Staan voor je geloof

Tekst: Handelingen 26:1-5; 9-18

Stel: je werkt in een redelijk groot bedrijf.
Elke dag eet je wat met je collega’s.
En je bent gewend om te bidden voor het eten.
Op een dag vraagt een van je collega’s, als iedereen weer aan het werk is: waarom doe je dat eigenlijk?

Of: je bent aan het barbecuen met je buren. Je bent gezellig aan het kletsen, met een biertje in de hand. Je raakt aan de praat over de kerk, want het is je buurvrouw opgevallen dat jullie elke zondag vroeg opstaan en naar de kerk gaan. Je voelt de neiging om te vragen: geloof jij eigenlijk in God? Maar je doet het toch niet, omdat je bang bent dat je buurvrouw negatief reageert.

Het is best spannend: met andere mensen over je geloof praten.
Want het is kwetsbaar.
Je laat iets van jezelf zien, van wat jou drijft, van wat jou geraakt heeft.
En het kan zijn dat de ander daar negatief op reageert.
Dat iemand ineens de boot afhoudt.
Dat ze zeggen: “daar heb ik niks mee”, of: “geloof je dat écht nog?”
Soms hebben mensen negatieve ervaringen met christenen,
die tegen hen gingen preken, voordat ze luisterden.
Soms begrijpen mensen niet wat je zegt, al die moeilijke christelijke woorden.
Al deze dingen maken het best spannend om in gesprek te gaan over je geloof. Om echt te laten zien waarom je gelooft.

Misschien dat we wel iets van de durf van Paulus zouden mogen hebben.
Paulus moet het ook erg spannend gevonden hebben.
Twee jaar had hij in de gevangenis gezeten, en wist hij niet wat er zou gebeuren.
Werd hij uitgeleverd aan de Joodse raad, het Sanhedrin?
Of werd hij vrijgelaten? Zou hij hier nog jaren zitten?
Het is een beetje te vergelijken met de mensen die ook nu nog vanwege hun geloof in de gevangenis zitten, bijvoorbeeld in landen als Iran.
De aanklacht is niet helemaal duidelijk, of is vals.
Ze weten niet hoelang ze nog blijven zitten, of ze vrijgelaten worden of ter dood veroordeeld.
Dat is precies de situatie waarin Paulus zat.

Toch is hij heel bewust naar Jeruzalem gegaan.
Hij wist van tevoren dat hij daar gevangen genomen zou worden.
Al toen hij op weg was naar Jeruzalem hadden mensen het hem voorspeld.
Ze hadden gezegd: je moet niet gaan. Blijf bij ons, hier ben je veilig.
Maar Paulus wist dat het een doel had dat hij naar Jeruzalem moest gaan. Welk doel, dat wist hij niet precies.

En inderdaad, het ging zoals iedereen voorspeld had:
in Jeruzalem werd hij gevangen genomen, toen hij in de Joodse tempel was om te bidden.
De Joden zeiden dat hij een oproerkraaier was, dat hij de orde verstoorde.
Om hem te beschermen werd hij door de Romeinen naar een gevangenis in Caesarea gebracht, want zijn aanklagers wilden een aanslag tegen hem plegen.
Daar zou hij twee jaar in de gevangenis blijven zitten, omdat Felix, de procurator, de gouverneur zeg maar, hoopte dat Paulus hem om zou kopen.

Pas na twee jaar in de gevangenis kwam er eindelijk weer schot in de zaak.
Felix, die bekend stond om zijn corruptie, werd vervangen.
Door Festus. Als je Handelingen zo leest, komt Festus als iemand naar voren die zich graag aan de procedures houdt.
Een beetje onervaren misschien, zeker als het aankwam op het Joodse geloof en de Joodse gebruiken, maar wel met veel motivatie.
Iemand die het goed wil doen, die de zaken op orde wil brengen nu Felix er zo’n puinhoop van heeft gemaakt.

Al enkele dagen nadat hij er is, komen de aanklagers bij hem, en vragen hem om Paulus naar Jeruzalem over te laten brengen.
Maar Festus voelt daar niet veel voor. Hij vertrekt zelf naar Caesarea, waar Paulus gevangen zit, en laat Paulus daar voorkomen.
Hij wil wel eens weten wat er is gebeurd waardoor Paulus vastzit.
Het liefst wil hij het snel oplossen.
Hij laat de aanklagers komen, en de rechtszaak begint.
Maar Festus merkt al snel dat hij er weinig van begrijpt.
De Joden beschuldigen Paulus van allerlei zaken, die ze niet kunnen bewijzen, en Paulus beweert niets gedaan te hebben.
Als hij merkt dat ze niet verder komen,
vraagt Festus aan Paulus, om de Joden ter wille te zijn,
of hij het erg zou vinden om in Jeruzalem terecht wil staan, in Festus’ aanwezigheid.
Paulus weet dat hij daar geen schijn van kans maakt,
of misschien zelfs onderweg vermoord wordt,
dus hij zegt: als ik iets heb misdaan, kunt u mij daarvoor straffen.
Maar u kunt me niet zomaar aan de Joden uitleveren.
Ik beroep me op de keizer!

Je beroepen op de keizer was een soort hoger beroep,
dat je als Romeins staatsburger mocht aantekenen.
Het betekende dat Paulus naar Rome zou moeten,
om voor de keizer terecht te staan.
“Zo zal het gebeuren”, zei Festus.
Ik denk dat hij er wel mee in zijn maag zat.
Hij had geen duidelijke aanklacht om met Paulus mee te sturen.

Een paar dagen later kreeg Festus echter een gouden kans om het weer recht te zetten.
Koning Agrippa kwam bij hem op bezoek.
Agrippa was de achterkleinzoon van Herodes de Grote, die in de tijd van de geboorte van Jezus koning was.
De Herodes die achter de kindermoord zat, waar het misschien hier ook over gegaan is afgelopen zondag.
Nadat zijn vader overleed is Agrippa door keizer Claudius aangesteld als koning over een klein gebied ten Noorden van Israël.
De Romeinen zagen hem door zijn deels Joodse afkomst als autoriteit op het gebied van het Jodendom.

Festus bracht de zaak ter sprake bij Agrippa.
En Agrippa zei: ik zou die man zelf wel eens willen horen.
Zo kwam het dus dat Paulus zichzelf moet verdedigen tegenover koning Agrippa.

Het wordt een erg bijzondere rechtszaak.
Op het eerste gezicht lijkt het of er voor Paulus weinig van af hangt,
omdat hij uiteindelijk toch naar de keizer zal moeten.
Daar kan Agrippa geen verandering meer in aanbrengen.
Maar ergens toch ook weer wel, omdat Agrippa de aanklacht aan de keizer moet verduidelijken.
En Agrippa was een autoriteit op het gebied van het Jodendom, ook in Rome. En daar nog bovenop: hij kende Claudius, de keizer, persoonlijk.

Het bijzondere in deze rechtszaak,
is dat Paulus ervoor kiest om zichzelf niet te verdedigen.
Hij had tegenover Agrippa aan kunnen tonen dat de aanklacht van de Joden vals was.
Hij had kunnen proberen om aan te tonen dat hij onschuldig was.
In plaats daarvan getuigt Paulus van zijn geloof,
tegenover Agrippa, de koning met Joodse wortels, die het Jodendom door en door kent.
Ik denk dat Paulus in zijn tijd in de gevangenis ervan overtuigd is geraakt dat dit de plaats is waar God hem nu wil hebben.
Dat hij naar Jeruzalem moest gaan om gevangen genomen te worden,
zodat hij kon vertellen wie Jezus is aan de gouverneur, aan de koning, en uiteindelijk aan de keizer.
Dat is wat dit hele deel van Handelingen ademt, dat het niet toevallig is dat Paulus hier staat.

Hij bedankt Agrippa dat die naar hem wil luisteren, en begint te vertellen, over zijn leven.
Hoe hij zelf is opgegroeid als Jood, als Farizeeër, de meest nauwgezette stroming van het Jodendom in die tijd.
Hij heette toen nog Saul, wat ‘geroepen door God’ betekent.
Hij vertelt hoe hij zich geroepen voelde om tegen de naam van Jezus van Nazaret op te treden.
Hij noemt Jezus hier expres geen Christus, want zo zag hij hem niet:
Jezus was een oproerkraaier geweest, die het volk van de juiste weg afleidde.
Het was dom dat sommige mensen hem na zijn dood nog steeds bleven volgen. Zo dacht hij.
Paulus ging het met kracht tegen.
Hij vervolgde de christenen, liet ze in de gevangenis opsluiten.
Hij stemde ermee in als mensen ter dood gebracht werden.
Bijvoorbeeld Stefanus, over wie in het begin van Handelingen verteld wordt.
Hij martelde mensen om te proberen hen hun geloof in Jezus af te laten zweren.

Paulus zegt zelf: ik bestreed hen zo vurig, met zoveel woede,
dat ik ze zelfs achtervolgde naar andere steden, buiten Israël.
En op een dag ging hij naar Damascus, in Syrië,
in opdracht van de hogepriesters, om daar de christenen te vervolgen.

Maar toen hij onderweg was, werden hij en degenen die met hem reisden plotseling door een fel licht omschenen.
Ze vielen op de grond. En een stem zei tegen hem:
Saul, Saul, waarom vervolg je mij?
Hij vroeg: wie bent U, Heer?
De stem antwoordde: ik ben Jezus, die jij vervolgt.

Ik denk dat dit het bijzonderste moment uit Paulus’ leven is geweest.
En ik vind het zelf ook een van de bijzonderste delen uit de Bijbel.
Dat deze Saul, die zo fel de naam van Jezus bestreed, door Hem wordt geroepen.
Stel je voor dat in deze tijd een atheïst die zijn hele leven had geprobeerd mensen van hun geloof af te brengen ineens Jezus zou tegenkomen.
Saul was nog een flinke slag erger.
Want hij had niet alleen met woorden de christenen bestreden,
hij had hen ook gevangen gezet, gemarteld, laten doden.
Ik denk dat Saul zichzelf heel bang en heel klein voelde worden.
Temeer omdat Jezus zei: jij vervolgt mij.
Jezus vereenzelvigde zichzelf met degenen die Saul had vervolgd.

Wat zou Paulus nu verwacht hebben? Dat hij dood zou gaan? Of gestraft zou worden?
Maar Jezus strafte hem niet. Jezus zette hem op zijn voeten. Hij gaf hem genade.
Hij zei: vanaf nu ben jij mijn dienaar.
Vanaf nu word je een getuige van dat je Mij hebt gezien.
Om dat te vertellen, aan de Joden en de mensen die geen Jood waren.
Om hen te leiden, uit de duisternis naar Mijn licht.
Vanaf dat moment is Paulus’ leven helemaal omgekeerd.
Hij noemt zich niet meer Saul, ‘geroepen door God’,
maar Paulus, ‘kleine’, ‘geringe’.
Hij heeft nog wel veel te leren.
Maar één ding ziet hij nu heel scherp:
Ik had het bij het verkeerde eind, en flink.
Maar Jezus wil opnieuw met mij beginnen, sterker nog:
Hij wil mij een getuige van hem maken.

Daarom durft Paulus hier ook zo voor de koning te staan, en tijdens het vertellen wordt hij steeds vrijmoediger.
Hij zegt tegen de koning:
“Dat ik dit verkondig, wat ik heb gezien,
dat is de reden waarom de Joden mij hebben gegrepen toen ik in de tempel was,
en waarom ze geprobeerd hebben me te vermoorden.
Maar ik blijf het aan iedereen bekend maken,
zonder onderscheid, [dus zelfs tegen de koning].
Ik blijf aan iedereen bekend maken wat door Mozes en de profeten is aangekondigd:
dat de Messias zou lijden en sterven,
en dat hij als de eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk [de Joden],
en aan de heidenen, [de mensen die niet Joods waren],
het licht te verkondigen.”

Festus is de eerste die reageert.
“Je slaat wartaal uit, Paulus”, zegt hij.
“Al dat studeren heeft je gek gemaakt.” Hij kan er niet meer bij.
Hij reageert zoals veel mensen in onze tijd ook zouden reageren,
of wat ze misschien niet uitspreken maar wel denken:
je weet best dat het nooit gebeurd kan zijn.
Het is kinderachtig om te geloven in een God die deze wereld heeft gemaakt, en die ingrijpt in deze wereld. Of alleen maar iets psychologisch.
Dat is wat de cultuur waarin we leven soms lijkt te ademen.
Een docent zei een keer: toen ik in Amsterdam vertelde dat ik geloofde,
keken mensen naar me als naar een museumstuk.
Ze vonden het wel interessant, maar ze zagen het ook als iets van vroeger.

In Paulus’ tijd was geloven in God minder apart dan het nu soms lijkt.
Toch is voor Festus dit verhaal te gortig: iemand die opstaat uit de dood, midden op de dag een licht zien.
Volgens hem is er bij Paulus een steekje los.

Toch schaamt Paulus zich niet als hij voor Agrippa staat.
Zelfs als Festus hem belachelijk maakt.
Ondanks dat Festus hem voor gek verklaart, blijft Paulus bij wat hij heeft gezegd.
Geloof is voor hem een realiteit, waar hij uit wil leven.
Die het delen waard is. Zelfs al wordt hij er misschien vreemd om gevonden.

We kunnen van Paulus leren dat je je niet hoeft te schamen voor je geloof.
Dat je niet bang moet zijn dat de ander je vreemd vindt, of kinderachtig,
maar dat je mag laten zien wat God in jouw leven betekent.
Ik wil je niet veroordelen als je dat niet doet,
want ik weet zelf hoe spannend het is,
en ik doe het zelf ook lang niet altijd.
Het lijkt hier of Paulus het zo uit zijn mouw schudt,
maar ik denk dat hij het ook best spannend vond.

Ik wil je wel bemoedigen,
om te beseffen dat wat jij gelooft ook iets waard is.
Dat je echt wat te delen hebt.
Je zult merken dat mensen er meer voor open staan dan je denkt, als je het durft te laten zien.

Vorig jaar kreeg ik vanuit mijn opleiding de opdracht,
om met een paar mensen van wie ik wist dat ze niet naar de kerk gaan te praten over wat zij geloven en wat ik geloof.
Ik vond dat ook erg spannend om te doen.
Het liefste wilde ik de opdracht overslaan.
Ik was bang dat die mensen me vreemd zouden vinden.
Maar weet je, toen ik een paar van hen had gevraagd om het te doen bleken ze het best leuk te vinden.
In het begin was het even aftasten.
Maar ik kreeg wel hele diepe gesprekken met ze.
Ik merkte dat als ik luisterde naar hen, dat zij ook luisterden naar wat ik te zeggen had.
Dat was heel belangrijk: dat ik eerst naar hen luisterde.
Een gesprek over je geloof is heel anders dan een preek houden.
In die gesprekken vertelden de anderen waar ze tegenaan liepen.
Bijvoorbeeld tegen het gedrag van christenen, terwijl ze vaak zulke grote woorden hebben.
Of tegen iemand die probeert zijn geloof op een aggressieve manier aan anderen op te leggen.
Maar na een tijdje begonnen ze mij vragen te stellen. Waarom geloof je?
Toen mocht ik ook vertellen waarom ik wel geloof.
Over waarom en hoe ik door Gods liefde geraakt ben.
Dat is wel heel kwetsbaar.
Maar dat raakt mensen veel meer dan een standaardverhaaltje dat je uit je hoofd geleerd hebt.

Eigenlijk is dat ook wat Paulus hier doet.
Paulus’ verhaal is niet alleen maar een succesverhaal.
Hij laat aan Agrippa de zwarte bladzijden uit zijn eigen leven zien.
Hij vertelt hoe Jezus dat heeft veranderd.
En dat is te zien aan Paulus, van top tot teen, aan hoe hij hier staat.

Misschien denk je nu: wauw! Maar misschien denk je ook wel:
ik heb helemaal niet zo’n bijzondere ervaring gehad als Paulus.
Wat moet ik zeggen als iemand aan mij vraagt:
wat merk jij nou eigenlijk van God in je leven?
Ik denk dat je geen spectaculair bekeringsverhaal hoeft te hebben om de ander te laten zien wat God in jouw leven betekent.
Als iemand je ernaar vraagt, vertel dan, heel eerlijk,
waaraan je in je eigen leven merkt of gemerkt hebt dat God er is.
Durf eerlijk te zijn.
Bijvoorbeeld hoe je kracht van God kreeg toen je het moeilijk had.
Hoe je iets merkte van Zijn liefde, of van Zijn grootheid.
Hoe je geraakt werd door een bepaalde tekst of een lied, of iets anders.
Je kunt iets laten zien van je eigen worstelingen.
Laten zien wat God in jouw leven doet, wat Hij verandert.
Dat zijn hele spannende, maar ook hele krachtige dingen.

En luister naar de ander als je dat doet.
Misschien heeft diegene zelf wel iets ervaren van God,
of juist iets wat hem of haar daar erg in tegenhoudt.

Aan het einde van de rechtszaak zegt de koning: “Het lijkt wel of je wilt dat ik ook christen word”.
Paulus’ antwoord is: “ik zou wel willen bidden, koning Agrippa, dat niet alleen u, maar iedereen die hier aanwezig is zou mogen worden als ik, uitgezonderd deze handboeien.”

Paulus durft tegenover de koning te staan voor zijn geloof.
Hij durft te zeggen dat hij hoopt dat Agrippa zelf Jezus ook mag leren kennen.
Hij zegt het met humor, maar hij is tegelijk ook hartstikke serieus.

Ik weet daar nog een leuk voorbeeld van uit onze tijd, van Piet de Jong, die predikant was in Rotterdam Delfshaven.
De kerk daar was bijna leeg, maar er komen nu weer veel jonge mensen.
Op een dag kwamen er twee mannen van TV Delfshaven naar hem toe, om hem te interviewen.
‘Wat zoeken die jonge, hoogopgeleide mensen in uw kerk?’ Vroeg de een.
‘Ze komen voor God en elkaar.’, zei hij.
‘Leg uit’, zei de andere man.
‘Jonge mensen werken heel de week erg hard, vaak met z’n tweeën.
Ze komen niet aan zichzelf toe. Hier worden ze stil, luisteren naar de Bijbel en laten zich aanspreken door God.
Laat je God toe, dan kom je dicht bij jezelf en besef je waar het voor een mens om gaat.’
‘Wil je ze bekeren?’, vroeg de man?
‘Natuurlijk. Voor minder ga ik niet.
Maar wees niet bang voor mij, als je hier komt. Ik kan mezelf niet eens bekeren, laat staan jou. Maar je weet nooit wat er gebeurt als je eens even luistert naar God.’

Met Paulus mogen we leren zeggen: ik hoop dat jij mag zien wat ik zie. Niet omdat je arrogant bent, of denkt dat jij het beter weet,
maar omdat je zo geraakt bent door wie God is, door Zijn liefde,
dat je dat wilt delen, dat je hoopt dat de ander dat ook mag zien.
Gebed is daarbij belangrijk.
Je kunt het dan overgeven aan God, vanuit het besef dat je het niet alleen hoeft te doen.
Paulus zegt, in een vers dat we hebben overgeslagen bij de Schriftlezing:
“ik heb aan de opdracht die ik kreeg gehoorzaamd,
en ik heb tot nu toe elke dag ervaren dat God bij me was.”
God heeft beloofd je te helpen.
Om je wijsheid te geven, de juiste woorden te geven.

Dus durf net als Paulus een dienaar en een getuige te zijn van Jezus Christus, op de plek waar jij gezet bent.
Of het op je werk is, bij je familie of je vrienden, op school, in de buurt, in het ziekenhuis, de gevangenis.
Overal mag je zijn licht laten schijnen in de duisternis.
En God zegt: wees niet bang: Ik ben bij je.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *