken?
Waarom moet Jezus tot de dood toe lijden?
Heel vaak lijkt het alsof God dan een wrede god is,
die zijn zoon laat lijden omdat hij vergelding wil.
Maar Jezus moest niet sterven ondanks Gods liefde,
hij gaf zijn leven vanwege Gods liefde.
De grootste liefde die je kunt geven is zelfopofferende liefde.
En die is nodig, omdat het kwaad en de zonde in deze wereld niet iets is wat je zomaar weg kunt wuiven.
Al die verschrikkelijke dingen die mensen elkaar aan kunnen doen.
Je kunt het kwaad niet simpelweg door de vingers kunt zien.
Je kunt het niet bestrijden, verwijderen of genezen door te zeggen:
‘Gewoon niet op letten’.
Het kwaad in deze wereld is een realiteit,
waarmee gedeald moet worden.
Waar iets mee gedaan moet worden.

In het verhaal van Narnia wordt dit op een mooie manier uitgebeeld.
Dat verhaal gaat over twee broers en twee zussen,
Die een bijzonder land ontdekken in de kleerkast.
Een land dat wordt geregeerd door een heks, die ervoor zorgt dat het altijd winter blijft.
Maar Edmund, een van de broers,
verraadt zijn broer en zussen aan de heks,
omdat hij jaloers op ze is.
Achteraf heeft hij heeft daar spijt van.
Maar de heks, aan wie hij ze heeft verraden, staat erop dat hij gedood moet worden op de stenen tafel.
Want dat is de straf die daarop staat in dat land.

In het verhaal is er een bijzondere figuur: Aslan, de leeuw.
Hij is degene van wie voorspeld is dat hij de heks zal verdrijven.
Maar zelfs Aslan kan het verraad niet wegwuiven,
kan het niet zomaar tenietdoen.
Dan doet hij iets bijzonders: ook al kan Aslan niet voorkomen dat er iemand op de tafel moet sterven,
Aslan gaat zelf in Edmunds plaats, en de heks accepteert dat.
Die nacht wordt hij gedood op de tafel.

De zussen van Edmund zijn Aslan gevolgd,
en blijven bij hem zitten tot de zon opkomt.
Net als ze opgestaan zijn om weg te gaan, horen ze een luid gekraak.
Als ze omkijken zien ze dat de tafel gebroken is, en dat Aslan weer leeft. Doordat Aslan, die nooit een ander verraden heeft of iets verkeerds heeft aangedaan,
zijn leven heeft gegeven in plaats van Edmund,
is de dood verslagen, is de tafel gebroken,
en hoeft nooit iemand meer gedood te worden op die tafel.

Jezus legt in alle openheid aan zijn leerlingen uit waarom hij naar Jeruzalem moet gaan.
en je zou denken dat die het nu begrijpen.
Maar meteen daarna komen twee leerlingen,
de twee broers Jakobus en Johannes, samen met hun moeder naar Jezus toe. Ze hebben een verzoek voor Jezus.
Hun moeder vraagt: als u straks in uw Koninkrijk bent,
als u heerst in uw glorie, staat in Markus,
geef dan dat mijn twee zoons naast u mogen zitten,
de één rechts van u, en de ander links.
Zijn ze nou bezig om te kijken wie het belangrijkst is van de discipelen, en wie het dichtst bij Jezus staat?
Vaak wordt er erg negatief tegen deze vraag van Jakobus en Johannes aangekeken.
Dat komt vooral door wat er daarna gebeurt,
als de andere leerlingen ervan horen,
en het bij hen in het verkeerde keelgat schiet,
en zij met elkaar gaan discussiëren over wie het belangrijkst is.

De andere leerlingen zien Jakobus en Johannes als mensen die vooraan willen staan, die zichzelf belangrijk willen maken.
En daar zit misschien een kern van waarheid in.
Maar je kunt hun vraag aan Jezus ook anders zien.
Eigenlijk zeggen Jakobus en Johannes tegen Jezus:
wij zijn uw grootste volgelingen.
Waar u gaat, daar willen wij ook gaan.
We willen u volgen, zelfs al betekent dat dat we met u moeten lijden.
Ze willen niet zozeer de belangrijkste zijn, maar ze willen dicht bij Jezus zijn.
Hoe vaak zeggen wij dat niet tegen God?
We willen u volgen, met alles wat we zijn.

Maar, net als wij als we een grote keuze moeten maken,
overzien Jakobus en Johannes niet alle consequenties van wat ze zeggen.
“Jullie weten niet wat je vraagt”, zegt Jezus.
De weg die hij moet gaan is er een die alleen hij kan gaan.
“Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken?”, vraagt hij.
Ja, dat kunnen we wel, zeggen ze vol zelfvertrouwen.
Maar ze begrijpen niet wat die beker van Jezus inhoudt.
Ze weten wel dat het moeilijk wordt, maar niet hóe moeilijk het wordt.
Ze onderschatten de last die Jezus moet dragen,
en ze overschatten zichzelf.

De priester Henri Nouwen heeft eens geschreven dat hij enorm werd geraakt door deze tekst,
toen die werd voorgelezen tijdens een viering.
Toen hij jong was, en op het punt stond om priester te worden,
popelde hij om die beker te drinken.
Om te delen in Jezus’ leven.

Maar toen hij ouder werd vroeg hij zich af:
Kán ik, kúnnen wij, de beker drinken die Jezus dronk?
Als we beseffen wat die vraag betekent, en als we die serieus zouden nemen, dan zou ons leven radicaal veranderen.
Waarom zouden we de beker drinken?, vraagt hij zich af.
Zou het niet veel gemakkelijker zijn om te zorgen dat we een leven leiden,
met een minimum aan pijn, en een maximum aan plezier?

De beker die Jezus moet drinken,
is de beker van het verdriet, van het lijden.
Ieder mens krijgt te maken met verdriet.
Met ziekte, pijn, ruzie, eenzaamheid.
Gebrokenheid, angst, zorgen.
Verlangen naar liefde.
Ieder mens heeft zijn eigen beker, vol met verdriet.
Verdriet hoort bij het leven, en het zal nooit weggaan.
En naast ons eigen verdriet, is er het verdriet in deze wereld.
Het verdriet in de wereld om ons heen zet ons eigen verdriet soms in perspectief.
In ons eigen land zien we dat er daklozen zijn,
mensen die psychisch in de problemen komen,
mensen die tot hun nek in de schulden zitten.
En verder weg horen we over oorlogen, aanslagen, mensenhandel, straatkinderen, mensen die op jonge leeftijd overlijden aan ziektes als AIDS en ebola.
De beker van het lijden is onze eigen beker,
ieder mens moet leven met zijn eigen, diep persoonlijke verdriet.
Maar daarnaast geldt voor ons allemaal dat ons verdriet universeel is.
Is het de beker van ons samen.

Aan het kruis belichaamt Jezus dit verdriet.
Aan het kruis draagt hij ons verdriet.
Jezus hangt daar zelf, als de Man van Smarten,
en tegelijk belichaamt hij ook ons.
Mensen die vervuld zijn van verdriet,
die daar hangen tussen hemel en aarde,
terwijl we op sommige momenten in ons leven uitschreeuwen:
mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

De beker die Jezus moet drinken is niet alleen de beker van zijn eigen verdriet,
van het lijden dat hij moet dragen doordat hij aan het kruis hangt,
maar het is het verdriet van de hele mensheid.
Het is de beker vol bitterheid.
De beker waarover Jesaja zegt:
U hebt uit de hand van de Heer,
uit de beker van zijn toorn gedronken,
en de kelk van de bedwelming leeggedronken,
tot op de bodem.

Jezus kiest ervoor om die beker leeg te drinken.
Hij hoeft het niet te doen,
maar Hij doet het vrijwillig, voor ons.
Hoe kon hij dat doen? Hoe vond hij de kracht om dat te doen?
Die last was bijna ondraaglijk, zelfs voor Jezus.
Maar Jezus had vertrouwen, ondanks het verraad,
overgave, ondanks de wanhoop,
liefde, ondanks alle angst.
Hij was nog steeds verbonden met God, die hij ‘Abba’ noemde.
Door deze verbondenheid vond hij de kracht om de beker te drinken, zelfs al voelde hij zich verlaten.
Ondanks zijn intense vertwijfeling bleef Jezus onverbroken.
Dankzij die intieme verbondenheid met God kon hij in de hof van Gethsémane de beker in zijn handen houden, en bidden:
Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan.
Maar laat het niet gebeuren zoals ik wil, maar zoals Ú verlangt.
Dat Jezus de beker dronk, was een diep,
geestelijk ja tegen God, zijn vader,
die zijn gewonde hart beminde.

Daarom is deze beker die Jezus moet drinken er een die hij alleen moet drinken. Toch zegt hij Jakobus en Johannes:
jullie zúllen mijn beker drinken.
Waarom zegt hij dat?
De beker van Jezus zou hun beker worden.
Ze wilden hetzelfde leven als Jezus.
We weten ook van Johannes en Jakobus dat ze allebei hebben moeten lijden omdat ze Jezus volgden.
Van Jakobus wordt in Handelingen vertelt hoe hij is onthoofd, in opdracht van Herodes.
Johannes is later verbannen naar het eiland Patmos,
waar hij niet meer vandaan mocht gaan.
Maar dat Jezus zegt dat ook zij die beker zullen drinken, is niet alleen beangstigend, maar ook hoopgevend.
Henri Nouwen zegt:
Jezus wilde niet dat zijn vrienden zouden lijden.
Maar hij wist dat ook zij alleen door te lijden hun heerlijkheid zouden bereiken.
De beker van verdriet is tegelijk ook de beker van vreugde.
In verdriet schuilt altijd vreugde.

Ik heb dat zelf meegemaakt toen ik in Zambia geweest ben.
De predikant van een kerk daar nam me mee naar een groep mensen, die zichzelf ‘circles of hope’ noemen.
Kringen van hoop, zou je het kunnen vertalen.
Wat bleek: al de mensen die daar naartoe gingen, hadden AIDS.
Ze kwamen er bij elkaar om met elkaar Bijbelstudie te houden,
om elkaar te bemoedigen, naar elkaars ervaringen te luisteren.
En met elkaar probeerden ze het taboe op AIDS te verbreken,
en mensen in hun omgeving voor te lichten.
Deze mensen lieten zich niet verslaan door die ziekte,
maar probeerden juist hoop te brengen bij mensen in hun omgeving,
die misschien ook aan deze ziekte leden,
maar die zich niet durfden te laten testen,
of die er niet voor uit durfden te komen.
Ik werd geraakt door de veerkrachtigheid van de mensen in die kring,
en van de vreugde die van hen uitging,
ook al lijdden ze aan zo’n erge ziekte.
De kracht die ze hadden, putten ze uit hun geloof, en uit elkaar.

Ik kwam toen ook in een kerk, waar mensen niet eens geld hadden om de muren af te maken.
Hij stond in een wijk met kleine huisjes,
niet veel groter dan het gemiddelde tuinhuisje,
waar mensen met hun hele gezin woonden.
De kerk was eigenlijk alleen maar een dak.
En toch was de dienst daar zo vrolijk,
en waren de mensen daar zo gastvrij.
Toen een man tijdens de dienst zag dat ik het benauwd had,
want het was best warm, haalde hij een flesje water voor me,
en na de dienst kregen we eten van de mensen in die kerk.

Dat in verdriet ook altijd vreugde schuilt, is iets dat we makkelijk vergeten.
We laten ons vaak overweldigen door de duisternis.
We verliezen onze vreugde heel gemakkelijk uit het oog,
en praten over ons verdriet alsof het de enige waarheid is.
We moeten elkaar eraan blijven herinneren dat de beker van het verdriet ook de beker van vreugde is,
en dat de oorzaak van onze droefheid de vruchtbare bodem kan worden van blijheid.
Zelfs al lijkt dat een tegenstelling, en lijkt die vreugde vaak zo ver weg.

Jezus’ onvoorwaardelijke ja tegen zijn Vader gaf hem de kracht zijn beker te drinken,
niet in passieve overgave,
maar in het volle besef dat het uur van zijn dood ook het uur zou zijn van zijn heerlijkheid.
En wij? Kunnen wij met net zoveel overgave de beker drinken die Jezus moest drinken? Moeten we dat?

De beker van Jezus drinken is niet zomaar iets.
Het verandert heel je leven.
Het is delen in zijn verdriet, in zijn lijden,
maar het is ook delen in zijn opstanding.
Johannes en Jakobus waren ervan overtuigd dat zij de beker konden drinken.
Maar die beker drinken we niet omdat wij het kunnen,
zoals Jakobus en Johannes dachten.
Wij kunnen die beker drinken omdat Jezus het al heeft gedaan.
Wij kúnnen het niet volbrengen, maar hij volbracht het voor ons.
Hij nam onze zonde op zich. Ons verdriet. Hij dronk de beker.
Wij kúnnen niet alleen al het lijden in deze wereld dragen,
maar Hij draagt het met ons.
Jezus gaat mee in ons lijden.

Aan het kruis deelt Jezus in ons verdriet,
en daardoor mogen wij delen in zijn heerlijkheid.
We mogen weten dat we op een dag met Hem mogen opstaan,
met hem zullen leven.
Dat we bij hem mogen zijn.
Maar niet alleen voor straks,
ook voor ons leven nu maakt dat een wereld van verschil.
Jezus volgen is leven uit dienende en vreugdevolle liefde,
voor God en voor de mensen om ons heen.
Het is niet een leven leiden met een minimum aan pijn en een maximum aan plezier.
Het betekent dat we het lijden niet uit de weg gaan,
en niet ontkennen.
Maar dat we het aangaan omdat we weten dat Jezus ons draagt, en ons verdriet met ons draagt.

In dat alles mag Jezus’ leven in ons leven zichtbaar worden.
Hij wil door ons heen leven.
Door onze verbondenheid met God,
en door onze liefde voor elk mens dat op ons pad komt.
Dan wordt in ons leven hoop en vreugde zichtbaar.
Door de hoop, dat als we nu delen in zijn lijden,
we ook mogen delen in zijn vreugde.
Nu, en straks, als we met Hem mogen leven.

Amen.

Een gedachte over “Kun jij de beker drinken?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *